+ Meer informatie

Voor en na de dienst

8 minuten leestijd

Laat ik direct zeggen, waarom het me te doen is. Ik wil iets schrijven over wat zich in de kerkeraadskamer afspeelt voor en na de dienst.

Dit voornemen heeft enkele hachelijke aspecten. Ik zou de indruk kunnen wekken, als wilde ik enkele ervaringen van de laatste tijd naar voren halen en kritisch benaderen. Men zou dan kunnen proberen na te gaan, waar ik mogelijk de laatste maanden wat negatieve ervaringen heb opgedaan. Ik wil graag nadrukkelijk stellen, dat dit een geheel onjuiste gedachte zou zijn. Ik loop reeds meer dan een half jaar met het plan rond om iets over dit onderwerp te schrijven. Verder hebben we nog veel langer geleden in onze kerkeraad over deze zaak een gesprek gehad.

We moeten splitsen in het contact met de eigen predikant en met de predikant van elders”. Ik wil bij de laatste beginnen. We beginnen dus met

De gastpredikant

Men moet zich als kerkeraadslid zijn situatie eens indenken. Hij komt in een hem wellicht geheel vreemde omgeving. Hij ontmoet broeders, die hij in het geheel niet, of nauwelijks kent. Hij heeft zich voorbereid op het brengen van de boodschap van zijn Zender. Hij moet het Woord van God in de gemeente gaan bedienen. Dat zet hem onder hoog-spanning. Het gewicht van de eeuwigheid is er mee gemoeid. Daar komt hij binnen. Wat zal de eerste opmerking zijn, die tegen hem gemaakt wordt? Of zal het zo zijn, dat hij zelf moet beginnen? Maar hij is toch gast-predikant! Hij mag toch verwachten, dat hij als gast ontvangen wordt in de hem onbekende kerkeraad.

Daar zijn een paar broeders aan het praten. Gaan ze gewoon door? Is er iemand die zich met hem bemoeit? Of zwijgen de anderen en hoort men alleen het gefluister? Waarover gaat het, denkt hij? Zijn deze ambtsdragers bezig als kerkeraadslid met de voorbereiding tot de dienst, die zo dadelijk begint? Of gebruikt men de wekelijkse ontmoeting in de kerkeraadskamer om enkele noodzakelijke ambtelijke afspraken te maken? Hij weet het niet. Hij ziet maar toe, verstaan kan hij het niet en hij wacht! Of hoort hij, dat men het laatste nieuws uit het dorp, de familie van die en die bespreekt? Vangt hij iets op over de zaak of was het een opmerking, die je overal en altijd kunt-hoortmaken? Hij verschuift wat op zijn stoel. Hij denkt aan zijn preek, aan de gemeente en aan zijn Zender. Begrijpen ze dan niet, dat hij opgevangen moet worden? Voelen ze er dan niets van, dat hij even een duwtje nodig heeft — dat ene woord, waaruit blijkt, dat hij welkom is en dat men met vreugde het Woord gaat horen? Ja, daar komt iemand naar hem toe. Tenminste één, die de vriendelijkheid betracht om met hem te spreken. Maar wat stelt deze broeder nu aan de orde? Een artikel uit de Wekker. De gastpredikant zag het opschrift maar kwam aan het lezen niet toe. Hij kan volstaan met een algemene opmer king. Hij weet wel zo’n beetje waarover het ging. Dus kan hij meedoen. Maar ,dat valt niet’. Hij kijkt de broederkring nog eens rond. Hij heeft vanmorgen lang gebeden. Als je zo deze broeders bekijkt lijkt het of ze er niet veel mee te doen hebben, dat vandaag de Heilige Geest op de werkvloer van de kerk bezig zal zijn. Het is een teleurstelling, deze eerste kennismaking.

Na de dienst.

Het werk is gedaan. Wat verwacht de gastpredikant? In geen geval een pluimpje. Hij heeft behoefte aan enige reactie op de preek, zo mogelijk aan een fijn gesprek(je). Hij weet echter, dat je zo’n gesprek niet kunt maken. Dat is een geschenk. Welke een teleurstelling, als dan niemand iets zegt. Heeft het Woord dan niets wakker geroepen? Zijn er dan geen problemen in de gemeente, waarop het Woord van toepassing was? Daar zijn een paar broeders, die een gesprek met elkaar beginnen. Hij luistert toe. Het gaat over het nieuws van de streek. Hij denkt aan een opmerking van zijn vader in het ouderlijk huis. Als een der kinderen direct na het bidden over iets heel anders begon, zei vader altijd: daar ben je zeker mee bezig geweest onder het bidden. Zou het hier zo gegaan zijn onder de preek, vraagt hij zich af. Was hij niet duidelijk genoeg, niet ernstig genoeg, ging het over de hoofden heen, sloeg het niet aan, was het zijn schuld? daar piekert hij over verder, tot een der broeders hem de hand geeft en smakelijk eten wenst. Een ander zegt: wij eindigen hier na de tweede dienst. ,Nu broeders dan gaan we maar’, zegt hij en probeert zijn teleurstelling te verbergen. Later hoort hij, dat de preek toch wel gewaardeerd was. Zijn reactie op het gebrek aan reactie was dus helemaal fout. Een goede les.

En toch …

Was het bij die kerkeraad helemaal in orde? U zult vragen, maak je dit vaak mee als predikant. Ik kan uit eigen ervaring gelukkig en hartgrondig zeggen: zelden. Toch zijn er ervaringen, die hierop lijken. En die komen meer dan vaak voor.

Misschien dat ieder kerkeraadslid, die dit leest, zichzelf eens af wil vragen, hoe hij de gastpredikant opving.

Wat deze dan verwacht? Heus niet zo heel veel. In de eerste plaats, dat men hem het gevoel geeft welkom te zijn; dat hij echt verwacht wordt. Als maar een der broeders zich de tolk van allen maakt, is het goed. Een kleine informatie naar persoonlijke omstandigheden, een teken van belangstelling kan de brug zijn, waarover het contact gelegd wordt.

In de tweede plaats verwacht hij, dat de kerkeraad enig begrip toont voor het werk, dat hij komt doen. Wat kan het storend, of zelfs afstotend zijn, als men vlak voor de dienst over de meest alledaagse dingen aan het praten is. Soms zou je dan als predikant wensen alleen gelaten te worden, om pas op het moment dat men met elkaar gaat bidden in de kring der broeders te komen. Voelt men dan niet, dat je niet kunt overstappen van een of ander nieuwtje naar het werk op de preekstoel? Zou een kerkeraad zich daar ook niet wat op moeten voorbereiden, zoals de predikant dat zelf ook zondagsmorgens dient te doen.

Je kunt en mag hier niet reglementeren. Dat zou uit de boze zijn. Maar wat meer begrip was wel gewenst. Je mag van een kerkeraad verwachten, dat hij om je heen staat in het zware werk van de prediking. Dat mag dan ook wel uitkomen in de manier waarop je ontvangen wordt. Ik weet, dat schuchterheid, onwennigheid en gebrek aan bezinning op de positie van een gastpredikant hier een rol spelen. Het is zelden onwilligheid of onwelwillendheid. Niettemin kan er op dit punt wel iets veranderen. Ieder heeft daarin zijn eigen taak. Tot nadenken over deze taak wil ik in dit artikel opwekken.

De eigen predikant.

Het gesprek met de eigen predikant voor en na de dienst kan gemakkelijker zijn. Men kent elkaar. Men heeft samen de zorg voor de gemeente. Dikwijls zal er voor de dienst gesproken worden over de afkondigingen, over de zieken van de gemeente, of andere bijzondere dingen, welke de broeders dienen te weten of waarvan de predikant op de hoogte moet zijn.

Toch zal men ook in het contact met de eigen predikant dienen te beseffen, dat men zich klaar maakt om het huis des Heeren binnen te gaan en Zijn dienst waar te nemen. Ook in eigen gemeente staat de predikant onder de spanning van zijn opdracht en is het gewicht van de eeuwigheid met zijn werk gemoeid. Een kleine bemoediging, als u merkt dat het de predikant moeilijk valt, is op zijn plaats. Er kunnen ook omstandigheden of gebeurtenissen in de gemeente zijn, die belemmerend of vermoeiend werken. Laat — op welke wijze dan ook — voelen dat u daar begrip voor hebt en dat u naast hem staat. Ik weet tvel dat het niet zo eenvoudig is de goede vorm te vinden. Verlegenheid en de schijn van te vleien te willen voorkomen spelen hier vaak een grote rol. Anderzijds mag de vraag gesteld worden: proberen de broeders in dit opzicht wat ze kunnen.

Een mens van gelijke beweging als ge zelf zijt — dat kunt u zich het beste voor ogen houden, als u over deze dingen denkt. Wat zoudt u zelf nodig hebben of waarnaar zoudt u zelf verlangen?

Zo ook met het gesprek na de dienst. Dikwijls kunnen er dingen gezegd worden, die aansluiten bij huisbezoeken. Hoe bemoedigend is het niet voor een dominee, wanneer hij hoort dat het in de preek juist ging over dingen, die de afgelopen week op huisbezoek besproken werden. Het kan ook een opmerking van persoonlijke aard zijn. Het is niet verkeerd, dat er in de kerkeraadskamer eens gesproken wordt over datgene, waardoor men voor zijn persoonlijk leven getroffen is. Zo kan het ook met de predikant zelf zijn. Hij kan in de kring der broeders er ook van spreken, wat hem uit het gepredikte woord getroffen heeft.

Kortom: bedenkt wat een dienaar des Woords te doen heeft en sta hem daarin bij voor de dienst. Omringt hem met broederlijke hartelijkheid en laat voelen dat zijn zaak de uwe als kerkeraadsleden is. Laat hij zich gesterkt mogen weten door hartelijk medeleven en laat dat uit mogen komen in datgene wat u wél, en in wat u niét zegt voor en na de dienst. Weest zuinig op uw woorden kiest ze met zorg. Het is ook hier de liefde die de weg doet vinden — de liefde voor de Heere en Zijn werk!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.