+ Meer informatie

NEVEN-KERKDIENSTEN

10 minuten leestijd

Laat ik beginnen met een drietal ervaringen.

1. Natuurlijk verveelde ook ik mij - evenals bijna elk kind - vroeger tijdens de lange kerkdiensten. Ondanks de twee pepermuntjes die ik van mijn moeder meekreeg en die ik zo precies mogelijk over de dienst verdeelde. In de kerk aan de Floresstraat te Haarlem hing aan één der achterwanden een klok. De gemeente zat er met de rug naar toe, dus alleen de dominee en de kerkeraad plus de predikantsfamilie in de dwarsbanken konden zien hoe laat het was. Als de pepermuntjes niet te hard waren, brak ik die in vier partjes. Dat waren dan vier parties vóór de tussenzang en vier voor erna. Maar een keer wáren er geen pepermuntjes, en wat duurde de dienst toen lang!

2. Later, toen ik zelf een opgroeiend kind had, preekte een collega die de kinderen apart aansprak. Hij waarschuwde hen ernstig voor de dood en drong erop aan veel te bidden om een nieuw hartje. Hij vertelde er ook nog een verhaaltje bij. Toen mijn vrouw na thuiskomst vroeg: vond je dat niet erg mooi?, kreeg zij ten antwoord: La-ten ze alsjeblieft gewoon doen”!

3. Regelmatig kreeg ik gedurende mijn preek-jaren de vermaning te horen: „Zul je ook om de kinderen denken”?

Deze drie ervaringen hebben mij er altijd voor behoed om me te verbeeiden dat ik wel even in Staat was om voor kinderen te preken. Veel anderen konden dit beterdan ik, hoezeer ik ook begreep dat dit héél belangrijk was.

Eén troost: ik zal niet de enige zijn.

Maar hoe lossen we dit vraagstuk op? Hoe kunnen, behalve bij in dit opzicht bijzonder begaafde predikanten, bij de „gewone” dominees de kinderen in de kerkdienst aan hun trekken komen? En in veel plaatsen zoekt men de oplossing in de neven-kerkdienst.Dus: de kinderen verlaten tijdens de dienst, vóór de preek, de kerk en komen samen in een bijlokaal, waar hun een verhaal uit de Bijbel wordt verteld door jemand die dat goed kan. De arme dominee is dan niet belast met een taak die hij toch niet aankan, en de kinderen gaan toch - misschien wel: graag - mee naar de kerk. Aan het eind van de dienst vinden ouders en kinderen elkaar wel weer terug bij de uitgang. Ze zijn beiden in de kerk geweest!

Is dit een echte oplossing?

Er blijven natuurlijk bedenkingen. Als daar zijn: de kinderen behoren bij de gemeente; het gevaar van ontwenning aan de gewone dienst is groot; ze zullen na enige jaren er des te meer moeite mee hebben zieh thuis te voelen bij de ouderen; thuis kan er met de kinderen niet worden nagepraat over de preek van de dominee, want die hebben ze niet gehoord; het is zo erg niet als kinderen niet veel van de preek begrijpen, want ze nemen er altijd wel iets van mee; het gevaar van een para-parochie is groot: een dienst voor speciale mensen, zoals voor doven, Studenten, randkerkelijken, een soort „apartheid” dus. En de dominee moet maar eens goed zijn best doen! Dat behoedt de man voor eenzijdigheid en gemakzucht.

Tegen deze bedenkingen is dan weer wel wat in te brengen. Maar laat ik liever proberen de dingen prineipieel op een rijtje te zetten. Het gaat hierbij om drie zaken: de kerk, de kerkdienst en de kinderen.

Wat de kerk is, weten we. Zij is een gemeente, een gemeenschap van mensen die door de Here geroepen worden om Hern te kennen, naar Zijn Woord te leven en elkander om Zijnentwil met al hun gaven te dienen. De kerk is een lichaam waarin we gezet zijn en waaruit we niet zonder pijn kunnen worden verwijderd. Tot die kerk behoren totaal verschillende mensen. Zij is „katholiek”, d.w.z. zij wordt bijeengebracht uit allerlei na-tiën, tongen en geslachten, uit rijken en armen, gehandicapten naar lichaam en geest èn uit sterk-begaafden, uit conservatieven en progressieven, en uit ouderen en jongeren, kinderen. De directeur en zijn secretaresse, de onderwijzer en zijn leerling, de student en zijn hospita kunnen tot die gemeente behoren. Zij hebben elkaar als zodanig niet uitgezocht, zij ontvingen elkaar als gave en opgave uit Gods hand. Nooit mag het anders-zijn dan de ander een reden zijn om zieh te distantiëren. Allen moeten leven van de genade van God in Jezus Christus, allen behoeven de Heilige Geest om niet te verdwalen. Allen hebben gelijke „rechten” op de sacramenten indien zij geloven. Allen hebben recht op elkaar. Nooit mag de één tegen de ander zeggen: „Ik heb u niet no-dig”, en nooit mag iemand denken: „ik moet aan mijn trekken komen, méér dan de ander”. Ik meen dat dit heel erg moeilijk is om waar te maken, maar overigens onont-koombaar-duidelijk.

Wat de kerkdienst is, weten we ook. Dat is de samenkomst van die gemeente, onder lei-ding van de kerkeraad (die in dit samenroepen en leiden Gods roeping vertolkt), om samen Gods aangezicht te zoeken en Zijn Woord te horen. Dus: om elkaar te ontmoeten en met elkaar God te ontmoeten. Om gezamenlijk bediend te worden door de verkon-diging van het Evangelie. In de kerkdienst is er geen spreker met zijn fans, geen theo-loog met mensen die hem liggen, maar die gemeente die een stuk van haar gemeente-zijn beleeft, zieh vertonend, biddend, ontvangend; aan, voor en met elkaar. Dus: die mensen worden bediend om elkaar te bedienen, opdat zo de gemeente mag functione-ren. Daartoe moeten zij elkaars noden en vreugden zien en kennen om zo elkaar tot dienst te kunnen zijn.

En nu de kinderen. Wat de kerk betreft, is nun positie duidetijk. Zij behoren erbij. Dat is bij hun doop heel duidelijk gezegd. Daar is voor gedankt. De anderen zijn er dus ook voor de kinderen. Ook „kleinen” mogen niet verloren gaan, zegt onze Heiland. Die kinderen moeten dus „aan hun trekken” komen. Onze aandacht voor elkaar moet ook hen omvatten. We hebben, willen we echt gemeente zijn, hen te aanvaarden (dat is niet: toelaten, maar: aeeepteren en verzorgen), met hun eigen aard, en met hun eigen-aardigheden. Dat zij mogen komen tot geloven en belijden, dat zij heel eenvoudig de Here Jezus lief krijgen, dat zij ook de gemeente leren lief krijgen, dat zij niet afdwalen, het is allemaal een zorg van heel de gemeente. Want ze horen erbij.

De vraag waarvoor we in dit artikel zijn gesteld, is: „Functioneert de kerk in haar kerkdienst wel optimaal ten aanzien van de kinderen?” En verder: „Kunnen de kinderen in onze kerkdiensten werkelijk funetioneren als leden der gemeente?”

Deze vragen zijn gemakkelijker te stellen dan te beantwoorden. Want antwoorden moeten ook aangeven hoe het eventueel anders zou kunnen. Laat ik het eens proberen.

De kerk en de kinderen: voelen de kinderen zieh erbij behoren? Het zal natuurlijk een groot verschil maken hoe de gemeente is samengesteld. Zijn de meeste leden ook familie van elkaar, of ontmoeten zij elkaar uitsluitend rondom de zondagse diensten? In het laatste geval weet men soms heel weinig van elkaars leven af, en ook van dat van de kinderen. Er moet dan veel opzettelijker op elkaar gelet worden. Ook op de kinderen! Hun lief en leed, in hun eigen leven, op school, in hun clubs, in hun vrije-tijd-besteding, moet de moeite van het kennisnemen waard zijn. Niets is funester dan kinderen het ge-voel te geven dat hun vreugden en moeiten niet zo belangrijk zijn. Wat weet de predi-kant van de kinderen die nog niet op catechisatie zijn? Hij is ook hun pastor!

Als b.v. een kind er vreselijk tegenop ziet om ’s morgens naar school te gaan, omdat het niet geheel past in de klas en moeite heeft met de communicatie, is dat geen kleinig-heid. Wat doet de gemeente, al is het door slechts één oudere? En als een kind er niet voor uit durft te komen dat het ’s zondags naar de kerk gaat? Als een kind niet begrijpt waarom de Here moeder niet van haar ziekte bevrijdt? Als niemand de moeite neemt om met je te bidden als je niet helemaal mee kunt? Bidt de dominee wel voordie „ge-wone” kinderzorgen? En is de verhouding zo dat kinderen met gemeenteleden vrijuit over de Here Jezus durven praten? En over hun zonden?

De kerkdienst en de kinderen: een kind kan er goed tegen dat het niet alles begrijpt en dat het nog veel moet leren. Maar weet het wat de emeriti-kas eigenlijk is, en de Theologische Hogeschool, waarvoor het iets in de collecte doet? Waarom is de taal van de psalmen zo helemaal grotemensentaal en is de preek zo helemaal op grote mensen inge-steld? Waarom klinken de woorden in het gebed zo ongewoon? Kunnen ze, als de kerk uitgaat, niet slechts veel of weinig van de preek navertellen, maar ook zeggen wat de Here tegen hen gezegd heeft? Ze mogen thuis vader en moeder nadere uitleg vragen, maar waarom zegt de dominee het dan eerst zo onbegrijpelijk? Is met name het avond-maal niet een gebeurtenis waarbij heel uitdrukkelijk blijkt dat zij, de kinderen, er toch echt nog niet helemaal bijhoren? En je moet maar stilzitten! (Eerlijk, deze vragen stel ik ook mijzelf, en ik vind ze maar heel pijnlijk).

En de andere vraag: Kunnen de kinderen functioneren in de kerkdienst? „Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij U lof bereid”. Hoe komt dat uit als hun stemme-tje verloren gaat in het grote geheel? Mogen zij ook eens een psalm opgeven, opdat de gemeente die zingt? Zij moeten zo vaak stil zijn en luisteren naar grote-mensen-preken, die ze niet helemaal begrijpen, zouden de ouderen ook stil zitten en luisteren als, niet bij hoge uitzondering, maar vrij regelmatig een kinderpreek werd gehouden waarvan zij, die ouderen, de inhoud al lang kennen?

Ik heb verschillende keren mogen voorgaan in een z.g. aangepaste dienst, d.w.z. een dienst met geestelijk-gehandicapten. Het kerkbezoek is dan vaak beter dan anders. Door de „normale” broeders en zusters wordt dan welwillend geluisterd. Maar zo iets moet je niet al te vaak doen, want dan is de aardigheid eraf en moeten de eigen diensten „er niet onder lijden”! Als er b.v. op de christelijke feestdagen ook een dienst voor buitenkerkelijken wordt geprogrammeerd, heb ik er vaak voor gepleit dat deze op de beste tijd, dat is, op eerste kerstdagmorgen, op de eerste paasmorgen wordt gehouden. Maar het viel niet mee: de buitenkerkelijken konden de middagdienst, of de morgendienst op de tweede dag krijgen. Dus: eerst wij zelf, en dan de anderen. Stel je voor: het kerstfeest van de zondagsschool op de eerste kerstdagmorgen, met de hele gemeente om de kinderen heen!

Eerst wij, en dan zij. Want „al die nieuwigheden”!

Zo keren de vragen over de neven-kerkdiensten naar ons zelf terug. Zijn wij, volwassen kerkleden, wel in Staat om deze vragen zelfs maar voor een klein begin áán te kunnen? En zo lang wij hier niet uit zijn, en als kerkleden noch de bereidheid noch het vermogen hebben om in de praktijk van onze kerkdiensten waar te maken wat we belijden nl. dat de kinderen helemaal tot de gemeente behoren en er een legitieme plaats hebben, lijkt het me toe dat de noodoplossing van de neven-kerkdienst (want een nood-oplossing blijft het) toch wel kan worden aanvaard. Niet vanwege de kinderen, maar vanwege onszelf. En ik zeg hierbij uitdrukkelijk: de dominees incluis!

En laat dan zoveel mogelijk de gang van zaken in de neven-kerkdienst een plaats krijgen in de gewone dienst. Laat er gebeden worden om zegen over wat daar wordt ver-teld. Laat worden afgekondigd wat daar wordt behandeld. Laat aan het slot van de dienst, als de kinderen terug zijn, gezongen worden de psalm die de kinderen zo juist hebben geleerd. Dan zijn we er nog niet, maar we doen althans iets.

Dit is een vreemd artikel geworden. Toen de redactie mij vroeg om over de neven-kerkdiensten iets te schrijven, wist ik een hele tijd niet wat ik daarover nu zeggen moest. Ik heb geen pasklare oplossingen gegeven, maar veel meer vragen gesteld.

Maar vragen stellen aan elkaar, dat is toch ook een stukje „ambtelijk contact”?

Mag het, redactie?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.