+ Meer informatie

Kiesrecht voor de vrouw in de kerk?

6 minuten leestijd

9

Wereldgelijkvormig?

De klacht over de toenemende wereldgelijkgelijkvormigheid wordt in onze tijd veel gehoord. Geen wonder. Er is wel reden voor. De geest van deze wereld dringt steeds verder op over het erf van de kerk. Trouwens hoe wordt dit bevorderd door de veldwinnende gedachte, dat het spreken over de tegenstelling tussen kerk en wereld uit de tijd is. Soms lijkt het wel, alsof de kerk eerst de wereld vragen moet hoe of zij de boodschap van Gods Woord in deze tijd moet brengen. Een galante benadering van de wereld is in trek.

Nu is het ook ongetwijfeld waar, dat deze klacht soms ook al te gemakkelijk wordt uitgesproken. De Heere zoekt ten deze waarheid en bedachtzaamheid.

U zult zeggen: wat heeft het vrouwenkiesrecht te maken met wereldgelijkvormigheid? Wij zouden het verband tussen die twee dingen natuurlijk wel kunnen stellen. Een voorstander van het vrouwenkiesrecht, die vóór dit recht is omdat de positie van de vrouw in de wereld nu eenmaal geheel anders is geworden zonder te letten op wat Gods Woord zegt, openbaart een zekere wereldgelijkvormigheid. Waarmee uiteraard niet gezegd wordt dat iedere voorstander zo is.

Echter de beschuldiging van wereldgelijkvormigheid komt vanuit Amsterdam! Duidelijk kunt u aan het einde van de toelichting deze beschuldiging lezen. In feite komt het hier op neer, dat ieder die vanuit het recht van de vrouw om te kiezen redeneert tot het recht van de vrouw om gekozen te worden, en bijzonder het ambt van predikant, ouderling of diaken, zo wereld gelijkvormig is. Nu zal wel bedoeld zijn, dat het mes hier naar twee zijden moet snijden. Zowel tegen hen, die met het eerste trachten naar het tweede, als tegen hen, die vrezen dat het recht om te kiezen een zekere stap is naar het recht om gekozen te worden. Hoe waar het laatste is, is duidelijk gebleken op de Generale Synode, waar de instruktie van Amsterdam besproken is. Daar werd de vrees uitgesproken door enkele afgevaardigden, dat de verklaring van de schriftgegevenszoals in de toelichting - evenzeer kan dienen voor het toekennen van het kiesrecht („aktief”) voor de vrouw als voor het toelaten van de vrouw tot het bijzondere ambt. En wat was de beschuldiging?

Dat het betrekken van de vraag naar de toelating van de vrouw in het ambt bij deze zaak verwereldlijking betekende! Niemand zal het me dus kwalijk nemen, als ik het zo stel: die bij de zaak van het kiesrecht spreken over een stap naar de vrouw in het ambt zijn der wereld gelijkvormig, volgens Amsterdam.

’t Spijt me, maar men heeft toch in deze toelichting blijk gegeven van een wonderlijke gedachte over de wereldgelijkvormigheid. Voelt men soms, dat in de gehele bewijsvoering gevaren schuilen en wil men deze aan het einde bezweren? Het lijkt er wel op. Het doet trouwens zeer eigenaardig aan dat men van meerdere zijden zegt: wij zijn wèl voor het kiesrecht van de vrouw, maar wij verbieden u om daaruit te halen, dat we ook voor de vrouw in het ambt zijn. Het zou van verdachtmaking getuigen en van een onbroederlijke houding, als dit wel gebeurde.

Dit verbod zegt mij niets. Het zou van verdachtmaking getuigen, als we iets schreven dat niet gezegd is. En er zou van onbroederlijkheid gesproken kunnen worden, als het ging om bestrijding van personen. Het gaat hier om de zaak. En dan willen we ronduit hier schrijven, dat de vrees voor het volgende station - namelijk de vrouw in het ambt - in de toelichting zelf gegrond is. Is het dan niet naar Gods Woord om te waarschuwen voor de mogelijkheid van de volgende stap? Het zou wereldgelijkvormig zijn als we rustig in zouden dommelen, de gevaren niet onderkennen en alles zonder meer door laten gaan.

Is het dan niet mogelijk om voor het kiesrecht van de vrouw in de kerk te zijn zonder haar in het ambt te willen stellen? Natuurlijk. Er zijn er in het verleden geweest, die de verkiezing in de lijn van het adviseren zagen en geen bezwaar hadden tegen de medewerking van de vrouwelijke leden aan de verkiezing van ambtsdragers. Zij zullen er nog wel zijn. Zij erkennen echter de scheppingsordinantie in dit opzicht en verklaren de betreffende schriftgedeelten, die we in deze artikelen meerdere malen hebben aangehaald, als afwijzend de regering van de vrouw in de kerk. Echter in de toelichting zelf ligt onze vrees gegrond, dat hier geen halt zal zijn, maar dat de vraag naar vrouwelijke ambtsdragers op de kerkelijke vergadering ook op ons erf niet ver weg is. De wijze waarop het kiesrecht voor de vrouw verdedigd wordt roept vanzelf deze vrees op.

In de eerste plaats: de wijze waarop de schriftplaatsen als 1 Cor. 14:34, 35 en 1 Tim. 2:11 en 12 verklaard worden als niet geldend tegen het kiesrecht voor de vrouw - geheel in de lijn van nieuwere exegesen - moet haast wel meebrengen, dat dezelfde teksten ook geheel ongeschikt zijn als bewijsplaatsen tegen de vrouw in het ambt. Immers in beide gevallen zijn niet de omstandigheden van die tijd beslissend, maar de verwijzing naar de scheppingsordinantie. Wanneer dit eenmaal ontkend is, dan kunnen we ook rustig uit de daar genoemde omstandigheden konkluderen: het gaat hier niet over het ambtelijk spreken van de vrouw. Zoals de meeste exegeten vandaag gedaan hebben.

In de tweede plaats: juist het redeneren vanuit het algemeen ambt der gelovigen doet deze vrees nog meer spreken. Wie iets weet van de gedachten in onze tijd over het bijzondere ambt, kan hier alleen maar huiveren. Het onderscheid tussen het ambt der gelovigen en het bijzondere ambt komt toch uit Christus op en is geen gespecialiseerde tak van het algemene ambt.

In de derde plaats: we missen hier het positie kiezen tegen de vrouw in het ambt. Wie een en ander leest uit de strijd in de Gereformeerde Kerken in de jaren 1917-1918, wordt erdoor getroffen hoe kr qchtig de voorstanders van het vrouwenkiesrecht de schriftuurlijke gronden tegen de vrouw in het ambt lieten gelden. En de vraag komt op, waarom dit in de Amsterdamse toelichting niet gedaan is. Er wordt alleen gezegd: alleen Christus Zelf, Die uit de schare der gelovigen sommigen wil bekleden met het bijzondere ambt, heeft het recht te bepalen wie Hij daarmee bekleden wil”. Er klinkt hier geen duidelijk neen!

Het is daarom, dat de beschuldiging van wereldgelijkvormigheid in genoemde toelichting, mede aan het adres van allen, die in deze weg geen halt vrezen, ons zeer vreemd voorkomt. We willen hem zelfs hartgrondig verwerpen.

De wereldgelijkvormigheid is allereerst een zaak van ons hart. Daarom zal niemand daarin onschuldig uitkomen voor het aangezicht des Heeren. En wij voor ons zouden het alleen maar wensen, dat wij allereerst de listen van het wereldgelijkvormig bestaan van onszelf onderkennen mogen. De besmetting van de geest van deze tijd te haten en te vlieden, dat is overal nodig, waar wij ook wonen in kerkelijk Nederland. En dan is het mijn vaste overtuiging dat we tegen een andere wereldgelijkvormigheid strijden dan deze toelichting doet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.