+ Meer informatie

ANGST?… WAARVOOR?

8 minuten leestijd

De titel heeft bewust iets dubbels in zich. Waarop richt zich de angst? Is ze terecht? En is zij te ouerwinnen? Het gaat ook ouer het gevoel van onveiligheid in de grote steden.

DE MODERNE STAD

De gedachte lijkt te leven dat de stedeling met schichtige blik over straat gaat en achter iedere boom een boosdoener verwacht die het op zijn leven gemunt heeft. De praktijk is, dat mensen zich zonder enige schroom door de stad bewegen. Nu geven ouderen nog wel eens te kennen ’s avonds liever niet de straat op te gaan. Maar méér dan angst speelt de ergernis een rol over de — vooral kleine - crimineel, die niet van tasjes af kan blijven omdat hij een shot nodig heeft. Niet direct angst dus. De vraag is bovendien of diezelfde oudere in de avond wel bij het Uddelermeer veilig zou zijn. En of het vroeger wel allemaal anders, c.q. beter was. Ik waag de stelling dat je beter heden ten dage ‘s avonds de stad in kunt gaan dan enkele eeuwen geleden: tot zeker vóór in de twintigste eeuw was het niet fatsoenlijk een vrouw in de avonduren alleen over straat te laten gaan. Ze was er immers bepaald niet veilig. En over veiligheid gesproken: wie een aantal recente geruchtmakende zaken bekijkt, zal voorzichtig worden op het Groningse of Overijsselse platteland. In de grote stad weet je bijna zeker, dat slachtoffers van moordpartijen zelf hun neus in zaken hebben gestoken waarvan ze konden weten er beter weg te kunnen blijven. Kortom: enige nuchterheid t.a.v. de verhouding tussen de stad en de buitengewesten, het heden en verleden, kan geen kwaad.

HOE STAAN DE KANSEN?

Zo zijn we inmiddels aan het thema ‘kansberekening’ toegekomen. Hoe groot is de kans, dat mij wel of niet iets ernstigs overkomt? En ook…is deze vraag misschien taboe als het gaat om ‘gelovig’ omgaan met angst? Ik zou niet bij voorbaat nee willen zeggen, maar wel onderscheid willen maken. Enerzijds hebben we met risicofactoren rekening te houden. Anderzijds lijkt het soms opdracht zich niet aan kansberekening over te geven. In dit verband twee voorbeelden:

a. Wie op reis moet en voor zijn tocht de keus heeft tussen een gevaarlijke en een veilige route, doet zijn keus op basis van kansberekening. En het is een goed besef van verantwoordelijkheid om dat wél mee te laten tellen. We zullen ons immers niet nodeloos in gevaar begeven (Zondag 40 over het 6e gebod)?

b. Een heel ander voorbeeld: in Wereldoorlog II namen mensen soms geweldige risico’s door te handelen tegen de bevelen van de Duitsers in, met het verbergen van Joden, stelen van bonkaarten e.d. Ze legden daarbij soms een onvoorstelbare gemoedsrust aan de dag en leken geen angst te kennen. Aan kansberekening werd geen moment gedacht. De verklaring lag in hun stellige overtuiging dat ze dat móesten doen; dat ze daarmee op de weg gingen die de Here hun wees. Die God was dan ook verantwoordelijk voor het wel en wee van henzelf en hun gezinnen. Aan Hem lieten ze dat dan met een gerust hart ook over.

KUN JE EROP AAN?

De laatste opmerking plaatst ons voor de vraag: waarop mag je wel of niet rekenen? Dat is eigenlijk de meest wezenlijke vraag, maar het komt mij voor, dat hierover nu juist nogal wat onzekerheid bestaat. Deze wordt gevoed door een soms slecht lezen van de Schriften.

Met de beste bedoelingen worden mensen vaak grootgebracht met een versimpeling: de Here God hoort altijd. Hij waakt over zijn kinderen. Voorbeelden te over in de bijbel. Geliefd is het voorbeeld van Elia, die in een tijd van hongersnood op wonderbaarlijke wijze gevoed wordt door de raven en vervolgens bij de weduwe van Sarfath. En te gemakkelijk wordt dit dan verwerkt tot een algemeen voorbeeld: voor geen ramp die anderen treft, hoef je als gelovige bang te zijn. Intussen wordt vergeten, dat het niet om de gelovige Elia gaat, maar om de profeet Elia als drager van het Woord van God. Voorbijgegaan wordt aan de zevenduizend andere getrouwen, die kennelijk wél honger hadden en waarvan er waarschijnlijk ook wel gestorven zijn. Zo wordt het beeld geschapen van een God die feitelijk klaar staat, ofwel klaar dient te staan om zijn gelovigen — uiteraard op het gebed, maar toch… — naar hun wensen te bedienen.

Eveneens is te denken aan woorden uit Matt. 7 en Luc. 11 als: ‘bidt en u zal gegeven worden, klopt en u zal open gedaan worden’. Marc. 12 is hier ook bij te betrekken. Losgemaakt uit hun verband lijken deze woorden het geschetste godsbeeld stevig te bevestigen. In werkelijkheid hebben ze in het bijzonder betrekking op de gave van de Geest en niet zomaar op al datgene wat zoal gebeden kan worden.

Als dit niet echt verwerkt wordt, kunnen de grootste problemen ontstaan. In de loop van het leven blijkt immers God anders te zijn en anders te handelen. En dan komen de vragen:

Waarom overkomt míj dit? Ik ben toch gelovig, kom toch regelmatig in de kerk en ik heb toch zoveel gebeden in deze situatie. Op z’n best leidt dit tot grote onzekerheid over de eigen relatie met God. Op z’n slechtst wordt het twijfel aan de betrouwbaarheid van God zelf of van het bijbels getuigenis over God. Praktisch altijd loopt het uit op onverschilligheid in diverse gradaties en heel vaak op een volledig vertrek uit de kerk en de wereld van het geloof.

In elk geval ontbreekt het aan de vastheid die ons gegund wordt en loert de angst om wat ons nog meer kan overkomen.

WAT IS ‘GELOVIG’?

Wat houdt geloof in als het gaat om onze verwachtingen in het leven? Ik zou hier vooral willen wijzen op de relatie met God als de God en Vader van Jezus Christus, de gekruisigde.

De retorische vraag uit Rom. 8: ‘Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’ vraagt om een gelovig antwoord, dat alleen maar ‘ja’ kan inhouden. Maar daar moet je dan wel heengroeien. Geloofsopvoeding is dan heel belangrijk. Die bestaat niet alleen uit woorden, maar ook en vooral uit geloof dat vóórgeleefd wordt — allereerst door de ouders, maar ook door de medeleden van de gemeente. Zij dienen ditzelfde vertrouwen uit te stralen. Zo niet, dan zijn woorden nagenoeg zinloos en zelfs contraproductief. Dit laat onverlet, dat God zijn eigen gang wil gaan met zijn Woord ook in jonge levens.

Is de bedoelde vraag — misschien met de nodige aarzeling — toch positief beantwoord, dan is er ook ruimte om wat weerbarstige woorden uit de Schrift toe te laten. Ik denk aan bijvoorbeeld Hebr. 12. De gang van Jezus naar de overwinning moest er een zijn via de weg van het kruis, de diepte. Hoewel zijn gang uniek was, staat dit toch ook model voor het leven van de gelovige. Zó is Jezus immers Leidsman en Voleinder des geloofs. Dan kunnen dingen die wel smart lijken te brengen en geen vreugde, óók opgepakt worden als tuchtiging, die na oefening de vreedzame vrucht van gerechtigheid voortbrengt. Dat zijn weliswaar zaken waarvan de bijbelschrijver in alle nuchterheid meldt, dat we er niet op zitten te wachten, maar ze horen er wél bij, bij het leven van Gods kinderen nota bene!

Ik denk ook aan de opdracht door Jezus gegeven (Matt. 16) om ons kruis op ons te nemen en Hem te volgen. Dat gaat niet over iets dat ons overkomt, maar over iets dat we ondanks de moeite die het meebrengt, bewust kiezen in de navolging van Jezus. Graag vraag ik ook aandacht voor Jac. 1, waar het gaat over verzoekingen en beproevingen. Het feit dat deze twee Nederlandse woorden weergave zijn van één Grieks woord geeft al iets aan van de complexiteit in de praktijk van het leven. Achter die ene gebeurtenis, die soms als een onweersslag ons leven lijkt te beheersen en te veranderen, zit een satanische macht, waardoor ik dreig te struikelen en het geloof te verliezen, maar ook de macht en liefde van God zelf, die mij in mijn geloof op een hoger plan wil brengen en daartoe ook de beproevingen gebruikt. We worden nota bene opgeroepen daarin vreugde te hebben. Dat is iets anders dan in alle pijnlijke gebeurtenissen een reden te vinden om God vaarwel te zeggen.

Wie zich realiseert dat het kruis er moest zijn om onze zonde, wordt al heel terughoudend in het vaststellen van wat onder Gods leiding in onze leven wel of niet zou mogen gebeuren. Wie begint met het begin van Rom. 8 zal zich willen te binnen brengen dat daar ook iets gezegd wordt over ‘niet weten wat wij bidden zullen naar behoren’ en over God ‘die alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die Hem liefhebben’. We komen juist dan dingen tegen die we niet begrijpen. Je komt er niet uit met eindeloos zoeken naar de zin ervan. De eerste winst is dat we dan weer leren aanbidden. Gods rechtvaardigheid en liefde staan toch wel vast. Dát heeft Hij in zijn grote gave aan ons — zijn Zoon- overduidelijk laten zien. Alleen zo is de angst voor wat was en mogelijk komt, te overwinnen.

Ds. J. Manni (1940) is emerituspredikant van Rotterdam-Centrum

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.