+ Meer informatie

Flitsen uit een bijbellezing

6 minuten leestijd

3.

Ezechiël 3: 16-27 en hoofdstuk 4.

Ezechiël ontvangt een Goddelijke opdracht voor zijn prediking, voor zijn tekening en voor zijn vernedering.

Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls, zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Dat is de aanhef van de lastbrief. Hij moet niet zijn eigen woord spreken. Het gaat alles en alleen van de Heere uit. De prediker is alleen maar boodschapper.

Het adres waar de boodschap bezorgd moet worden, wordt tevens vermeld. Hij wordt tot tweeërlei soort mensen gezonden, totgoddelozen en rechtvaardigen. De goddelozen worden eerst genoemd. Dat zijn mensen, die in de wereld leven, zonder God en zonder godsdienst, en dat zijn mensen in de kerk met een eigenwillige godsdienst, die zorgeloos voortleven, alle godsdienstplichten waarnemen zonder hartvernieuwende genade. Die moet hij waarschuwen in prediking en persoonlijk gesprek, met het doel hen in het leven te behouden. Nodigend met de lokstem van het Evangelie, aanhoudend, dringend, met priesterlijke bewogenheid, zodat het merkbaar is, het gaat die prediker ter harte, alsof het in zijn macht is hen te brengen op het rechte pad. Want hij wordt er verantwoordelijk voor gesteld. Het zal van zijn hand geëist worden. Dat is ambtelijke opdracht voor een leraar, voor een ouderling, voor het ambt der gelovigen, niemand ontkomt hieraan. Wordt de goddeloze aldus vermaand, en hoort hij niet, komt hij niet tot bekering, dan ligt dat voor zijn rekening, het zal zijn oordeel verzwaren, maar gij hebt uw ziel bevrijd.

Maar ook de rechtvaardigen moeten vermaand. Wie zijn dat, die rechtvaardigen? God alleen kent het hart, daar kan Ezechiël niet over oordelen, dat wordt ook niet van hem gevraagd. Hij moet letten op de stand van hun leven, waar het in de vruchten naar buiten openbaar komt, die moeten vermaand tot dagelijkse zelfbeproeving, tot een volhardend gebedsleven, tot een aanklevend geloofsleven achter de Heere, in zelfverfoeiing en zelfverloochening om alzo het beeld van Christus al meer gelijkvormig te worden. Alsook rechtvaardigen, die op hun gerechtigheid vertrouwen, die misschien wel hun bekering vertellen, zoveel jaren geleden. Die leven uit een wettisch beginsel, maar hun levensopenbaring laat wel wat te wensen over. Paulus zegt: ik ben in twijfel over u. Die moeten vermaand, opdat zij hun gerechtigheid alleen in Christus zullen zoeken, en in de praktijk van het leven zonde hatende en heiligheid beminnende mensen zullen zijn.

De profeet zal op tegenstand stuiten, want ze zijn een wederspannig huis. Daarom moet hij zich tijdelijk van hen onttrekken. De Heere zal hem een zwijgende mond geven. Toch zal het onderwijs doorgaan, is het niet hoorbaar, dan zichtbaar. Ze krijgen aanschouwelijk onderwijs. De profeet moet een tekening gaan maken van de stad Jeruzalem. Dat wordt interessant voor de toeschouwers. Ze kennende stad waar hun hart naar uitgaat en waar ze spoedig weer hopen terug te keren. Maar wat heeft dit alles nu te betekenen?Als de stad met straten en tempel op de tichelsteen is ontworpen, wordt rondom de stad een belegering getekend.

Voorts moest de profeet een ijzeren pan nemen en die stellen als een ijzeren muur tussen hem en die getekende stad. Zo wordt het naderend oordeel over Jeruzalem voorgesteld. In deze voorstelling is de profeet Gods vertegenwoordiger. God zal Zijn aangezicht voor dat volk verbergen. De toegang is door die ijzeren muur afgesloten. Hij zal tot hen niet meer spreken van boven het verzoendeksel. De gehele offerdienst zal een einde nemen. God had er geen welgevallen meer aan. Door op de prediking van het Evangelie vanuit de offerande van Christus geen recht gebruik te maken, kon geen hoop verkregen worden op de eeuwige heerlijkheid, voorgesteld in de offermaaltijd van het spijsoffer. Door in de onbekeerlijkheid des harten voort te gaan, neemt God op Zijn tijd de genademiddelen weg. Het zij ons tot waarschuwing.

Het aanschouwelijk onderwijs gaat voort. De profeet komt wel in een weg van diepe vernedering. Hij moet nederliggen op zijn linkerzijde 390 dagen. Een dag voor elk jaar, dat het tienstammenrijk in de afgodendienst geleefd had. Het moet het volk duidelijk worden wat de oorzaak is, dat het oordeel over Jeruzalem en over het gehele land zal voltrokken worden. Allereerst wijst dit op de lankmoedigheid Gods. Al die jaren heeft Hij hen verdragen. Als dit voleindigd is, moet hij andermaal nederliggen op zijn rechterzijde voor het huis van Juda, veertig dagen, het getal der volkomenheid. De maat der ongerechtigheid was vol geworden.

In gehoorzaamheid onderwerpt de profeet zich aan deze Goddelijke opdracht. Dit is voor hem een lijdensweg geweest, maar vruchtbaar voor zijn geestelijk leven. Hij wordt één met de schuld van het volk, aanvaardt de straf. Het wijst heen op Hem, Die de schuld Zijns volks op Zich geladen heeft, en de straf gedragen.

Wij spreken over de toenemende ongerechtigheid, over het verval van de kerk. Wie komt op de plaats van Ezechiël, van Daniël, van Ezra? Spreekt er niet meer over, maar gaat er onder gebukt, eigent de schuld, en aanvaardt de straf.

Het brood en het water in de dagen dat hij nederliggen zal, wordt hem met schaarsheid toegemeten en gewogen, voorstellende de hongersnood, die over de belegerde stad zal komen. Zij zullen het met verbaasdheid en met kommer eten en drinken. En dat brood moest in onreinheid worden gebakken. Zo is er altijd verband in de zonden, die bedreven zijn, en de straf, die er op volgt. Dat volk stond op alle reinigingsvoorschriften, maar diende de drekgoden. Hun uiterlijk vertoon scheen in de puntjes te zijn, maar hun godsdienst was walgelijk, en nu zullen zij hun brood met walging moeten eten. Dit alles moet de profeet voorbeeldig doormaken. Gods kind ontkomt niet aan het oordeel, zij zijn mede schuldig, al hebben zij die genoemde zonden met de daad niet bedreven. Maar als de schuldbrief wordt ondertekend, Gods oogmerk verstaan, en Zijn kastijdende liefde hen brengt in de vernedering en verootmoediging des harten, worden zij in staat gesteld vruchtbaar en volhardend te wandelen in de weg van heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal, met de belofte: Hij zal hen nimmer om doen komen in dure tijd en hongersnood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.