+ Meer informatie

Te vroeg of te laat?

17 minuten leestijd

De seksualiteit in het gesprek rond de aanvraag voor de kerkelijke bevestiging van het huwelijk

De redactie vroeg mij een artikel te schrijven over de vraag hoe ik de seksualiteit ter sprake breng in het gesprek rond de aanvraag voor de kerkelijke bevestiging van het huwelijk. Met enige aarzeling voldoe ik aan dat verzoek - aarzeling, omdat ik niet in staat ben een handzame en afgeronde visie te bieden. Als titel heb ik gekozen: te vroeg of te laat? Daarmee zinspeel ik min of meer op de bekende vraag: wanneer spreken we als ouders/opvoeders met opgroeiende kinderen over seksualiteit? Doen we dat op tijd, of zijn we te vroeg dan wel te laat? Alleen heb ik het adres van de vraag gewijzigd; ik stel hem met het oog op de kerk: spreken we als kerk wel tijdig over de seksualiteit en de vragen eromheen? Tijdig - dat wil zeggen: beginnen we ermee bij de jongeren? Tijdig - dat wil ook zeggen: durven we het aan te snijden in onze pastorale gesprekken - ook bij huwelijksproblemen? Het zou me niet verbazen als het - ondanks alle „openheid” rond deze vragen vandaag - er niet zelden op neerkomt dat we vanuit de kerk deze dingen te laat of zelfs in het geheel niet aan de orde stellen. Maar wat is dan het juiste tijdstip en hoe moet de seksualiteit dan ter sprake komen? Op die vraag loopt dit artikel uit. Daarbij ga ik uit van de wenselijkheid dat er over deze dingen binnen de ruimte van de kerk wordt gesproken.

Ik plaats de vraag van de redactie in dit bredere kader om mijzelf de mogelijkheid te verschaffen duidelijk te maken waar het mij om gaat in de gesprekken die ik met a.s. echtparen over de seksualiteit en de vragen eromheen voer.

(1) Een ongepaste vraag?

De vraag van de redactie was dus: welke invulling ik geef aan het pastoraat rond de kerkelijke bevestiging van het huwelijk, en daarbij interesseert met name de vraag hoe de seksualiteit daarin aan de orde gesteld wordt. Wòrdt er wel over de seksualiteit gesproken? Zo ja, hoe dan? Wordt de blik naar achteren gewend en vraagt de predikant dus „hoever men gegaan is”? Of kijkt men samen naar voren en spreekt men over de seksualiteit binnen het huwelijk? Het is ook mogelijk dat men het ene doet en het ander niet nalaat, al vermoed ik dat dat niet zo gemakkelijk zal zijn. Immers - wanneer men intieme vragen aan het a.s. echtpaar stelt zal dat vermoedelijk niet het klimaat scheppen, waarin men samen verder kan spreken. De indruk van de redactie was, dat de praktijk onder de predikanten in diverse gemeenten nogal verschilt.

Laat ik vooropstellen dat het niet eenvoudig is deze dingen aan de orde te stellen. De seksualiteit neemt nog altijd een aparte plaats in in de ethiek. Het is bij de behandeling van de Tien Geboden eenvoudiger te (s)preken over bijvoorbeeld de zonden der tong dan over de seksualiteit. Iets van een taboe-sfeer is er - zeker bij ouderen in de gemeente: de ouders van de a.s. echtparen - nog steeds. Toch meen ik dat we als kerk om deze vragen niet heen kunnen. Het alternatief is immers dat je jongeren en ouderen op dit terrein aan hun eigen gedachten en gevoelens - en dat is niet zelden ook: hun eigen problemen en moeiten - overlaat.

Dat neemt evenwel niet weg dat we ons goed bewust moeten zijn van de weerstanden, die een (s)preken over de vragen van de seksualiteit kan oproepen. Daarbij speelt niet alleen het verleden - en de doorwerking daarvan - een rol, óók het heden. De geest van de tijd, de individualisering („bemoei je met je eigen zaken”), draagt vandaag ertoe bij dat de seksualiteit ingedeeld wordt bij wat men dan noemt de privé-sfeer. Een en ander heeft tot gevolg dat het ter sprake brengen van de seksualiteit in een gesprek over de aanvraag van de kerkelijke huwelijksbevestiging of ter voorbereiding van die kerkelijke bevestiging gemakkelijk ervaren kan worden als een zich mengen in privé-zaken. Daar heeft men ook niet helemaal ongelijk in: wanneer ik vraag of men met de wederzijdse ouders over deze dingen gesproken heeft, luidt het antwoord daarop in vrijwel alle gevallen ontkennend. Dat wijst toch wel op een zekere schroom ten aanzien van deze zaken. Ik schrijf deze dingen niet om op grond daarvan maar te berusten en ervoor te pleiten aan deze vragen in het pastoraat voorbij te gaan. Het tegendeel is het geval. Maar ik meen wel dat men zich deze barrières voor een goed gesprek terdege heeft te realiseren. Wanneer er ook maar een zweem van een indruk is, dat de ambtsdrager zichzelf in dit opzicht buiten beschouwing wil laten en mensen zonder meer de „normen” voorhoudt, zullen zij zich sluiten als de bekende oester. Zoals voor ieder pastoraal gesprek is zeker ook hier nodig dat we naast elkaar staan en samen luisteren naar Gods evangelie en zijn gebod voor ons leven. Het zal zo moeten gebeuren dat volstrekt duidelijk is dat we ons niet willen indringen in de persoonlijke levenssfeer van de ander, maar iets willen laten zien van de beslissende betekenis van Gods gebod en evangelie ook voor dit terrein van het leven. Daarnaast is nodig dat we ons er rekenschap van geven in wat voor een wereld jongeren opgroeien, wat de lucht is die zij - en wij ! - inademen - zonder het veelal bewust te zijn. Op die laatste vraag ga ik nu eerst in.

(2) Ontwikkeling op het gebied van de seksualiteit in onze cultuur

We kunnen ons de aardverschuiving op het punt van de seksualiteit niet te groot voorstellen. We hebben allemaal nog de flarden van het Victoriaanse tijdperk in ons innerlijk hangen. De seksualiteit werd weggedrukt en het zien van een vrouwehiel alleen al was heel opwindend. Die instelling van de Victoriaanse tijd stond niet op zichzelf - ze was een reactie op de grote nadruk die de seksualiteit sinds twee eeuwen gekregen heeft. De seksualiteit is problematisch geworden. In het Victoriaanse tijdperk heeft men getracht dit „beest” te temmen door het naarde nacht, de onzichtbaarheid, te verbannen. Door een muur van zwijgen eromheen op te trekken. Maar het was te voorzien dat dat niet zou lukken. Daarom kan men stellen dat de Victoriaanse preutsheid wel moest plaatsmaken voor een drang naar openheid en vrijheid. De omslag op dit punt in onze cultuur is als volledig te karakteriseren.

Ik kom daarop terug, maar geef eerst kort aan hoe deze ontwikkelingen doorwerken naar jongeren - zoals we die op de catechisaties voor ons hebben.

Om te beginnen wordt niet langer gepoogd jongeren zorgvuldig bij alles wat naar seksualiteit zweemt vandaan te houden. Integendeel - op de middelbare scholen maken zij kennis met moderne literatuur, waarin seksuele handelingen tot in details worden beschreven. Wellicht ook ten gevolge daarvan spreken de jongeren zelf vaak ook vrijmoedig over de seksualiteit - wat echter niet wil zeggen dat zij het ook doen in een pastorale relatie!

Daar komt nog bij dat de ziekte AIDS scholen ertoe noopt deze vragen aan de orde te stellen. Hoe men ook over de ethische inhoud van een en ander uiteengaat, we zullen het erover eens zijn dat we jongeren niet zonder goede voorlichting op dit punt kunnen en mogen laten.

Tenslotte: we zijn de laatste jaren „verrijkt” met nieuwe omroepen, waarvan de programma’s - laten we ons geen illusies maken! - meer bekeken worden dan wij denken en zeker dan ons lief is. In een artikel in het bondsblad voor de vrouwenverenigingen heeft de heer Knevel enige gegevens uit een onderzoek naar de kijkdichtheid van erotische programma’s doorgegeven. De onthutsende - hoewel niet geheel onverwachte - uitkomst was dat juist door mensen uit de „rechterflank” van de gereformeerde gezindte Veronica’s Pin-up-club driftig wordt bekeken. Stellig zal dit programma een groter kijkerspubliek aanspreken, getuige ook het feit dat de nieuwe „aanwinst” in medialand, RTL-Veronique, er ook al brood in ziet. Hoe reageren wij vanuit de kerk daarop? Mij is geen commentaar op dit artikel of ook alleen op de gegevens eruit onder ogen gekomen, hetgeen me symptomatisch lijkt te zijn. Immers: op dit punt reageren we meestal niet - tenzij men zwijgen als een vorm van reageren bestempelt (wat het soms inderdaad kan zijn). Het is echter m.i. heel belangrijk dat we als kerk - op de preekstoel, de catechisatie etc. - niet zwijgen en er evenmin mee volstaan het hoofd te schudden en de vinger te heffen. Daarmee wijzen we niet een weg. We versterken zelfs de toch al bestaande indruk dat we er eigenlijk geen verweer tegen hebben, als men beweert dat het christendom ten diepste vijandig staat ten opzichte van de seksualiteit. Ook daaruit blijkt wel dat we hier niet te maken hebben met een ontwikkeling op het terrein van de ethiek zonder meer. Er zijn diepere verbanden met waar men in gelooft. Het is bekend dat men zich in deze eeuw niet zelden van het christelijk geloof afwendt onder het parool: het gaat om de ware bevrijding van de seksualiteit. Zinspelend op de titel van het boek van prof. De Knijff over de ontwikkeling van onze cultuur op het punt van de seksualiteit zou men het als volgt kunnen typeren: Venus moet eindelijk los van de leiband! Dat zit op dit moment in het grondwater en sijpelt door in onze gedachten. We moeten naar mijn overtuiging een antwoord geven op de vraag of dit waar is. Is de seksualiteit inderdaad een bloem die pas echt begint te bloeien waar we ons afwenden van de God van de Bijbel, van Gods gebod en belofte? Of is het precies omgekeerd: geldt ook van de seksualiteit dat de ware vreugde ervan juist het doel is van Gods geboden en beloften?

(3) Seksualiteit - hoe spreek je er met jongeren over?

We dienen ons goed te realiseren dat de kerkelijke jeugd - sterker nog dan de ouderen wellicht - de invloed van onze cultuur op dit punt ondergaat - zij het niet altijd bewust, maar toch ! Daarom is er geen andere weg dan met de jongeren mee op te lopen en met hen te vragen wat ze vinden van de visies op seksualiteit, waarmee ze in aanraking komen. Ik schrijf dat vanuit de diepe overtuiging dat we als kerk niet moeten denken en doen alsof we met de rug tegen de muur staan in ethisch opzicht. Stellig - er worden heel wat opvattingen gepropageerd die we allerminst kunnen overnemen en ons erbij aansluiten. We zijn echter m.i. te gauw geneigd te denken dat onze tijd de deur tot de echte bevrijding van de seksualiteit nu ook inderdaad gevonden heeft. Het mag ons alleen al te denken geven dat in veel moderne literatuur en films tot uitdrukking komt dat de seksualiteit iets raadselachtigs heeft. Een spel. maar toch ook: een gevaarlijk spel. De vinger heffen is misschien niet eens zo hard nodig, als we bedenken dat men ons zelf wel de leegheid en het vastlopen van veel dingen onder de aandacht brengt. Als we eens even de ontwikkelingen van de laatste decennia de revue laten passeren, dan vallen een aantal dingen op. Was het tot voor tien, vijftien jaar geleden zo, dat met alle geweld gepleit moest worden voor „vrijheid van bevoogding”, dus voor pornofilms, pornoliteratuur etc., nu lopen we als samenleving hard tegen de grenzen op: kinderporno (Pekela), de incestproblematiek enz! Dezelfde mensen die in naam van de seksuele bevrijding twintig jaar geleden pleitten voor verruiming van de normen t.a.v. de seksualiteit, stuiten nu op de grenzen van onze tolerantie. Men is verontwaardigd over incest, maar op wat voor grond? Als men de seksualiteit wil bevrijden van de „bevoogding door christelijke normen”, welk standpunt heeft men dan nog om nee te zeggen tegen bepaalde ontwikkelingen? Met welk recht kun je kinderporno veroordelen? Ik bedoel de verlegenheid van onze moderne cultuur op dit punt aan te geven - ook al zal men zelf niet zo graag bereid zijn toe te geven dat hier sprake is van verlegenheid. Maar het valt niet te ontkennen dat onze tijd ook in dit opzicht tegen zijn grenzen aanloopt.

Misschien kan ik vanuit Romeinen 1 en 2 ook zeggen: dat we tegen God oplopen. Paulus heeft het in deze hoofdstukken erover dat de Romeinse cultuur vastloopt - en noemt daar ook de seksualiteit. Hij schudt dan niet het hoofd om vervolgens een aantal christelijke normen er tegenover te stellen. Nee, het gaat hem erom te laten zien dat God in dat vastlopen aan het werk is. Gods toorn over de afgodendienst - ook in Romeinen 1 en 2 spreekt de Bijbel over de seksualiteit in een religieus kader! - stuwt heen naar Zijn gerechtigheid in Christus, die een kracht is tot behoud voor ieder die gelooft. Daar wil Paulus zijn lezers en de hele Romeinse cultuur ook hebben. We kunnen eruit opmaken dat we de macht en de ware vreugde van de seksualiteit niet in het vizier krijgen door net te doen alsof we als kerk kunnen volstaan met het opkomen voor een geheel van normen - hoe goed ook. We maken er dan geen ernst mee dat de heersende gedachten van vandaag een maar al te reële macht vormen, die ons allen beïnvloedt -ook en wellicht vooral daar waar men deze dingen negeert of bagatelliseert! Het artikel van de heer Knevel en ook de incestproblematiek moeten ons aan het denken zetten: we kunnen met niet minder toe dan radicaal te vragen wat de diepste crisis en de ware bevrijding van de seksualiteit is.

Ik hoop in het bovenstaande duidelijk gemaakt te hebben dat we ons er terdege rekenschap van hebben te geven hoe wij vandaag met jongeren spreken over de seksualiteit en de beleving ervan. Ik noemde al het boek van prof. De Knijff: Venus aan de leiband. Daarin laat hij zien dat de seksualiteit de eeuwen door problematisch is geweest. Het mag heel opvallend genoemd worden dat in deze cultuurhistorische studie zoveel waardering is voor de Reformatie op dit punt. Men heeft daar de seksualiteit niet langer beschouwd als een noodzakelijk kwaad en afstand genomen van de gedachte van Augustinus - een gedachte, die een enorme doorwerking heeft gehad - dat de zonde zijn zetel en uitvalsbasis vooral heeft in de seksuele begeerte. Seksualiteit wordt nu gezien als een geweldig geschenk van God, zoals het huwelijksformulier zegt: „de bedoeling van het huwelijk is in de eerste plaats dat man en vrouw door oprechte liefde verbonden elkaar in vreugde toebehoren”. Daarin komt een positieve visie op de seksualiteit tot uitdrukking.

Tegen de achtergrond van onze tijd - zoals boven geschetst - mag en moet de positieve betekenis van de seksualiteit naar voren worden gebracht. Waar onze tijd juist op dit punt een om het „ik” cirkelend denken te zien geeft, dat in nieuwe prikkels bevrediging zoekt, licht de bevrijdende kracht van het bijbelse spreken op: seksualiteit is ten diepste de doorbreking van de eenzaamheid, van het individualisme! Het is een door God in de schepping gegeven geheim, waartoe we de toegang alleen kunnen vinden in en door Jezus Christus. Ook de seksualiteit is een levensterrein waar we de bevrijding van de macht van de zonde en de heiliging door de Geest van Christus nodig hebben. Gewezen mag en moet worden op de passages uit het Oude en Nieuwe Testament, waar de verhouding van de HERE God met zijn volk vergeleken wordt met het huwelijk, waarbij seksuele symbolen niet uit de weg gegaan worden. Tegelijk dient aangewezen, dat de seksualiteit - zowel in de bijbel (Ba’al-cultus) als ook vandaag wel zeer duidelijk aan het licht treedt - een vernietigende macht wordt, waar zij wordt losgemaakt van de liefde. Slechts vanuit de liefde kan de seksualiteit tot haar doel komen als uitdrukking en krachtbron van ware gemeenschap - een wij-gebeuren bij uitstek. Daarom is de seksualiteit ook de plaats waar je elkaar werkelijk moet kunnen vertrouwen. Dat is m.i. ook de diepste reden dat de seksuele gemeenschap thuis hoort in het huwelijk. Het moet radicaal weg uit de „vrije markt”, uit de vrijblijvendheid. De seksualiteit is in wezen bestemd voor de trouw, voor de vreugde door alle levensfasen heen, voor het geduld met elkaar, voor de vreugde die men elkaar biedt.

(4) Wanneer en hoe spreken we met jongeren over liefde en seksualiteit?

a. Belangrijk is dat seksualiteit op de catechisatie aan de orde komt, bijvoorbeeld bij de behandeling van de Tien Geboden. Het zal niet zo moeten gebeuren dat uitputtend alle uitspattingen die er (mogelijk) zijn de revue passeren. Dat kunnen we aan moderne romans en films overlaten. De behandeling beantwoordt aan zijn doel als de catechisanten de indruk eraan overhouden, dat we als kerk niet op een verloren front strijden. Niets is erger dan dat jongeren aan de gesprekken binnen de kerk over de seksualiteit de gedachte overhouden, dat we niet verder komen dan verbodsborden. Anders gezegd: duidelijk moet worden dat de echte vreugde van de seksualiteit nu juist niet buiten het leven naar Gods geboden gelegen is.

Het lijkt me goed en nodig op de catechisatie uitdrukkelijk de mogelijkheid te noemen en de bereidheid te tonen over deze dingen nog eens onder vier ogen verder te spreken.

b. Daarnaast heb ik deze vragen op de agenda geplaatst van gespreksavonden voor jongeren in de pastorie. Men is dan wat ouder - meestal begin twintig en de vragen van de seksualiteit spelen dan nog weer anders dan in de leeftijdsfase van de meeste catechisanten. Wellicht in sommige gevallen als een gevolg daarvan heeft men in de afgelopen jaren nogal eens bij mij aangeklopt om onder zes ogen nog eens door te praten over de argumenten voor het huwelijk en tegen samenwonen. Ik was heel gelukkig dat men met die vraag bij mij kwam en niet eenvoudigweg afging op eigen gedachten dienaangaande.

c. In de derde plaats heb ik de vaste gewoonte met a.s. echtparen in het gesprek ter voorbereiding van de kerkelijke bevestiging van hun huwelijk te spreken over (a) de plaats van de sexualiteit binnen het huwelijk en (b) over geboortebeperking. Ik beperk me hier tot het eerste. De inhoud daarvan komt in grote lijnen overeen met wat hierboven in (3) aan positieve visie door mij naar voren gebracht is. Het zal u na lezing van dit artikel niet verbazen dat ik daarin niet de vraag aan de orde stel hoever men gegaan is. Ik heb daar een aantal redenen voor. In de eerste plaats acht ik het een vraag die meer is ingegeven door ons Victoriaans verleden dan door het bijbelse denken. Immers - als iemand bij ons komt met een ethische vraag zullen wij toch in het algemeen niet vragen hoe hij/zij zich in het verleden gedragen heeft. Het zal gaan om een samen zoeken naar de weg. We moeten dan zeker voor de seksualiteit geen uitzondering maken. Daarnaast acht ik het een onherstelbare schade wanneer het a.s. echtpaar een min of meer hypocriet antwoord zou geven, dat hen in een later stadium ervan zou kunnen weerhouden met hun vragen en problemen bij de kerk aan te kloppen. Wat ik uit het artikel van Knevel naar voren heb gehaald, mag ons te denken geven. Tenslotte - een overweging van praktische aard - lijkt het mij vrijwel onvermijdelijk dat zo’n vraag - gezien de erfelijke belasting die we in dit opzicht met ons meedragen - een echt gesprek over deze vragen eerder blokkeert dan bevordert. Wel is het zo, dat juist het gesprek over de positieve invulling van de seksualiteit wel geleid heeft tot openheid aan de kant van het a.s. echtpaar.

Tenslotte - ik kan alleen maar hopen dat op deze wijze, nl. door de vragen van de seksualiteit op een goede wijze en bijtijds aan de orde te stellen, het duidelijk zal worden dat wie zijn weg in de vragen van de seksualiteit vanuit de Bijbel zoekt, niet achterloopt, maar de eigen tijd wellicht beter verstaat dan zij zichzelf. De belofte dat „wie het gebod in acht neemt geen kwaad zal ondervinden” kan ons ook helpen te rechter tijd te spreken. Immers-die tekst vervolgt: „en het hart van de wijze kent tijd en wijze” (Prediker 8, 5)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.