+ Meer informatie

D. UITSPRAKEN VIA INSTRUCTIES

10 minuten leestijd

1. BETREFFENDE DE CLASSICALE DIACONALE VERGADERING

De synode deed de volgende uitspraak:

De generale synode, kennisgenomen hebbend van

1. de instructie van de particuliere synode van het Noorden d.d. 25 maart 2010;

2. het rapport van haar commissie;

gehoord hebbend

de bespreking ter generale synode;

constaterend

1. dat vanuit deputaten diaconaat de mogelijkheid bij de classes is neergelegd om te komen tot de vorming van een classicale diaconale vergadering die haar uitgangspunt neemt in art. 41 K.O.;

2. dat art. 26 K.O. de diakenen opwekt, indien nodig, o.a. met andere diaconieën geregeld contact te onderhouden en zo mogelijk samen te werken voor de uitoefening van hun ambtelijke opdracht;

3. dat in de classis Leeuwarden reeds enige jaren vanuit de diaconieën op uitnodiging van de classicale diaconale commissie (cdc) gewerkt is aan de totstandkoming van een classicale diaconale vergadering (cdv);

4. dat blijkens bijlage 2 sub 2b van het rapport van deputaten diaconaat een aantal classes al classicale diaconale vergaderingen belegd heeft, dan wel denkt te gaan beleggen;

5. dat classicale diaconale vergaderingen op dit moment niet structureel zijn en geen kerkordelijke inkadering hebben;

overwegend

1. dat er blijkens de Acta van laatstgehouden generale synodes al langer wordt gesproken over de wenselijkheid van het vergroten van de diaconale betrokkenheid van de kerken;

2. dat tengevolge van het gegeven dat classicale diaconale vergaderingen op dit moment niet structureel zijn en niet altijd een goede regeling kennen de vrijblijvendheid groot is;

3. dat op grond van reeds ontvangen gunstige reacties m.b.t. deze vorm van classicaal overleg het te verwachten is dat deze vorm van diaconaal contact in de classes als verrijkend zal worden ervaren, nieuwe diaconale initiatieven zal opleveren en zal bijdragen aan het vergroten van de diaconale betrokkenheid van de classiskerken;

4. dat de huidige omstandigheden op maatschappelijk gebied tengevolge van beslissingen van lagere en hogere overheden en te verwachten ontwikkelingen dienaangaande de urgentie vergroten om als diaconieën structureel bij elkaar te komen om elkaar te informeren en elkaar bij te staan in de vragen die er op het gebied van het diaconaat zijn dan wel nog zullen ontstaan;

van oordeel

1. dat de voorgestelde vorm van diaconaal overleg het mogelijk maakt dat aard en werk van de diaconieën beter aan de orde komen in classicaal verband;

2. dat een cdv met art. 26 K.O. als uitgangspunt in de lijn van art. 41 K.O. gezien kan worden als een uitbreiding van het reguliere classisoverleg, specifiek gericht op het diaconaat;

3. dat deze vorm van classicaal overleg kan bijdragen aan het vergroten van de diaconale betrokkenheid van de classiskerken;

4. dat het wenselijk is over de verhouding van een cdv tot het reguliere classisoverleg afspraken vast te leggen;

5. dat het classes vrij staat een cdv in te stellen;

besluit

aan deputaten diaconaat de opdracht te geven om in overleg met deputaten kerkorde en kerkrecht voorstellen te doen aan de generale synode van 2013 om te komen tot een goede kerkordelijke inkadering van een classicale diaconale vergadering en een voorbeeld te ontwerpen van een regeling voor een classicale diaconale vergadering.

2. BETREFFENDE DEPUTATEN EMERITIKAS

De synode deed de volgende uitspraak:

De synode besluit

de volgende zin toe te voegen aan art. 23 van bijlage 7: ‘In situaties waarin deze instructie niet voorziet, zijn deputaten emeritikas in overleg met de betrokken kerkenraad bevoegd naar bevind van zaken te handelen.’

3. BETREFFENDE DE HERZIENINGVAN DE STATENVERTALING (HSV)

De synode deed de volgende uitspraak:

De generale synode, kennis genomen hebbend van

1. de instructie inzake de Herziene Statenvertaling (HSV) van de particuliere synode van het Oosten van 14 april 2010;

2. het rapport van de door de particuliere synode van het Oosten op 21 mei 2008 benoemde commissie Beoordeling Herziening Statenvertaling;

3. het rapport van haar commissie;

constaterend

1. dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland het initiatief heeft genomen om te komen tot een herziening van de Statenvertaling (SV) omdat het taalgebruik in de SV in bepaalde opzichten als verouderd wordt ervaren, waardoor jongeren en ouderen vervreemd dreigen te raken van het gebruik van de SV;

2. dat, gezien de gehanteerde uitgangspunten, beoogd wordt de verstaanbaarheid van de SV te dienen;

3. dat onder leiding van de Stichting Herziening Statenvertaling een commissie grondig heeft gewerkt aan een herziening van de SV;

4. dat de medewerkers aan de herziening gemeenschappelijk zijn geworteld in de gereformeerde belijdenis;

5. dat reeds de synode van 2001 uitsprak bereid te zijn tot samenwerking met de Gereformeerde Bond inzake de herziening van de SV;

6. dat onze betrokkenheid in dit kader tot uitdrukking is gebracht door zitting te nemen in het bestuur en participatie in de werkgroepen op persoonlijke titel;

7. dat op de generale synode 2007 deputaten eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland in hun rapport melding maakten van een vruchtbare samenwerking bij de herziening van de SV;

8. dat deze deputaten ook met dankbaarheid kennisnamen van hetgeen tot nu toe is verschenen;

9. dat de volledige herziening van de SV weliswaar is afgerond, maar nog niet is uitgegeven;

10. dat derhalve een beoordeling op grond van de volledige HSV nog niet mogelijk is;

11. dat binnen de particuliere synode van het Oosten reeds een grondig onderzoek is uitgevoerd naar dat gedeelte van de HSV dat wel beschikbaar was om te komen tot een beoordeling van dat gedeelte;

overwegend

1. dat de verstaanbaarheid van Gods Woord voor zowel jongeren als ouderen van groot belang is;

2. dat de vertaalprincipes die als uitgangspunt zijn gekozen voor de HSV dezelfde zijn als die bij de SV zijn gehanteerd, zodat verwacht mag worden dat de HSV een betrouwbare herziening zal blijken te zijn;

3. dat reeds tijdens de generale synode 2007 bleek dat een deel van de kerken uitziet naar het gereedkomen van de complete uitgave van de HSV om die in de kerken te gebruiken;

4. dat uit het rapport van de commissie blijkt dat de wens om de HSV in de kerken te gebruiken sindsdien niet minder is geworden;

5. dat de volledige HSV D.V. in december 2010 beschikbaar komt;

6. dat op- en aanmerkingen van de PS-commissie door de Stichting HSV zijn betrokken bij de definitieve vaststelling van de tekst;

7. dat vanuit de Stichting HSV is aangegeven dat het wenselijk is dat ook na uitgave van de volledige HSV vanuit de kerken op- en aanmerkingen worden gemaakt die betrokken zouden kunnen worden bij een volgende druk;

8. dat leden van de PS-commissie bereid zijn voor onze kerken daartoe als loket te dienen, reacties te beoordelen op bruikbaarheid en deze door te zenden naar de Stichting HSV;

van oordeel

1. dat de kerken gediend zijn met een spoedige beoordeling van de HSV;

2. dat, gezien het karakter van deze herziening, deze beoordeling zowel over de betrouwbaarheid als over de bruikbaarheid dient te gaan;

3. dat uit het rapport van de PS-commissie blijkt dat de HSV – voor zover nu gepubliceerd – een betrouwbare en bruikbare herziening van de SV is;

4. dat de beoordeling van de PS-commissie voldoende representatief mag worden geacht voor het geheei van de HSV;

5. dat het derhalve niet nodig is dat het eindresultaat op een later moment alsnog door de generale synode wordt beoordeeld;

6. dat de kerken door het benoemen van een commissie als bedoeld onder punt 8 van ‘overwegend’ wel kunnen bijdragen aan verdergaande verbetering van de HSV;

besluit

1. de HSV voor gebruik in de kerken vrij te geven;

2. een commissie te benoemen die voor op- en aanmerkingen vanuit de kerken t.a.v. de HSV als loket dient, deze beoordeelt op bruikbaarheid en doorzendt naar de Stichting HSV;

3. de kerken te wijzen op de wenselijkheid om van deze mogelijkheid gebruik te maken;

4. van dit besluit kennis te geven aan de particuliere synode van het Oosten.

4. BETREFFENDE NAUWER SAMENLEVEN MET DE NEDERLANDS GEREFORMEERDE KERKEN

De synode deed de volgende uitspraak:

De generale synode, kennisgenomen hebbend van

1. de instructie van de particuliere synode van het Zuiden d.d. 24 maart 2010;

2. het rapport van haar commissie;

gehoord hebbend

de bespreking op de vergadering;

constaterend

1. dat de particuliere synode van het Zuiden de generale synode verzoekt te overwegen of, en zo ja onder welke voorwaarden, bijlage 8 K.O. van toepassing kan zijn op die gemeenten uit het verband van de Nederlands Gereformeerde Kerken waarmee een Gereformeerde Kerk vrijgemaakt reeds nauwer samenleeft en waarmee een Christelijke Gereformeerde Kerk in het kader van samensprekingen met de betreffende Gereformeerde Kerk vrijgemaakt dientengevolge tot enigerlei relatie komt;

2. dat de huidige kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken niet aangeeft hoe in een dergelijke situatie gehandeld dient te worden;

overwegend

1. dat in de toekomst dergelijke situaties zich vaker kunnen voordoen;

2. dat de synode van 2001 al eerder een uitzondering maakte aangaande kerkelijke eenheid met een plaatselijke Nederlands Gereformeerde Kerk;

van oordeel

dat om tot een weloverwogen besluit te kunnen komen er een grondige studie verricht dient te worden naar de principiële, kerkrechtelijke en praktische aspecten;

besluit

1. deputaten voor de eenheid van gereformeerde belijders in Nederland op te dragen om in samenwerking met deputaten kerkrecht en kerkorde te onderzoeken of, en zo ja onder welke voorwaarden, bijlage 8 K.O. van toepassing kan zijn op die gemeenten uit het verband van de Nederlands Gereformeerde Kerken waarmee een Gereformeerde Kerk vrijgemaakt reeds nauwer samenleeft en waarmee een Christelijke Gereformeerde Kerk in het kader van samensprekingen met de betreffende Gereformeerde Kerk vrijgemaakt dientengevolge tot enigerlei relatie komt;

2. deputaten op te dragen de synode van 2013 te dienen met een onderbouwd voorstel;

3. van dit besluit kennis te geven aan de particuliere synode van het Zuiden.

5. BETREFFENDE AFVAARDIGING NAAR CLASSISVERGADERINGEN VANUIT SAMENWERKINGSGEMEENTEN

De synode deed de volgende uitspraak:

De generale synode, kennisgenomen hebbend van

1. de instructie van de particuliere synode van het Noorden d.d. 25 maart 2010;

2. de instructie van de particuliere synode van het Westen d.d. 9 juni 2010;

3. het rapport van haar commissie;

gehoord hebbend

de bespreking op de vergadering;

constaterend

1. dat de particuliere synode van het Noorden de generale synode verzoekt tot een aanvulling te komen van bijlage 8 K.O. inzake de afvaardiging naar de classis van samenwerkingsgemeenten als bedoeld in bijlage 8. 3c K.O;

2. dat de particuliere synode van het Westen de generale synode verzoekt aan artikel 41 K.O. een nieuw lid toe te voegen en bijlage 8 sub 4a te wijzigen;

3. dat de aanvulling behelst dat niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers naar de classicale vergaderingen van de Christelijke Gereformeerde Kerken afgevaardigd kunnen worden en in volle rechten en plichten deze vergaderingen kunnen bijwonen;

4. dat er door de particuliere synode van het Noorden een voorbehoud gemaakt wordt betreffende het passief kiesrecht van niet-christelijk-gereformeerde afgevaardigden naar de meerdere vergaderingen;

5. dat er door de particuliere synode van het Westen een voorbehoud gemaakt wordt betreffende het passief kiesrecht van niet-christelijk-gereformeerde afgevaardigden naar de meerdere vergaderingen en speciale taken zoals kerkvisitatie;

6. dat de argumenten om tot deze aanvulling te komen deels principieel van aard zijn en deels praktisch;

7. dat deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland in hun rapport aangeven dat wanneer de synode niet kan besluiten vanwege onvoldoende argumentatie zij in overweging geeft een opdracht te geven aan deputaten in samenwerking met Deputaten Overleg Eenheid en deputaten kerkorde en kerkrecht;

overwegend

1. dat de rechtsongelijkheid die er nu bestaat op het niveau van de kerkenraden van samenwerkingsgemeenten na het afvaardigen van niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers naar de classisvergaderingen op dat niveau komt te liggen;

2. dat het afvaardigen van niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers naar een meerdere vergadering in onze kerken gevoelig ligt;

3. dat de generale synode van 2007 uitsprak dat bij zoeken naar kerkelijke eenheid rekening dient te worden gehouden met de eenheid in het eigen kerkverband;

van oordeel

dat voordat een besluit in deze zaak genomen wordt, een diepgaande studie ondernomen moet zijn naar de kerkordelijke aspecten ervan en naar de consequenties van een dergelijk besluit;

besluit

4. deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland op te dragen om in samenwerking met deputaten kerkrecht en kerkorde te onderzoeken of en hoe het principieel en kerkrechtelijk mogelijk is om niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers van samenwerkingsgemeenten af te vaardigen naar de classisvergaderingen;

5. deputaten opdracht te geven de generale synode van 2013 te dienen met een onderbouwd voorstel;

6. van dit besluit kennis te geven aan de particuliere synoden van het Noorden en het Westen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.