+ Meer informatie

Het gebed in <le gelijkenis»

5 minuten leestijd

Lucas 18 : 1—14.

I De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter 1—8. II De gelijkenis van de Farizeër en de Tollenaar 9—14.

Het gebed neemt een voorname plaats in in het leven van Gods kinderen.

De ware Godsdienst is gemeenschapsoefening God. De inhoud daarvan is kennen en dienen. met

on-Een oud spreekwoord zegt: Onbekend maakt bemind.

Zullen we God dienen, dan moeten wij Hem kennen, en om Hem te kennen moet Hij Zich aan ons openbaren.

De H. Schrift is dc oorkonde van dc bijzondere Gods openbaring.

Bij de verstandelijke kennis hebben we vooral nodig de practisehe of bevindelijke kennis die gewerkt wordt door de H. Geest.

„Dit is het eeuwige leven dat zij U kennen, de enige en waarachtige God en Jezus Christus die Gij gezonden hebt."

In de school der genade leren Gods kinderen bidden naar de regel van het heiligdom.

In het volmaakte gebed heeft Christus aan Zijn discipelen een kostelijk voorbeeld gegeven.

In Zondag 45 van onze Catechismus wordt gesproken van dé vereisten van het gebed.

Allereerst kennis van die God, die Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard.

Ten tweede, kennis van onszelve, opdat wij ons voor Gods Majesteit verootmoedigen.

Eindelijk, kennis van Christus om te pleiten op Zijn gehoorzaamheid.

In bovengenoemde gelijkenissen wordt gesproken van gebedsdrang en de rechte gebedsgestalte.

Het aanhoudend blootleggen van onze behoeften is een kenmerk van het geloofsgebed.

ver-In het geloof schuilt immers een volhardend mogen.

Wie door het geloof bidt kent ook de houding welke hem tegenover de God des hemels en der aarde past.

In de eerste gelijkenis worden we bepaald bij twee personen, die in dezelfde stad wonen.

De eerste persoon is een soort politierechter die in kort geding uitspraak doet.

Deze man wordt getypeerd als iemand die zich om God en Zijn gebod niet bekommert.

Hg was een echte tiran, die voor God niet bang was, noch voor enig mens.

Het is een voorrecht dat er in deze wereld nog rechthuizen zijn. verleugende

Maar als de rechter geen rekening houdt met het hoogste recht, is er voor dc mens die recht zoekt, geen verwachting.

De arme weduwe, die haar man en steun kwijt is, en niet vraagt om een gunstbewijs, maar om recht, heeft van deze rechter niets te verwachten.

Toch geeft de vrouw het niet op en komt elke dag terug met hetzelfde verzoek: „Doe mij recht tegenover mijn wederpartij.

Niet uit edele motieven, maar om van haar af te komen heeft hij haar tenslotte recht gedaan.

De bedoeling van de gelijkenis is, dat Gods kinderen zullen aanhouden in het gebed.

De Heere houdt Zich soms als doof om Zijn volk te beproeven.

Zal God dan geen recht doen Zijne uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen?

We spoeden ons naar het einde der eeuwen. De Kerk des Heeren wordt vergeleken bij een zwakke weduwe. »

De vijanden worden steeds machtiger en de Heere houdt Zich als doof.

Nu zal het de vraag zijn, bezitten wij een daadwerkelijk geloof, dat zich in het gebed op hope tegen hope aan God vastklemt.

Dat met een gekregen genaderecht dc Almachtige aanloopt als een waterstroom.

Die volharden zal tot het einde, zal zalig worden. De Heere is lankmoedig, doch van grote kracht. Haastelijk, dat is onverwachts, zal Hij recht doen.

Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij geloof vinden op de aarde?

Over die vraag valt nog veel te zeggen, maar zouden we niet beter doen, om met die vraag tot onszelf in te keren?

Bezitten wij een oprecht geloof dat uitkomt ook in ons gebedsleven?

Dat in de smeltoven, van alle verkeerde bestanddelen wordt gezuiverd, opdat het als blinkend goud de deugden des Heeren doet uitstralen?

In de tweede gelijkenis worden ook twee personen ten tonele gevoerd.

Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden. De een was een Farizeër, dc ander een Tollenaar.

De eerste is een prachtmens. Met opgeheven hoofd biedt hij God zijn blinkende deugden aan.

Hij is blind voor de moordkuil van zijn eigen hart. Er ligt een blinddoek op het aangezicht zijner ziel. De andere is een Tollenaar.

Een soort belastingambtenaar die in dienst bij de Romeinen om zijn eigen volk uit te buiten. staat

Een soort N.S.B.ër die heult met dc vijand. Maar God heeft zijn ogen geopend.

Hij schaamt zich voor God en mensen. Zijn ogen durft hij niet opslaan.

Zijn geweten spreekt en zijn hart is gebroken. Lange gebeden verbergen vaak weinig behoefte. 'Zijn gebed is een noodkreet tot God.

Neen, hij vlucht met Kaïn niet van God af, ook grijpt hij niet als Judas naar de strop.

Hij vindt benauwdheid en droefenis. Zijn gebed" is een gewrocht van de Heilige Geest. Wat van God komt, keert tot Hem terug.

Aan zulk een gebed is de verhoring onafscheidelijk verbonden.

De Farizeër gaat naar huis, gerechtvaardigd in eigen schatting, maar de Tollenaar is gerechtvaardigd in het oordeel Gods.

De volle gerechtigheid van Christus wordt hem toegerekend en geschonken en in zoverre hij die weldaad door het geloof mocht omhelzen, smaakt hij de zoete troost.

De Farizeër zoekt zijn zaligheid in zijn eigen gerechtigheid en vergelijkt zichzelf met anderen.

De Tollenaar vindt zijn geluk in de gerechtigheid die God hem heeft geschonken en door Christus verworven werd.

Met de dichter mag hij instemmen:

„Een stroom van ongerechtigheden, Had d' overhand op mij, _ Maar ons weerspannig overtreden, Verzoent en zuivert Gij."

1. Welke zijn de kenmerken van een waar gebed?

2. Waarom wacht de Heere soms zo lang eer Hij het gebed verhoort?

3. Welke gebeden worden niet verhoord?

4. Wat verstaan wij onder eigengerechtigheid?

5. Wat leert Rome van overtollige goede werken?

Bronnen:

Dachsel.

Matthew Henry.

Knap.

Sillevis Smit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.