+ Meer informatie

De grote Synode van Dordrecht 1618-19

8 minuten leestijd

1.

Geen monument zonder bezinning

Wij zijn het jaar 1968 ingegaan. Dit jaar hopen we te gedenken, dat vóór 350 jaar de grote en bekende Dordtse Synode begonnen is. Een oude stad als Dordrecht bergt in de overgebleven oude gebouwen een schat van herinneringen aan bijzondere personen en gebeurtenissen. De Kloveniersdoelen, het gebouw, dat moest herinneren aan deze bijzondere vergadering, bestaat echter niet meer. Blijkens mededeling uit het gemeentelijk archief van de stad Dordrecht is dit gebouw in 1857 afgebroken. Wel werd ons verzekerd dat de bekende prenten vau deze synode een werkelijke weergave zijn van de bovenzaal van de Kloveniersdoelen. Deze bovenzaal was ruim genoeg om allerlei afgevaardigden te kunnen bevatten. Merkwaardig is het, dat op dezelfde plaats het huis van bewaring verrezen is. Of is het soms vertolking van de wens van velen, dat de leer van Dordt beter achter slot en grendel kan blijven?

In ieder geval is er gelukkig een monument voor deze vergadering gebleven in het hart van allen, die naar Gods Woord de vrijegenadeleer beminnen. Trouwens, monumenten oprichten zonder zelf-onderzoek naar de toestand van het kerkelijk en persoonlijk leven in het licht van Gods Woord is zeer onvruchtbaar. De blik ook naar dit verleden moet dienen tot het verstaan van de roeping in het heden. Er is een steeds verdergaande ontkenning van wat de Heere door middel van deze synode heeft willen schenken. Er is ook een dode orthodoxie, die de doorwerking van de zuivere leer in het,leven mist. Bij beide ontbreekt de wezenlijke bezinning. Daarom willen we vooral op deze bezinning in enkele artikelen de nadruk leggen en geven we in dit eerste artikel slechts een korte toelichting uit de geschiedenis.

Waarom het ging

Het is van groot belang allereerst goed te onderscheiden waarom het ging in de strijd vóór en rondom de Dordtse Synode. Met vrijmoedigheid kunnen we zeggen, dat het hier in wezen niet ging om een nieuwe zaak, die na het gestalte-krijgen van de kerk der Reformatie in ons vaderland erbij gekomen is. Het ging om de soevereiniteit van Gods genade, die uitblinkt bij de totale verdorvenheid van de mens. En daarom: om het eeuwig welbehagen.

Het is niet zo, dat deze zaak nog niet was beleden. Gods genade had met name Calvijn deze waarheid krachtig en duidelijk in de lijn van Augustinus doen verdedigen. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis vinden we dan ook de weerslag daarvan. Lees eens artikel 15 over de erfzonde en artikel 16 over de eeuwige verkiezing Gods. In de leer van de remonstranten kwam in een bepaalde vorm het oude zuurdesem weer tevoorschijn, dat toch nog iets goeds in de mens wil laten en het welbehagen Gods verduistert.

Op allerlei mogelijke manieren hebben zij getracht dit verborgen te houden. Arminiuswas een meester in het bedekt houden van zijn afwijkende meningen. Publikatie van zijn onderwijs werd aan de studenten kortweg verboden. Uitenbogaert, de hofprediker in Den Haag, was ook voorzichtig en diplomatiek. De „remonstrantie” – de in 5 artikelen opgestelde verklaring van gevoelen in een vergadering door Uitenbogaert geleid – was ook zeer voorzichtig om toch maar het afwijkend gevoelen van de remonstranten niet te openbaren. Duidelijk werd het, dat zij het echter met Calvijn en de belijdenis niet eens waren. Het bleek uit de kandidaten, die van Arminius onderwijs genoten hadden en die van de kansel het onkruid in de gemeenten gingen zaaien. De onmacht ten goede, de verkiezing uit het welbehagen Gods werden op een bedekte wijze in de prediking aangevallen. Het bleek ook uit het streven van de remonstranten om de belijdenis te herzien juist op deze punten. Gods genade is het geweest, dat Hij gegeven heeft geopende ogen voor de bedekt ingevoerde dwaalleer. Dit is op zichzelf reeds een bijzondere weldaad geweest. Vergeet daarbij niet, dat onder de remonstranten begaafde predikanten waren, die we ons heus niet voor moeten stellen naar het beeld van de huidige geestverwanten.

De Amsterdamse predikanten Plancius en Trigland hebben reeds spoedig de dwaalleer van Arminius ontdekt. Gomarus heeft op zijn wijze tegen hem en.zijn volgelingen met kracht gestreden. Daarbij was voor hen het optreden van de Staten van Holland een groot struikelblok. De politieke heren wensten vrede en hielden meer van een vriendelijke konferentie. Bovendien hadden deze leraren de mening van velen tegen, die dachten dat zij onzinnige drijvers waren.

Niet te gering mogen we er echter van denken, dat juist het eenvoudige volk, dat de vrije genadeleer beminde, proefde het verval in de leer. De kracht van geheel ons volk lag in dat gedeelte. Dit wordt vaak te weinig gezien en erkend. Juist dat eenvoudige volk gevoelde waarom het ging en kon het daarom niet uithouden onder de arminiaanse predikers. Dat volk maakte verre reizen om de rechte prediking te horen, zoals b.v. in Den Haag. En de zuchten om ontferming klommen op uit het bidvertrek tot de Heere of Hij wederkeer van Zijn gunst wilde schenken.

De remonstranten veroordeeld

Een bange tijd is aan de Synode van Dordrecht voorafgegaan. De remonstranten, die zich voor zeer verdraagzaam uitgaven, werden onverdraagzaam tegenover de predikanten en het volk, bij wie de prediking van Gods vrije genade een levensbelang was. De Haagse predikant Rosaeus werd geschorst omdat hij weigerde in valse vrede te leven met de valse leer. In Holland, Utrecht en Overijssel stelden de overheden zich achter de remonstranten. Een burgeroorlog dreigde in ons land, de vrede in de kerk was verstoord.

We horen de benauwdheid van die tijd nog doorklinken in het gebed, dat de Dordtse predikant Balthasar Lydius bij de opening van de synode bidt: „..... het einde van de uitheemse krijg is het begin geweest van de innerlijke. Och, in haar vrede is de bitterheid Uwer bruid allerbitterst geweest. O Heere, ’t heeft niet veel gescheeld of het ene volk zou tegen ’t andere, de ene stad tegen de andere gestreden hebben.....”

Dat dit gebed gebeden kon worden en dus de synode een aanvang kon nemen, is toch nergens anders aan te danken geweest dan aan de bijzondere leiding van Gods genade. Door degenen, die aan de zuivere leer wensten vast te houden, werd een nationale synode begeerd. Zij probeerden door samenkomsten van afgevaardigden uit verschillende kerken buiten de officiële vergaderingen de band te bewaren, vooral in Holland tussen de vertrouwde dienaren. Deze vergaderingen waren een doorn in het oog van de remonstranten. Het bleek, dat er meeleven was uit aUe delen van ons land met de verdrukten in Holland.

Zeer belangrijk is in deze zaak het ingrijpen geweest van Prins Maurits. We gaan hier niet in op de kritiek, die van sommige zijde op de beweegredenen van dit ingrijpen van Prins Maurits gemaakt is. Voor ons is het thans voldoende te zeggen, dat het voor de verdrukten in Holland een reden van vreugde geweest is, Prins Maurits als hun verdediger te zien. Wat zal het niet geweest zijn voor hen, dat hij in de Kloosterkerk zich zette onder de prediking van Ds. Rosaeus en niet onder die van zijn eigen hofprediker Ds. Uitenbogaert! En de weg naar de synode van Dordt werd gebaand. Mede door het krachtig optreden van Prins Maurits stemden alle Staten er uiteindelijk in toe, dat er een nationale synode gehouden zou worden te Dordrecht. 13 november 1618 werd deze geopend. Buiten de afgevaardigden van de provinciale synoden waren ook buitenlandse afgevaardigden tegenwoordig uit Engeland, Schotland, uit de Paltz, Hessen, Zwitserland, Oost-Frieslanden Bremen. Met recht: een oecumenische synode, waar de buitenlandse afgevaardigden maar niet alleen gast waren, maar mede gediend hebben tot de besluiten. Verder waren daar de professoren en niet te vergeten de politieke kommissarissen.

De ter synode ontboden remonstranten weigerden als aangeklaagden te verschijnen. Zij beschouwden zich meer als een soort tegensynode en wensten een konferentie als van twee gelijkwaardige partijen. Het gebeurde toen zij werden binnengeleid voor de synode, dat Episcopius de vergadering een plechtige zegen oplegde. Een zeer moeilijke tijd is gevolgd voor Johannes Bogerman, de voorzitter van de synode, en de synode zelf. De remonstranten probeerden op allerlei wijzen de arbeid der synode onmogelijk te maken. U zult allen het einde weten: 14 januari 1619 worden zij weggezonden van de synode. Johannes Bogerman stuurt hen weg met een strafrede, waarvan het einde is: „.....De synode heeft zacht met u gehandeld, maar gij zijt, zoals een uitlands theoloog heeft uitgedrukt, met leugens begonnen en geëindigd. Met die lofspraak laten wij u gaan. God zal Zijn Woord bewaren en de synode zegenen. Opdat zij niet langer worde opgehouden, wordt gij heengezonden”,

Na deze strafrede spreekt hij met een bulderende stem: „Dimittimini,exite!” Ukuntgaan, gaat heen!

Deze woorden moeten een bijzondere indruk hebben gemaakt op de vergadering. De geschiedenis vertelt, dat Trigland, aJs hij eraan terugdacht, nog verschrikte. Niet allen waren het met de wijze van wegsturen eens. Zij hadden het beter gevonden, dat de synode tevoren een door aUen aanvaarde formule voor wegsturen had vastgesteld.

Echter: de remonstranten waren weggestuurd en de synode kon ongehinderd verder gaan met hun veroordeling uit hun geschriften en uitspraken, en het belijden van de soevereiniteit van Gods genade.

En dan krijgt niet Bogerman de eer, ook niet de synode, maar God, Die, ondanks veel gebreken, Zijn kerk leidt. In de voorrede op de Dordtse leerregels staat dat zo ontroerend: „.....geprezen zij in eeuwigheid de Heere, Die, nadat Hij Zijn aanschijn een ogenblik tijds van ons verborgen had, voor de ganse wereld heeft bewezen, dat Hij Zijn verbond niet vergeet en het zuchten der Zijnen niet veracht”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.