+ Meer informatie

HOE NU VERDER?

28 minuten leestijd

Aanleiding

Hoe nu verder? Dat is de vraag, waarover we op deze dag in onze ambtsdragersconferentie willen denken en spreken. Verder, dat is na de generale synode van 1986. Een synode, waar meer dan ooit vroeger tegenop gezien is. Een synode, waarvan de besluiten onder ons verschillend beoordeeld worden. Een synode ook, waarvan de voorzitter aan het slot heeft gezegd, dat het de beste synode sinds jaren geweest is. Als dat laatste zo is, waar spreken we vandaag dan nog over? Dan is het zaak om blij en dankbaar te zijn, om met nieuwe moed naar de genomen besluiten te leven en niet te lang meer stil te staan bij problemen, die we in het verleden gemaakt hebben. De voorzitter van de conferentie van vandaag heeft er in De Wekker nog iets meer over geschreven. Hij schreef: Er was geen geest van gelijkhebberij, geen zucht om eigen inzichten tot elke prijs aan de ander op te dringen en geen neiging tot manipulatie. Er was iets van bereidheid om eikaars visie eerlijk te wegen en er eventueel recht aan te doen. Ter synode is nogal eens het woord eenheid gevallen, waarbij het dan veelal ging om de wenselijkheid of de ongewenstheid van bepaalde ontwikkelingen binnen de kerken.

Dat er tegen de synode opgezien was, dat had zijn reden. Ik behoef u niet uitvoerig in herinnering te roepen, dat er delen van de kerken zijn en onderwerpen binnen de kerken, waarin en waarover diepgaand verschil van mening bestaat. Een kandidaat werd in de ene streek van ons land afgewezen en in een andere classis aangenomen. Over een predikant werd een oordeel van schorsingswaardigheid uitgesproken. Vijf predikanten onttrokken zich aan ons kerkverband. Van sommigen, die iets hadden gepubliceerd, werd de confessionele trouw in twijfel getrokken. Samenwerking met de Nederlands Gereformeerde Kerken werd soms geheel tegenstrijdig beoordeeld. Enkele gemeenten gaan bij het zingen in de eredienst buiten de synodaal bepaalde grenzen. Tal van kansels blijven nog steeds voor vele predikanten gesloten. Ik duid maar aan. Een aantal kerkleden, waaronder predikanten, zond in 1985 een uitvoerige brief rond met de bedoeling om elkaar te zoeken.

Sommige mensen begrepen niet meer, wat er toch in onze kerken gaande was. In de pers werd een en ander aangedikt. Mensen die in andere kerkverbanden scheuringen hadden meegemaakt, meenden bij ons alle voortekenen van een scheuring te kunnen opmerken. Ze zagen alle kenmerkende verschijnselen. Maar het is niet gebeurd. Begrijpelijk en terecht, dat daarover bij de sluiting van de synode dankbare woorden zijn gesproken. God heeft de synode zo willen leiden, dat we een blijvende opdracht ten opzichte van elkaar houden. Met het oog op die blijvende opdracht wordt een conferentie als deze vandaag gehouden. Want een deel van de besluiten, die door de synode genomen zijn, is van formele aard. Dat wil zeggen, dat b.v. in de zaak-Amersfoort over een aantal zaken uitspraken zijn gedaan over wat er juist is geweest of fout is gegaan, maar dat over de inhoud van de kwestie zelf verder moet worden gesproken op de classis Amersfoort, zij het met de hulp van een synodale commissie. Of, om een ander voorbeeld te noemen, ten aanzien van het examineren van een afgewezen kandidaat zijn wel regels geformuleerd, maar over de inhoud van het omstreden examen is, voorzover mij bekend, geen uitspraak gedaan.

Genoeg voor ons om vandaag tegen elkaar te zeggen: als de generale synode van 1986 hoopvol is verlopen en afgesloten, dan kon dat alleen maar, als de ernstige wil aanwezig is en tegelijk het ernstige gebed, dat allen in ons kerkverband elkaar van harte en met inspanning van veel krachten zoeken. Deze dag is ervoor bestemd om daar een kleine bijdrage aan te leveren.

Basis

Ons kerkelijke samenleven heeft een grondslag: zoals u weet, de Schrift, de Drie formulieren van enigheid en de aangenomen kerkorde. Deze aangenomen basis is buitengewoon kostbaar. Van ons allen mag worden aangenomen, dat ze ons lief is en dat we ons daarmee ook geregeld bezig houden. We raken hiermee immers nu direct al de betekenis van het woord “eenheid”.

Er is ter synode nog wel eens een besluit genomen ter wille van de eenheid in ons kerkelijk leven, b.v. op het punt van de liturgie of van de gesprekken met de Nederlands Gereformeerde Kerken. Gevraagd werd dan wel: bedoelt u nu een formele of een geestelijke eenheid? Ook werd ter synode dan wel gezegd: als we nu iets doen of nalaten terwille van anderen in de kerken die over iets anders denken dan wij zelf, dan moeten we ons nog niet verbeelden, dat we iets gedaan hebben aan de eenheid van de kerk. Want de echte vragen liggen veel dieper. Wat is die eenheid?

De vraag of we over kerkverbandelijke of over geestelijke eenheid spreken, is eigenlijk een onmogelijke vraag. Het mag geen tegenstelling zijn. Er is in de kerk geen eenheid dan in Christus. Prof. Van ’t Spijker wijdde hieraan zijn artikelen van de laatste weken in De Wekker. Hij sluit, hoe kan het ook anders, aan bij Johannes 17 en schrijft dan o.a.: En zo vloeit uit de overdenking van dit heerlijke woord van Christus een drievoudige les met betrekking tot de eenheid van de kerk. Ik bedoel dan wel te verstaan de geestelijke eenheid. Een eenheid in liefde zal het zijn, maar niet in de onze doch in die van de Vader. Een eenheid in aanvaarding van elkander zal het zijn, “gelijkerwijs Christus u aanvaard heeft”. En ten slotte: een eenheid van de Geest zal het zijn, die niet toelaat om weerbarstige karakters af te schrijven (De Wekker, 6 maart 1987).

We mogen deze eenheid nooit als een formaliteit beschouwen, want ze raakt het bestaan van de kerk als zodanig, immers als het lichaam van Christus. Buiten Hem is geen leven. We hebben het over de Geest, die in Hem als het Hoofd, en in ons als zijn lidmaten woont. En hoewel we weten, dat het nog verschil uitmaakt of we over de kerk spreken, zoals ze voor God bestaat en zoals ze zich vertoont voor het oog van de mensen, zullen we er steeds aan werken, dat die twee elkaar zo veel mogelijk zullen dekken.

In een gereformeerd kerkverband ligt de eenheid in Schrift, belijdenis en kerkorde, in niets meer en niets minder. Niets meer; niet in theologische opvattingen, van oudere of nieuwere schrijvers overgenomen; niet in het elkaar de maat nemen naar maatstaven die we aan de Schrift opleggen, op straffe dat we in de sektarische hoek terechtkomen. Ook niets minder; onze belijdenis heeft de Schrift zo sterk en diep verstaan, dat ze ook zelf steeds weer naar de Schrift heenleidt; ook zo, dat ze spreekt over de eenheid van de Schrift; over het onderscheid tussen het Oude en het Nieuwe Verbond; ook zo, dat ze weet van het centrum van de Schrift, waar alles heen leidt en van waaruit ook alle lijnen lopen naar de fijnste vertakkingen van ons leven. De hoogte, lengte, diepte en breedte van Gods werk worden aangewezen. Het werk van de Drieënige God in alle aspecten komt aan de orde.

Binnen die eenheid is een levendige verscheidenheid. Dat kan zelfs niet anders. De eenheid werkt zich uit in een grote veelkleurigheid. De verscheidenheid werkt samen in een grote eenheid, onverbrekelijk.

Bijbels gesproken moet ik hiervan uitgaan. Ik heb niets anders om van uit te gaan. Velen van u zullen onmiddellijk moeten denken aan de werkelijkheid, die zo droevig strijdt met wat ik hier gezegd heb, en wel in twee opzichten. Ten eerste de schandelijke kerkelijke verdeeldheid, en ten tweede het beneden de maat blijven van het concrete werkelijke kerkelijke leven. Toch kunnen we niet anders dan zó over de basis spreken. Denk ook niet, dat de kerken van de Afscheiding gezocht hebben naar een pure kerk van enkel wedergeborenen of gelijkgezinden. Ze waren niet separatistisch en hebben moeten strijden tegen allerlei sektarische invloeden. Ze hebben eenvoudig een trouwe kerk van gereformeerde belijdenis willen zijn. Nog steeds verklaren wij ons bereid om ons te verenigen met elke op Gods Woord gegronde vergadering. Welnu, als we een basis hebben, dan hebben we ook een vertrekpunt. In ons kerkelijke handelen, in onze omgang met elkaar, gaan we van dit vertrekpunt uit ten opzichte van elkaar. Velen van ons hebben meer dan eens deze basis met hun handtekening bezworen. Daar willen we aan gehouden worden, daar mag men ons op aanspreken. En als we daaraan niet zouden beantwoorden, dan hopen we daarheen teruggebracht te mogen worden. Daarmee is natuurlijk niet alles gezegd. Het betekent ten eerste de grondslag van ons wederzijds vertrouwen. Wij vertrouwen erop, dat anderen die toch wel wat anders staan in de kerk dan wij, toch volstrekt dezelfde Heiland hebben, uit genade hopen zalig te worden door het geloof en in Christus geschapen zijn tot goede werken. En die anderen met wie wij wel eens een verschil van mening hebben, zullen er zonder meer van uitgaan, dat wij een even dierbaar geloof deelachtig mogen zijn. Dat hangt immers samen met het feit, dat wij geen volkskerk en geen sektarische kerk maar een belijdende kerk zijn, zodat we geen vage en geen wankele maar een vaste basis mogen hebben.

Maar in de tweede plaats moeten we van een vertrekpunt uit verder komen. We leven niet in een statische, maar in een dynamische tijd. Telkens weer staan we voor nieuwe en vaak onverwachte gevaren, uitdagingen en mogelijkheden. In Schrift, belijdenis en kerkorde vinden we grondslagen en grondvormen, maar geen uitgewerkte modellen. In de Schrift zelf vinden we dat al. Gij kent de geboden, zegt de Here Jezus. Maar in de Bergrede legt Hij ook uit, hoe ver Gods gebod gaat. Men sprak vroeger al van de geestelijkheid van de wet. Als de apostelen de positie van de christenen in de wereld ter sprake brengen, zeggen zij: wandelt als kinderen van het licht. Beproeft wat de Here welbehaaglijk is. Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder? Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods. De eeuwen door zijn christenen voor ver strekkende ethische vragen komen te staan, dat zijn dus de vragen die betrekking hebben op de toepassing van Gods geboden in het leven van alle dag. Het is niet nieuw en onverwacht, dat wij daarmee in onze tijd te maken krijgen. Misschien zijn het moeilijker vragen dan vroeger. Maar ik denk, dat vorige geslachten hun vragen even moeilijk gevonden zullen hebben als wij vandaag onze vragen.

Erfenis

En dan is er nog iets anders, dat ons vertrekpunt met zich meebrengt. Wij staan immers niet in een blanco situatie. We hebben een erfenis. Ik bedoel nu een kerkelijke erfenis. Ik noem enkele dingen van die kerkelijke erfenis.

Wat daarin allereerst opvalt, is het verlangen naar een eerbiedige en tedere omgang met de Here, een levenshouding van ootmoed en bescheidenheid, wetend dat de Here lust heeft in waarheid in het binnenste. Waar we dat bij anderen ontdekten, gingen al spoedig de harten open. Daar zat zeker wel een subjectief element bij, maar de ootmoed bewaarde voor een hard oordeel over anderen. Hoewel we van een goede dogmatiek hielden, was dogmatische rechtlijnigheid niet ons kenmerk. Een leersysteem waaruit we voor het hele leven conclusies trokken, hadden we niet. We meenden dat anderen dat wel eens te veel deden, b.v. uit de doop. Bepaalde bezwaren, bijvoorbeeld tegen de vereniging van 1892, werden meer aangevoeld dan beredeneerd.

Een tweede van die erfenis hangt met dat eerste samen, namelijk de verdraagzaamheid ten opzichte van elkaar. In andere kringen werd dat wel eens heel vreemd gevonden. Ze redden het daar toch maar, kon je lezen. Het is er een dooie boel, schreef een ander. Nog onlangs werd tijdens een officiële bijeenkomst, het afscheid van professor Oosterhoff in Apeldoorn, de mildheid van de oudere generatie in onze kerken, geroemd, en daarbij werd dan niet naar één kant gekeken. Wij zijn altijd een wonderlijk samenraapsel geweest. Ons zelfstandig blijven in 1892 betekende, dat we in bijna alle opzichten opnieuw moesten opbouwen. Zoals bekend was de Christelijke Gereformeerde Kerk sinds 1869 samengesteld uit de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerk, voorheen Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis. De eerste groepering was wel tien maal zo groot als de tweede, zo blijkt uit vergelijking van de gegevens uit jaarboekjes van die tijd. Hoewel in de eerste groepering de bevindelijke inslag niet ontbrak, meegebracht uit de Afscheiding en de Nadere Reformatie, werd zij toch door velen als nogal voorwerpelijk gezien. Van de twee figuren op de voorgrond was Wisse afkomstig uit de Kruisgemeenten, terwijl Van Lingen uit de Hervormde Kerk kwam, even met de Doleantie meeging, maar pas vrij kort voor 1892 christelijk gereformeerd was geworden. Van de oudste predikanten waren Wessels, Draijer, Gezelle Meerburg, Jonkman en Kreulen afkomstig uit Christelijk Afgescheiden kring, de predikanten Van Brummen, Schotel, Van der Vegt en Wijdoogen uit die van de Kruisgemeenten. In het Noorden waren slechts Kruisgemeenten geweest in Bierum en Hollandscheveld. Janssen en De Bruin kwamen uit een hervormde achtergrond; Van der Heijden en Lengkeek oorspronkelijk uit de kring van de Kruisgemeenten. Maar voor velen was na 1892 de Christelijke Gereformeerde Kerk een spelonk van Adullam, bevolkt met mensen wier ziel bitterlijk bedroefd was of die een schuldeiser hadden, maar wel met een belofte van Davids toekomst. Van Lingen, zelf een bevindelijk man, waarschuwde sterk tegen een subjectivistische invloed en tegen een predikant worden zonder studie. Pas later, vooral na de dogmatische invloed van Van der Schuit, zelf opgegroeid in de Haagse gemeente van Wisse sr., ging meer en meer duidelijk worden wat de leer van Calvijn werkelijk betekende. Het is wel te begrijpen, dat in een vorige gemeente iemand eens tegen mij zei: Sinds Van der Schuit is het met de kerk verkeerd gegaan.

Al deze invloeden, samen met het feit dat we nooit tot een groot kerkverband uitgegroeid zijn en dus elkaar nogal bleven kennen, maakten dat er in onze kerken een klimaat was en bleef van elkaar vasthouden en niet uit het oog verliezen. Het gaat mij te ver om te zeggen, wat ik ook wel eens hoorde, dat het een van onze hoofdkenmerken is om elkaar de ruimte te geven. Dat is mij te onbegrensd en niemand weet waar je dan uitkomt. Schrift, belijdenis en kerkorde zijn immers niet alleen onze basis, maar ook onze begrenzing.

Het derde, dat ik als een stuk erfenis wil aanmerken, is dat we een visie hadden op de nodige eenheid van hen, die op dezelfde basis willen staan. Het was in 1947 dat de generale synode een deputaatschap instelde voor eenheid onder de gereformeerde belijders en correspondentie met buitenlandse kerken. Onze kerken kregen na de oorlog, toen Nederland zich herstelde, een nieuw elan om temidden van het verdeelde kerkelijke Nederland zich positief op te stellen. Met grote belangstelling was onder ons het conflict in de Gereformeerde Kerken gevolgd. Het was niet onduidelijk aan welke kant onze sympathieën lagen en onze hoop was gewekt. Maar er waren meer gereformeerde belijders om ons heen. We hoopten een brugfunctie te kunnen vervullen. Zelf kregen we meer oog voor een belijnde theologie. Voor een eigen christelijke gereformeerde theologie was terecht geen plaats. Wel werd meer en meer gezien, dat het waardevolle van de Nadere Reformatie niet wegnam, dat de accenten anders lagen dan bij de eigenlijke Reformatie. Bovendien kwam in de opleiding in Apeldoorn de nadruk sterker dan vroeger te liggen op een diepgaande Schriftuitlegging. Een niet eenvoudige opgave bleek het te zijn, hoe de gevonden uitlegging haar weg moest vinden naar de gemeente in de prediking en in het pastoraat. Veel jongere predikanten worstelden daarmee.

De ontwikkelingen in de kerkelijke verhoudingen stelden de visie op de noodzakelijke eenheid wel op de proef. Het was bij ons niet alleen maar goed. Het was bij anderen niet alleen maar verkeerd. En ondertussen werden we meer en meer kerk in de geseculariseerde wereld, met afval en verleiding van de nieuwere theologie om ons heen. Het werd er niet gemakkelijker op.

Met het genoemde, de ootmoed, de mildheid en een visie op nodige eenheid, heb ik zeker niet alles van onze erfenis genoemd, maar het zijn wel zaken, die tot nog toe ons kerkelijke leven hebben gestempeld en waarin zo veel waardevols zit, dat we het slechts tot grote schade kunnen vergeten. We zouden nu moeten zien om wat verder te komen. Ook vroeger zijn er hele verschillen geweest. Ook vroeger werd niet elke predikant overal uitgenodigd. Ook vroeger was het in het Noorden over het algemeen zo dat wie belijdenis gedaan had, ook Avondmaal vierde. Elders was dat dikwijls heel verschillend. In het Noorden achtte men zich daarmee nog geen verzekerd gelovige. Elders betekende het niet-aangaan nog niet, dat men onbekeerd voortleefde. Maar de bakering was verschillend. Er was weinig migratie, behalve bij de dominees. Het onderlinge vertrouwen op hoofdpunten was nog niet geschaad. Er waren op de synoden soms wel spanningen (een twee maal verschenen tegen-blad tegen De Wekker door docent De Bruin in 1913, de professorenbenoeming in 1922, de zaak-Berkhoff in 1934), maar ze werden niet tot tegenstellingen.

Geschaad vertrouwen

Waardoor werd dat vertrouwen geschaad? Het is mijns inziens niet door één zaak aan te duiden. Een grote rol heeft naar mijn mening de theologische ontwikkeling gespeeld: de grotere nadruk op de exegese en in dogmatisch opzicht het toenemende inzicht, dat Reformatie en Nadere Reformatie verschillende accenten leggen. Een tweede invloed zie ik liggen in de grotere openheid, naar buiten doordat we met zoveel te maken kregen in de naoorlogse wereld, waar we vroeger nooit over hoorden, en naar binnen doordat steden en dorpen veranderden en we eikaars verschillen meer ontdekten dan vroeger. Hiermee hing samen, dat de noden, uitdagingen en bedreigingen van de moderne wereld veel meer op ons af kwamen dan vroeger het geval was. Daardoor veranderde bijna iedereen in zijn dagelijkse leven. Moest de kerk, moest het leven op de zondag, mee veranderen, althans in herbezinning, misschien ook in andere vragen of andere antwoorden, òf was het geboden om temidden van wat vliedt of bezwijkt, het vaste steunpunt vast te houden, dat de kerk in haar spreken, haar voorbeeld en haar houding te bieden had? Anderen, buiten onze kerken, zagen onze exegeten aan het werk en bestempelden hun arbeid als gematigde Schriftkritiek, waarmee ze bewezen hen niet te kennen noch te begrijpen. Onze dogmatici, Van der Schuit, Van Genderen en ook W.H. Velema, lieten zien dat het verkeerd is om de Reformatie te verstaan vanuit de invalshoek van de Nadere Reformatie, met name als het gaat om de toepassing van het heil, het werk van de Heilige Geest. Voor velen was dit een verademing, anderen gingen daarin niet mee. Termen uit de politiek als progressief-conservatief of uit de nieuwe theologie als verti- caal-horizontaal, werden in de kerk ingedragen en deden daar negatief werk, terwijl ze op de kerk niet toepasbaar zijn. De noodzaak, waarvoor velen zich geplaatst zagen, vanuit de basis verder door te denken over de vragen en noden van de moderne tijd, werd niet door iedereen erkend. Ze leverde ook risico’s op, evenals trouwens het sluiten van de ogen voor die vragen. De vraag kwam op, of de aandacht voor nieuwe vragen toch niet betekende, dat er minder oog kwam voor de diepste nood van de mens: hoe word ik rechtvaardig voor God? Het antwoord, dat aan de rechtvaardiging de heiligmaking verbonden is en dat dan de zaken concreet moeten worden, bevredigde niet ieder. Velen zeiden: met al die dingen heb je de eigenlijke nood niet gepeild. De mens zal zich zondaar voor God moeten weten. De breuk wordt op het lichtst geheeld, of, zoals het nog niet zo lang geleden op een classisvergadering werd gezegd: je kunt discussiëren en confereren wat je wilt, maar het zal niets helpen; de dood verstaat het leven niet. In een ambtelijke vergadering een van de ergste dingen die ik ooit heb horen zeggen. En temidden daarvan worden de signalen steeds sterker van kerkvervreemding en kerkverlating door jongeren, ook in onze kerken. Is dan de onderlinge, afgesproken grondslag verworden tot een formaliteit, ondanks alle goede bedoelingen? In samen- sprekingen met anderen, voornamelijk de Nederlands Gereformeerde Kerken, werd een inzicht en een praktijk ten opzichte van prediking en geloofsleven gevraagd, dat we kennelijk vaak ook onvoldoende bij elkaar herkennen. Heeft de nieuwe theologie sluipend ook onder ons haar intrede gedaan? Zijn we een Hervormde Kerk in het klein geworden? Confessioneel betrouwbaar, zijn we dat niet langer of worden we dat niet langer geacht, tenzij het tegendeel blijkt?

Knelpunten

Ik moet het nu met u over enkele knelpunten hebben. Het meest zorgelijke knelpunt vind ik, dat we elkaar zo afschuwelijk hebben ingedeeld. Het betekent een verlamming, zo niet de doodsteek voor het samen kerk-zijn, voor kerkelijke arbeid en kerkelijk vooruitzicht. Ik mag bij niemand kwade opzet veronderstellen. leder zoekt het beste. Maar ik constateer een verdenking en een wantrouwen, waarmee niet te leven valt, tenzij men alles van zich af wil schudden of op een formele manier met elkaar omgaat. Voor ieder te constateren is het selecteren van predikanten bij het voorgaan in bepaalde gemeenten, de partijdige afvaardiging naar meerdere vergaderingen en het uitkiezen van verwante gemeenten door gemeenteleden bij verhuizing. Na de generale synode is hieraan geen einde gekomen. Er is een verregaande vervreemding van elkaar gekomen, die hoe langer hoe meer tot het vormen van karikaturen van elkaar leidt. Veel gemeenteleden in het Noorden hebben er geen flauw idee van hoezeer in het Westen sommige gemeenten totaal langs elkaar heenleven, waarbij de buitenstaander zelfs niet op het idee zou komen, dat het hetzelfde kerkverband betreft.

Verder noem ik u een viertal concrete knelpunten. Het eerste is dat over de verhouding van de Reformatie en de Nadere Reformatie. Op twee hoofdpunten heeft de Nadere Reformatie zich geconcentreerd: ten eerste op de innerlijke beleving van wat uitwendig werd beleden; ten tweede op de praktische uitwerking naar het leven van iedere dag van de geboden van God. Het geestelijke leven is diepgaand uitgewerkt; volgens sommigen betekende dit een noodzakelijke uitwerking van wat de reformatoren hadden geschreven; volgens anderen een riskante systematisering met een precies indelen van het geestelijke leven, met het opleggen van een juk dat de Schrift niet oplegt. Dikwijls werd Calvijn gelezen door de bril van latere schrijvers; volgens de een was dat wettig, volgens de ander een vervorming. Hierover is de laatste tijd nogal eens geschreven, met name door professor Van ’t Spijker. Hierop gaat terug dat men bij de ene predikant het geestelijke leven meent te bespeuren, het bij de andere in twijfel trekt en bij een derde mist. Hiermee hangt veel samen. Betekent de volgorde ellende-verlossing-dankbaarheid een schema en een weerspiegeling van het geestelijke leven? Mag aan de gehele gemeente de belofte gepredikt worden? Wat betekent het, dat de gemeente verbondsgemeente is? Betekent dat een praktische, stille ontkenning van de doodstaat van de mens? De hele beoordeling van de prediking door de ouderlingen hangt hiermee samen. In de theologische opleiding in Apeldoorn wordt hieraan veel aandacht gegeven, exegetisch, historisch, dogmatisch, praktisch, maar de verwerking ervan in de gemeente is naar mijn mening onvoldoende. Het was in de zaak rondom het peremptoir examen van kand. D. A. Brienen, dat de kortsluiting ontstond in de verhouding van de Reformatie en de Nadere Reformatie.

Een tweede knelpunt gaat over ethische zaken, of, als u wilt, over de vraag, op welke manier de vaste lijn uit het Woord van God en de belijdenis moet worden toegepast in het dagelijkse leven met zijn persoonlijke en structurele zonden en zwakheden. Hier spitste zich ons kerkelijke vragen toe in de behandeling van de kwestie-Amersfoort. Na het verschijnen van de brochure “Verder in vertrouwen” kwam de vraag op of de opstellers van deze brochure wel helemaal wilden staan op de basis van Schrift en confessie. Maar na de ambtsdragersconferentie van 1986, toen over deze vraag werd gesproken, mocht het voor niemand meer een twijfelvraag zijn of deze schrijvers wel van overtuiging waren dat de wet van God volstrekt geldig is in onze tijd. Hun vraag was alleen op welke manier Gods blijvende wet in een geseculariseerde samenleving kan worden toegepast. Op dit punt moge men van mening verschillen, het mag niet aan twijfel onderhevig zijn of er iemand van onze ambtsdragers is, die niet van harte achter Schrift en belijdenis staat. Het werd de schrijvers van een ander geschrift, “De Geest schrijft wegen in de tijd”, soms wel kwalijk genomen, dat zij zich vaak op wijlen ds. Op den Velde beriepen. Maar ik hoor diezelfde Op den Velde nog, jaren geleden, op een conferentie zeggen dat het een van de zwakheden van ons kerkelijke leven is, dat we ons zo weinig bezonnen hebben op de ethische vragen. Dat is na die tijd wèl gebeurd, maar het blijft toch moeilijk, zo blijkt wel.

Een derde belangrijk knelpunt is de verhouding tot andere kerken, met name de Nederlands Gereformeerde Kerken. Ik bespreek de aspecten niet, maar constateer dat er onder ons een sterke verdeeldheid door is ontstaan. In sommige classes geeft het grote problemen. De classis Zwolle is er het duidelijkste voorbeeld van. Het hangt samen met de hierboven aangeroerde verschillen over de prediking en de Nadere Reformatie. Synoden spreken een- en andermaal over de roeping deze kerken te zoeken, maar zeggen tegelijk dat de verschillen over de toeëigening des heils verder besproken moeten worden. Synoden zeggen dat er een roeping tot kerkelijke eenheid is, maar waarschuwen de eenheid in eigen kerkverband niet uit het oog te verliezen. Maar remmen en gasgeven tegelijk is slechts voor enkele seconden soms nodig; anders verniel je je wagen. Wat moet op het ogenblik voorrang hebben? Daar nog bij gerekend, dat in toenemende mate ook onder ons wordt ingezien, dat de verdeeldheid van het kerkelijke leven in Nederland zo niet mag blijven doorgaan. Welke perspectieven zijn er nog? Of breekt de Here alles bij ons af?

Een vierde belangrijk knelpunt gaat over de liturgische verschillen onder ons. leder zal snel zeggen dat het hem daar niet in zit. Maar er wordt wel veel aan opgehangen in de praktijk. Evenals bij het vorige knelpunt wordt bij dit punt gezegd, dat we moeten denken om de eenheid van het kerkelijke leven. Even vaak wordt gezegd dat, als de eenheid in deze dingen zit, ze niet diep zit. Bijbels gezien hangt hiermee de vraag samen, wat eenheid en verscheidenheid in het Nieuwe Testament betekent. Mag men werkelijk uit teksten als Rom. 15:6, “opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken”, de conclusie trekken dat het kerkverband met beroep op de eenheid in Christus voorschrijft wat er gezongen mag worden? Ik voor mij noem dit knelpunt als laatste van mijn vier concrete dingen, omdat ik vind dat we op dit punt de zaak niet op scherp moeten stellen, maar voor velen vormt de synodale beperking een groot verdriet en ik kan mij dat voorstellen. De overheid kent knelpuntennota’s en daar wordt dan mee gewerkt om tot betere oplossingen te komen. Hoewel dat niet eenvoudig is, wil ik dat met u ook proberen.

Opdrachten

Allereerst wil ik van allen in ons kerkverband een grote openheid en een aanvaarden van elkaar vragen. Een generale synode kan ook weinig doen. Ze kan niet buiten haar agenda gaan. Ze vergadert ook maar eens per drie jaar. Ze kan aan particuliere synoden opdracht geven om een zaak opnieuw te behandelen. Een particuliere synode kan aan een classis de opdracht geven om haar huiswerk over te doen. Een classis kan en moet doen wat haar taak en opdracht is. Op classicaal niveau wordt het kerkverband geoefend en beoefend. Daar wordt ernaar gevraagd, hoe het in eikaars gemeente gaat, welke vreugde en welke pijn men heeft, wat men doen kan om elkaar bij te staan in oude en nieuwe vragen, daar worden kandidaten geëxamineerd en toegelaten tot het hele kerkverband, daar worden de classisbeurten verdeeld in de vacante kerken, daar is het een zegen om elkaar te zien en te spreken. Iets van de wijdheid van de katholieke kerk wordt daar in een overzichtelijk geheel zichtbaar en de saamhorigheid van het hele kerkverband wordt daar tastbaar. Ik spreek hier niet over een onbereikbaar ideaal maar over een roeping. Daar, waar het in classicaal verband moeilijk is - dat is in meer dan één classis - daar moet men elkaar zoeken. Als het nodig is, moeten de predikanten daarmee beginnen. Als het waar is, wat na de generale synode gezegd is, dat er een zekere openheid was, een bereidheid om eikaars visie te wegen, dan moet men dat in de classisvergadering doen. Als het in een gemeente, in een kerkeraad verdeeld ligt, dan moet daar in openheid en wederzijdse bereidwilligheid gesproken worden. We zullen moeten beginnen met elkaar te vertrouwen en erop aan te kunnen, dat eikaars bedoelingen in oprechtheid positief worden opgevat. We zullen moeten ophouden met de neiging, ik denk ook het verschijnsel, accentsverschillen op te blazen tot leergeschillen. We zullen moeten erkennen dat er accentsverschillen zijn, maar het is een groot verschil of men die binnen de belijdenis ziet vallen.

Een moeilijk punt is onder ons de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, gezien tegenover de verplichtingen ten aanzien van het kerkverband. Hierbij aarzel ik zelf nogal eens inzake de vraag over de prioriteit. Op het ogenblik ben ik geneigd, gegeven de situatie in onze kerken, om te zeggen, dat we voor het ogenblik meer moeten werken aan samenwerking binnen het kerkverband dan aan riskante stappen die telkens anderen blijken te irriteren. Concreet gezegd zou dat moeten betekenen, dat men in samenwerkingskerken voor het ogenblik pas op de plaats zou moeten maken ter wille van die kerken, die dat niet of nog niet kunnen of willen. Maar ik zou dat voorrang geven aan het eigen kerkverband alleen willen toegeven als een tijdelijke maatregel, als het ware om orde op zaken te stellen om daarna zo spoedig mogelijk verder te gaan. Maar we moeten op het ogenblik wel iets doen om elkaar binnen dit kerkverband te zoeken; het ligt nog heel moeilijk. Ik weet wel zeker dat onze nederlands-gereformeerde broeders daar alle begrip voor zullen hebben.

Tegelijkertijd mogen we niet vergeten de drang en het appel dat er, meer dan vroeger, ook op onze kerken gedaan wordt om hen, die de gereformeerde belijdenis liefhebben, samen te brengen. In mijn somberste momenten word ik bijna independent en denk: laat ieder maar aan zijn eigen gemeente genoeg hebben en dankbaar zijn, als hij daar iets van het lichaam van Christus beleeft. Maar tegelijk bedenk ik, dat in de Schrift het woord “gemeente” zowel in het enkelvoud als in het meervoud voorkomt en dat er één katholieke kerk van Christus is. In andere ogenblikken let ik erop, dat de Here dit kleine en zwakke kerkverband al zo lang en zo vaak heeft willen leiden, dat ik er ook voor de toekomst niet bang voor behoef te wezen. Maar dan hoop ik heel sterk dat er een zegen in zal mogen liggen voor een grotere eenheid naar andere kerkverbanden toe.

We moeten ophouden met elkaar in te delen en met elkaar te irriteren. We moeten ophouden met elkaar verdacht te maken. Dominees willen in plaatselijke kerkbladen wel eens meer zeggen dan ze kunnen verantwoorden. Het moeilijkst is het haast, als er gezegd wordt: ik wil niemand beschuldigen, maar... Dat is zo ongrijpbaar. Daar moeten we van af. Als er iets is, moet het gezegd worden. Als het vaag of vermoed is, moeten we zwijgen of bij de betrokkene om duidelijkheid vragen. We moeten elkaar hoog houden. We moeten elkaar niet afkraken of met een half woord in een hoek zetten.

Er wordt ook nog wel eens gewerkt met het onpersoonlijke “men”. Men zegt dan, enz., zo kun je nog wel eens lezen. De betrokkene, die het leest, voelt zich misverstaan of te kort gedaan. Maar het kwaad doet wel zijn werk.

Kortom, we zullen elkaar ons vertrouwen geven op grond van onze ondertekening van de belijdenis, en dan niet zwijgen, maar al onze inzet geven om verder te komen, om te bouwen en niet om af te breken.

Uitzicht?

Ik kan het niet helpen, dat ik nog steeds wat somber ben over ons kerkelijke samenleven, althans wanneer ik let op de manier, waarop we met onze moeilijkheden omgaan. Daar staat natuurlijk veel tegenover, dat we nooit mogen vergeten.

Gods trouw is dagelijks zo groot over ons. Het Evangelie mag gepredikt worden. De sacramenten worden bediend. Christus heeft zijn bloed niet voor niets gestort. In veel gemeenten en classes is er vrede. Er komen oudere en jongere mensen tot geloof en bekering. Het zendingswerk gaat door. De theologische opleiding vindt goede voortgang. Er is oog voor noden om ons heen.

Maar het is heel hard nodig om aan onderlinge eensgezindheid te werken, en dan niet om in en bij onszelf te blijven, maar om te werken aan alles, wat de Here nog meer aan zijn kerk opdraagt.

Als ik in het geloof mag leven, dan strekt dat geloof zich ook uit tot mijn plaats en mijn taak in het kerkelijke leven. Daarbinnen heb ik het ontvangen, daar mocht het tot ontplooiing komen, daar mag het ook ingezet worden.

Als het waar is, dat de brief aan de Efeziërs aan een kring van gemeenten is geschreven, dan geldt ook van het kerkverband: Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.