+ Meer informatie

Openingswoord OUDERLINGEN - EN DIAKENENCONFERENTIE OP ZATERDAG 10 APRIL 1976 IN AMERSFOORT

5 minuten leestijd

Waarde broeders,
Het is niet mijn bedoeling vanmorgen een wijdlopig openingswoord te spreken. Voor U allen een hartelijk welkom hier in Amersfoort. Een bijzonder woord van welkom voor onze gastspreker van vandaag, ds. H. Toorman.

In vroeger jaren, ten tijde van het voorzitterschap van mijn voorganger, br. Geleynse, bevatte het openingswoord vaak een hoeveelheid behartigenswaardige adviezen, openhartige kritieken en vermaningen en warmhartige woorden van bemoediging. Hoewel er in de sfeer van ons ambtelijk werk ook vandaag op veel te wijzen en over veel te spreken zou zijn, wil ik mij toch graag enige beperking opleggen. Er is echter één ding waarover ik persoonlijk tamelijk bezorgd ben en waarvan ik U graag deelgenoot maak. Wellicht sta ik er alleen in. Misschien herkent U Uw eigen situatie erin.

Mijn bezorgdheid heeft betrekking op de begeleiding, die wij onze jonge mensen geven op huisbezoek en catechisatie, speciaal waar het aankomt op de verwerking van tegenstellingen tussen de nieuwe inzichten van vandaag en de geloofsopvattingen die men van thuis meekrijgt. Ik heb de vrees, broeders, dat we daartoe te weinig toegerust zijn. Tenzij ik mij vergis of overdrijf, maar ik geloof dat veel meer jonge mensen in een diepe geloofscrisis verkeren dan voor ons aan de oppervlakte misschien waarneembaar is. Ik denk daarbij niet het laatst aan onze middelbare scholieren. Misschien geldt wat ik nu zeg niet zo direct van jongeren die in een duidelijk „beschermde” omgeving studeren of werken, maar wel van velen die op scholen of in werkgemeenschappen verkeren waar het moderne denken de vrije loop heeft. Uit gesprekken met jongeren meen ik vaak te moeten concluderen dat er — althans in het westen van het land — heel wat zijn die zo gezegd met een gelovig hart maar tegelijk met een atheïstisch hoofd rondlopen en die zich daarbij erg eenzaam voelen.

In gemeenten hier en daar worden vandaag toch heel wat gezinnen geteld met kinderen bij wie de confrontatie met allerlei nieuwe opvattingen en denkbeelden een proces van losweking van de kerk in beweging zet of verergert. En laten we eerlijk zijn, broeders, het is ook niet eenvoudig om temidden van alle vragen rond het Godsbestaan, de wording van mens en wereld, Gods handelen in het leven van de volkeren en dat van de enkeling in de volstrekte uniekheid van het christelijk geloof boven alle andere grote wereldgodsdiensten, als jongere overeind te blijven. Ook ouderen kunnen het er moeilijk mee hebben. Ouders, leraren en ook ambtsdragers weten op de hier liggende problemen van onze jongeren veelal niet adequaat te reageren. Gesprekken over deze dingen tussen ambtsdragers en jongeren verlopen in de regel tamelijk onbevredigend. Te veel wordt door ons om de vragen heen gegaan of er wordt tamelijk veel onzin gelanceerd. Wellicht heb ik me daar zelf ook wel eens aan schuldig gemaakt. Natuurlijk, er worden ook wel zinnige dingen gezegd, maar ik geloof dat het veel ambtsdragers ontbreekt aan het vermogen de geloofsinventaris die zij meedragen, tegen de achtergrond van wat zich aan nieuwe gedachten vandaag presenteert, op een zodanige manier opnieuw door te denken, dat zij de jonge mensen van vandaag in hun problemen enigermate weten op te vangen. We doen er waarschijnlijk ook niet voldoende ons best voor en we behoeven daarbij misschien wat méér voorlichting dan we nu krijgen.

Nu gaat het mij er niet om dat de ambtsdragers op alle vragen van vandaag een pasklaar antwoord bij de hand zullen hebben. Wel pleit ik er voor dat zij zich zullen oefenen in een eerlijke strategie, waarmee men zich tegenover de aangeduide problemen met het Woord van God in de hand kan opstellen. Overtuigender dan nu vaak gebeurt.

Om vooral de jonge gemeente van Christus goed te kunnen begeleiden zijn voor ons twee dingen nodig. Allereerst een intensieve omgang met het Woord van God en vervolgens een zich goed verdiepen in de opvattingen en denkbeelden die vandaag over de markt gaan.

Bij alle tijd die het ambtelijk werk en ook ons gezin van ons vraagt, roep ik II en mij zelf daartoe dringend op. Bij het licht van Gods Woord moeten we ons — met de nodige selectie, omdat we anders in een zee van papier verdrinken — verdiepen in wat vandaag op godsdienstig terrein op papier wordt gebracht.

Wat ik U ook kan aanbevelen, broeders: grijpt U van tijd tot tijd eens naar een oude schrijver. Er zijn mensen die menen dat de oude schrijvers bij de asbak kunnen worden gezet. Voor anderen hebben ze alleen antiquarische waarde. Ik zeg niet dat er na de oude schrijvers nooit meer iets waardevols op papier is gebracht, maar wie wil nadenken over de verborgenheden van het geloof komt in de soms zeer wijdlopige geschriften van de oude vaderen af en toe diepe en rijke gedachten tegen.

En met deze terugblik in het verleden sluit ik dan mijn openingswoord af. Ds. Toorman zal ons nu op de toekomst richten. Aan hem is het woord, nadat we eerst nog het 4e vers van psalm 98 hebben gezongen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.