+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

13.

Nu moeten we weer Prof. Oosterhoff citeren. „Maar voor de Israëliet waren aan een slang meer associaties verbonden dan dat het alleen maar een gewoon dier was. Trouwens in heel de cultuurwereld van het oude oosten was dat het geval. En wanneer wij het paradijsverhaal lezen, moeten wij ons dat proberen in te denken. Om het O.T. goed te verstaan moeten we twee dingen doen. We moeten eerst de taal van het O.T., het Hebreeuws, leren kennen. Een vertaling is voor de meeste mensen een prachtig hulpmiddel, maar het is slechts een hulpmiddel en er gaat door een vertaling veel van het oorspronkelijke „aroma” verloren. Maar een tweede is niet minder nodig, namelijk de oude cultuur- en denkwereld, waarin het O.T. ontstaan is, ons eigen maken. Dat is moeilijker dan het leren van de taal. En toch is het nodig. Anders maken we telkens weer de fout het O.T. te lezen als was het een westers boek. En we maken het los van heel de religieuze denk- en voorstellingswereld, waarin het gegeven is.

Zo moeten we ook het paradijsverhaal proberen te verstaan in het raam van de oude cultuurwereld, waarin Israël het gehoord en verstaan heeft. Zeer terecht heeft Hugo Visscher daarop reeds gewezen, wanneer hij zegt, dat in het oog moet worden gehouden, dat de slang in Gen. 3 „de slang is, niet zoals wij dit dier aanzien en beschouwen, maar zoals zij beschouwd werd in het cultuurmilieu, waarin Mozes zich bevond, waarbij ik dan even in het midden laat of Mozes de schrijver van Gen. 2 en 3 is geweest.

Op dezelfde wijze zegt Noordtzij, dat de schrijver van Gen. 2 v. natuurlijk niet van de slang gesproken heeft, „zoals wij dat zouden doen, maar in het licht, waarin hij en zijn tijdgenoten haar zagen”. Al te dikwijls is vergeten, „dat tusschen den auteur van Gen. 2 v. en ons niet slechts een lange reeks van eeuwen ligt, maar bovenal diep ingrijpend cultuurverschil.

De slang was in heel de oud-oosterse wereld meer dan een gewoon dier. Zij was orakeldier en levensdier. In heel de wereld van het oude oosten kende men de slangenverering.”

Tot zover Prof. Oosterhoff. Hij werkt dit in het kort uit.

Hij zegt, dat de slang orakeldier en wijsheidsdier was, dat beschouwd werd over bijzondere kennis en wijsheid te beschikken, maar hij was als zodanig onder Israël verboden. „Zijn zogenaamde wijsheid is niets anders dan sluwheid, waardoor hij de mens brengt tot zijn verderf en ondergang. En het is moeilijk anders aan te nemen dan dat de Israëliet daaraan heeft gedacht bij het horen of lezen over de slang in het paradijs. De slang is de sluwste van alle dieren, want er is geen dier, dat de mens zó verleidt en tot ondergang brengt dan de slang. Zijn mooie woorden en toekomstvoorspellingen zijn niet anders dan vuil bedrog. En duizenden zijn daaraan geestelijk en lichamelijk ten slachtoffer gevallen.”

Ook als levensdier was de slang onder Israël verboden. „Dat betekent niets anders dan afgoderij bedrijven. Maar verboden wil nog niet zeggen, dat de slang onder Israël niet als levensdier voorkwam en vereerd werd.”

Prof. Oosterhoff wijst op de koperen slang uit de woestijntijd, die in de dagen van Hizkia afgodisch werd vereerd. „En er is geen reden om aan te nemen, dat men er toen pas mee begonnen is. Het kan al een heel oud kwaad zijn geweest, waarin men des te gemakkelijker volhardde, omdat ook de omringende volken de slang vereerden.”

Deze nehustan werd vereerd als drager en schenker van het leven. „Hizkia heeft er toen een eind aan gemaakt en de koperen slang stukgeslagen (2 Kon. 18 : 4).

Uit een en ander blijkt, dat de slang onder Israël maar niet een willekeurig dier geweest is. Maar het dier, dat in en buiten Israël als wijsheids- en levensdier werd vereerd, is in het paradijsverhaal de bedrieger en verleider; het dier, dat de mens brengt tot zijn ondergang en dood.” „De slang wordt getekend niet als de incarnatie van een goddelijk, maar juist van de anti-goddelijke macht.”

Het tussen aanhalingstekens geplaatste is van de hand van Prof. Oosterhoff. Na gewezen te hebben op de chaosmonsters, zoals Rahab en Leviathan, die voorgesteld worden als grote draken maar ook slangen worden genoemd, schrijft Prof. Oosterhoff: „In het verlengde hiervan ligt ook de vereenzelviging van de draak en de oude slang in Openbaring (12 : 9; 20 : 2).

Het is daarom juist, wanneer men in de joodse en christelijke theologie van oudsher in de slang in het paradijs meer gezien heeft dan een dier zonder meer. Want het is geen dier zonder meer. De slang in het paradijs is de incarnatie van alle anti-goddelijke machten, die tegen God opstaan en de mens ten val brengen. Hij is de duivel, de mensenmoorder van den beginne, de vader der leugen, zoals Jezus zegt (Joh. 8 : 44). Van het begin der schepping af is de mens verleid door satanische machten, die hem tegen God opzetten, een vals ideaal voor ogen spiegelden, hem van God deden afvallen en zijn dood en ondergang bewerkten. En die verleiding gaat ten eeuwige dage door, tot Christus er eenmaal een eind aan maakt. Hij is gekomen om de werken van de duivel te verbreken (1 Joh. 3 : 8) en zal straks de oude slang, die genaamd wordt duivel en Satan, voorgoed terneerwerpen (Openb.12: 9 vv.)”.

Prof. Oosterhoff schrijft verder over de vloek, die de slang trof, maar daar hopen we een volgend artikel over te spreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.