+ Meer informatie

OVER DE EVANGELISERENDE GEMEENTE EN HAAR TOERUSTING Een actueel onderwerp

11 minuten leestijd

1. Een belangrijke Studie

Dr. P.J. Buys is predikant van de gemeente Potchefstroom-Noord van de Geref. Kerken in Zuid-Afrika (de GKSA of de “Dopperkerk”, waarmee zowel de deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken als de deputaten voor de buitenlandse zending contact hebben). Hij is een man van de praktijk en heeft zijn proefschrift gewijd aan “Die verhouding tussen Gemeenteopbou en Evangelisering”.

1.1. In de inleiding op zijn proefschrift constateert hij dat, als wij het N.T. lezen om de groei en de bloei van de kerk te bestuderen, we er al snel achterkomen dat het binnen de eerste gemeenten in verschillende opzichten tot groei kwam:

-een groei in aantal (kwantiteit). Zie Hand. 2:41,47; 4:4; 6:1,7; 8:12; 11:24; 12:24; 13:48 en vele andere plaatsen.

- maar ook een groei in liefde tot de Here en tot elkaar (kwaliteit). Er is een toenemen in kennis en inzicht in het Woord van God, in gezindheid en gerichtheid op de ware aanbidding, in de dienst aan elkaar en het getuigenis in de wereld. Zie Hand. 2:43-47; 4:23-37; 6:2-6 en andere plaatsen.

We maken daarom terecht onderscheid tussen groei in aantal en geestelijke groei; het eerste duiden we dikwijls aan met “evangelisatie/zending”, het tweede met “gemeenteopbouw”. Onze belijdenis spreekt over het “bewaren en vermeerderen van de kerk” als facet van de praktische invulling van de bede “Uw Koninkrijk kome” (H.C. Zondag 48).

1.2. Er bestond - volgens dr. Buys - binnen de vroeg-christelijke kerk echter een opmerkelijk verband tussen deze beide aspecten van de groei. “Geestelike groei en getalle groei was ten nouste aan mekaar verbonde” vgl. Hand. 2:41-47a met 47b; Hand. 16:5 (heel duidelijk). En zijn conclusie is, dat bij zo’n nauwe verbondenheid tussen de “bewaring” en de “vermeerdering” van de kerk, het haast ondenkbaar is, dat het één kan plaatsvinden zonder het ander.

Zo heeft bijv. de levenswandel van de gelovigen een duidelijk evangelisatorisch doel: Mt. 5:16; Ef. 4:17-24; Col. 4:5, 6. Het huwelijk, zoals dit de Here aangenaam is, dient als voorbeeld voor de geloofsbeleving van de gemeente, Ef. 5:22-32; het heeft echter ook een missionair motief, 1 Petr. 3:1, 2 en 1 Cor. 7:12-14. De onderlinge beleving van de liefde dient een evangeliserende invloed op de wereld te hebben, Joh. 13:34, 35; dient echter ook tot versterking van het geloofsleven van de gelovigen zelf, Hebr. 10:24. Zelfs de manier waarop de gemeente haar samenkomsten houdt en bijwoont, wordt niet alleen bepaald door het motief van haar geloofsbeleving, Hebr. 10:25, maar ook door het motief hoe dit bij buitenstaanders overkomt, 1 Cor. 14:23-25.

1.3. In zijn Studie legt dr. Buys zich met name toe op de vraag, wat volgens de Schriften de juiste verhouding is tussen het bewaren en vermeerderen van de kerk. Hij doet dit vanuit de actuele vraag: “Waarom groei sommige kerke in Suid-Afrika en Europa so min in lidmaattal deur buitekerklikes wat tot bekering kom en hulle bij die gemeente voeg?” En het antwoord dat verscheidene theologen en ambtsdragers op deze vraag geven: “die lidmate van die kerk is te zwak toegerus om met entoesiasme en oortuigingskrag van hulle geloof betuig; bedieningstrukture is te veel na binne gerig en kweek daarom passiewe en onmondige lidmate.”

1.4. Hij is voorts van mening dat belangrijke studies over de missionaire opdracht van de kerk te weinig nadruk leggen op de verhouding tussen gemeenteopbouw en de opdracht tot evangelisatie/zending (o.a. D. van Swighem en A. Noordergraaf).

1.5. Het is ondoenlijk - zelfs in kort bestek - een samenvatting te geven van deze 260 pagina’s teilende Studie, die jammer genoeg niet in de handel verkrijgbaar is.

Voor ons is van belang wat dr. Buys vanuit zijn onderzoek concludeert, en hoe dit voor ons is om te zetten in enkele praktische sugesties.

2. Conclusies en enkele praktische suggesties

2.1. De kwalitatieve zowel als de kwantitatieve opbouw en groei van de gemeente heeft als doel: de heerlijkheid van God. “Gevolglik is die kerk nie kerk vir die wereld nie, maar kerk vir die Here”. Het overkoepelend doel van alle opbouw en groei is de eer van de Here. Zijn eer wordt echter daarin zichtbaar dat Zijn gemeente enerzijds groeit in heiliging en anderzijds in aantal. Deze op de eer van de Here gerichte opbouw en groei zal de kerk bewaren voor een horizontalistische verwereldlijking in haar missionaire arbeid, maar ook voor een ziekelijke, op zichzelf geconcentreerde naar binnen gerichtheid.

- Als het bij de opbouw van de gemeente en haar numerieke groei gaat om de eer van de Here, dan geeft dit een motivatie die ons uitheft boven het vele - menselijke? - spreken over het geestelijk gehalte van “onze” kerken en het hanteren van statistieken. Het is de toon, die de muziek maakt.

Hand. 13:48 en 49 is sprekend: “Toen nu de heidenen dit hoorden verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord van de Here (vs. 47; Jes. 49:6; Luc. 2:32); en allen die bestemd waren tot het eeuwige leven, kwamen tot geloof; en het woord van de Here verbreidde zich door het gehele land”. Hier staat de Here centraal. Ook wij zullen ons hier steeds weer over hebben te verbinden. En op dit punt ons bewust hebben te corrigeren, bekeren. Soli Deo Gloria, maar dan in de praktijk van gemeenteopbouw en groei.

2.2. In de praktijk van gemeenteopbouw mogen bewaren en vermeerdering van de kerk nooit van elkaar losgemaakt worden.

- Ten aanzien van onze preken, bijbelstudies, inleidingen, referaten, huisbezoeken etc. dient er een evenwicht in tekstkeuze, keuze van bijbelboeken/schriftgedeelten en van onderwerpen te zijn, zodat beide facetten evenwichtig aan de orde komen. Eenzijdigheid in onze keuze is een sta in de weg voor een harmonieuze samenhang tussen bewaring en vermeerdering van de kerk.

2.3. Wanneer we “evangelisatie” en “evangeliseren” uitsluitend bezien als evangelieverkondiging aan buitenstaanders, dan doen we tekort aan het nieuwtestamentisch gebruik van het Griekse woord “euangelizomai”, dat een ruimere betekenis heeft. De Nederlandse (en Zuidafrikaanse) vertaling heeft nl. verwarring gebracht. Het beste is om dit woord weer te geven met “evangelie-verkondiging”, ongeacht of het om gelovigen of ongelovigen gaat. Ook aan gelovi-gen moet het evangelie verkondigd worden om hun geloof op te bouwen. Daarom is het juister om eenvoudigweg over “evangelieverkondiging” te spreken en dan, d.m.v. een nadere omschrijving, aan te geven tot wie die verkondiging gericht wordt.

- De keuze voor de term “evangelieverkondiging” is terecht. Soms wil men de evangelieverkondiging beperken tot evangeliesamenkomsten, alsof de gemeente géén evangelieverkondiging (meer) nodig zou hebben. Het is onhoudbaar om te stellen dat de gemeente in het kader van het verbond, aangesproken moet worden als de gelovige gemeente. Alsof het voor de verbondsgemeente een belediging zou zijn, wanneer ook aan haar (nog) vanuit het evangelie de oproep tot geloof en bekering verkondigd wordt. Het verbond vraagt om persoonlijke beleving in de weg van wedergeboorte, geloof en bekering. Dit màg en móet verkondigd worden binnen de gemeente. Natuurlijk, als het daarbij blijft, wordt de gemeente niet gebouwd in het geloof, zal ze niet toenemen in de kennis en in de genade van de Here Jezus Christus.

Of er speciale diensten voor buitenkerkelijken nodig zijn om op die manier de evangelieverkondiging op hen te kunnen afstemmen? Dr. Buys is van oordeel: “Een gemeente met ’n missionêre hart wat warm klop, sal moeite doen om buitenstaanders na die erediens saam te neem. Dan behoort die geestelik volwasse gelovige juis te bid en die begeerte te hê dat mense onder die prediking vir die eerste keer tot geloof en bekering sal kom”.

Zou het aanbeveling verdienen om landelijk eens een diepgaande evaluatie te maken van onze “Welkom”, “Kom in” etc. diensten? ’k Heb de idee dat zulke diensten voor de gemeente eerder een welkome afwisseling betekenen binnen het patroon van de eigen samenkomsten, dan dat zij met hart en ziel als “missionaire” gemeente bij deze vorm van evangelieverkondiging betrokken is om mensen van buitenaf te trekken. Wat wij in Amsterdam wel doen: de avond vóór eerste Kerstdag trekken we anderhalf uur, al zingend, door de rosse buurt. We kiezen kerstliederen uit, die duidelijk het evangelie verwoorden. In verstaanbaar Nederlands. Op eerste Paasdag is er de “Paasjubel” op de Dam. Velen uit de gemeente nemen hieraan deel. Is zoiets alleen goed voor Amsterdam?

2.4. Omdat kwantitatieve en kwalitatieve groei zo nauw met elkaar verbonden zijn, behoort de kerk in de toerusting van de gelovigen voor de missionaire arbeid evenveel nadruk te leggen op de kwalitatieve groei van de gelovigen, die betrokken zijn bij deze arbeid. Dit geldt zeker voor hen, die aan de “spits” staan.

- Wij lopen telkens weer het gevaar dat we heel veel nadruk leggen op en daarom aandacht schenken aan de methodiek van het “winnen van mensen voor Jezus”. We leggen te veel de nadruk op acties, evangelisatiesamenkomsten en de media (lectuur, radio, T.V.). Statistieken wijzen uit dat meer dan 80% van de ongelovigen getrokken wordt door persoonlijke contacten, thuis, werkvloer, buurt, familie. Een kleindochter schreef: “de God van oma bevalt mij wel”. Juist in die persoonlijke contacten komt het aan op evangelieverkondiging, niet op mijn visie op de dingen. Het gaat erom zó toegerust te zijn, dat het Woord aan het woord komt.

2.5. Het N.T. legt sterke nadruk op de verantwoordelijkheid van de gelovigen om door middel van een heilige levenswandel buitenstaanders voor Christus te winnen.

- Een heilige levenswandel is alleen mogelijk “in Christus”. Als we naast de vermanende gedeelten uit de brieven ook Joh. 15 leggen en dat consequent volhouden, lopen we niet vast op de klip van het wetticisme. Veel vrucht dragen in een heilige levenswandel kan alleen door te blijven in Christus. Die vrucht is tot verheerlijking van de Vader (sub 2.1.) en… de Vader zal het snoeimes hanteren. Zó màg het en kàn het en… moet het.

We dienen ervoor te waken, dat “alles zo nodig móét”. Een boom die vrucht draagt, levert geen prestatie: hij laat zien dat hij goed gesnoeid, bemest, kortom verzorgd werd.

2.6. Er behoort in iedere gemeente een steeds dieper doorgaand onderwijs te wezen dat de gelovigen niet alleen bekwaamt voor hun taak binnen de gemeente (bewaring), maar ook voor hun dienstwerk met het oog op de vermeerdering van de kerk.

- Het mooiste is wanneer binnen de gemeente de behoefte om toerusting vanuit de Schriften gaat leven omdat zij in de praktijk bemerkt heeft, dat zij als missionaire gemeente deze toerusting nodig heeft. Dit geldt ook voor de andere facetten van het gemeente zijn. In de vorm van een “leerhuis”, éénmaal in de drie weken te houden van 20.00-22.15 uur, kunnen per seizoen aan de orde komen:

*) de verbondsgeschiedenis vanaf Abraham: Gen. 17, Ex. 24, Dt. 29-31, Jozua 24, Jer. 31:31vv. en de Hebreeënbrief. Daarbij: hoe heeft Israël dit nieuwe verbond beleefd sinds de verwoesting van Jeruzalem?

*) het Koninkrijk van God, vooral vanuit het Mattheusevangelie: Mt. 5-7 (burgers en grondwet) en Mt. 13vv. (de gelijkenissen, die ieder een eigen facet van het Koninkrijk openbaren). God geeft Zijn geheimen prijs aan discipelen die willen leren. Verblijdend! (Mt. 13:16,17).

*) de kleine profeten: per avond één profeet. Zijn betekenis/prediking toen en vandaag.

*) de oudtestamentische wetgeving, met name de burgerlijke wetten, die hun betekenis voor vandaag nog steeds niet verloren hebben. In combinatie met de bergrede!

Wanneer de aanwezigen op ieder moment mogen reageren en hun eigen inbreng kunnen geven, geeft dit aan het “leerhuis” iets levendigs en de “leraar” leert de gemeente kennen in wat er in haar leeft aan praktisch beleefde bijbelkennis (of niet! Maar dàt is te verhelpen). Het is nl. zaak dat de “leraar” het doel voor ogen houdt: de gemeente toerusten tot dienstbetoon (vgl. Ef. 4:11-16, al verschillende malen aan de orde geweest, direct of indirect, op ambtsdragfersconferenties). Van dat dienstbetoon is de missionaire opdracht een facet.

2.7. Ten aanzien van alle aspecten van het functioneren van de gemeente zoals prediking, onderricht, pastoraat, aanbidding in de eredienst, het opzicht en het leiding geven van de voorgangers, dient er integraal een eenheid gehandhaafd te worden tussen de kwalitatieve en kwantitatieve opbouw en groei van de gemeente. Met andere woorden: bewaring en vermeerdering dienen in een harmonieuze evenwichtige samenhang plaats te vinden. “Om te kan bewaar moet die kerk blijwend op vermeerdering gerig wees. Om te kan vermeerder moet die kerk in ’n hegte liefdesverhouding tot God en tot mekaar bewaar wordt”.

- Het lijkt zo’n vanzelfsprekendheid om een harmonieus evenwicht te bewaren tussen bewaring en vermeerdering der kerk, tussen kwalitatieve en kwamtitatieve opbouw. Wie is tot deze evenwichtigheid bekwaam?

Het is goed te weten dat zij die mogen toerusten, ook zèlf worden toegerust door de Heilige Geest, die immers ook hùn Trooster is.

3. Tenslotte

Als het moeizaam gaat: ook vandáág komen allen die bestemd zijn tot het eeuwige leven, tot geloof (Hand. 13:48). En stràks is er een grote schare die niemand teilen kan (Openb. 7:9).

Dat is Gòds vrucht op de arbeid van Zfjn evangeliserende gemeente, de eeuwen door.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.