+ Meer informatie

Verweys Schoonheidsaanbidding en Dèr Mouws zelfverlossing

Niet-chr. dichters konden lijdensverhaal niet missen

8 minuten leestijd

Lijdenstijd en Paasfeest zijn niet alleen dierbare zaken voor het gelovige hart, maar ook een welhaast onuitputtelijke bron van inspiratie voor schrijvers, dichters en beeldende kunstenaars gedurende twintig eeuwen christelijke beschaving. Het Kindeke in het stro in een vochtige koude stal en de Man van smarten met geteisterd gelaat en doorploegde rug hebben dichters van alle tijden ontroerende en soms al te smartelijk-mooie verzen in de pen gegeven. Maar in hoeverre stonden deze schrijvers zelf in oprechte heilige aanbidding bij het kribje of aan de voet van het kruis op Calvarië?

Wie wat bladert in de religieuze poëzie van onze gewesten ervaart wel, dat gedichten over Christus nog geen christelijke gedichten of verzen van christenen zijn. Daarom wil ik in dit artikeltje met wat u wandelen in deze poëzietuin en u wat schone bloemen wijzen, waarvan we naderhand toch moeten zeggen dat hun wortelsappen bitter en van sommige giftig zijn.

Smarte-schoonheid
We kijken eerst eens naar Albert Verwey, taalkunstenaar van en na de Tachtigers, en we (her)lezen zijn „O Man van Smarte". Hij was christelijk opgevoed, maar brak al vroeg met het vaderlijk geloof en schept zich in zijn verzen later zelf een godsbeeld. Maar telkens zoekt hij in zijn poëzie christelijke motieven te verwerken, ook in zijn profaan bedoelde „Christussonnetten" waarmee hij een vriend wil verheerlijken. Liefde tot de  (veelal wijsgerig-esthetisch geladen) Schoonheid drijft hem, zoals later de meer bezonnen, verstilde, en platonische P. C. Boutens.

Welnu, dit lijden van die Man van Smarte is voor Verwey iets onuitsprekelijk moois en verhevens: een Vlam van Passie (is: lijden, maar óók hartstocht) in dit koud heelal, een druppel op de gloeiende plaat van deze hel, die aarde heet. Méér niet. Geen Verlosser, Die deze donkere aarde herschept tot een „Lichtstate" (Maria de Groot).

Bij Verwey zijn we wel ver verwijderd yan Jesaja 53: die Man van Smarten had niets aantrekkelijks voor 's mensen oog. Hij was, ik schroom het te zeggen, aanstotelijk en afzichtelijk. Alleen het oog des geloofs zag „iets" in Hem: de Begeerlijkste der mensenkinderen. Dezelfde Verwey zou over een protestantse eredienst zó schrijven: ,,'k Benij hen niet. Ik die hier naast u woon/ Heb ook voor mij haast grootre vreugd gevonden./ Voor bloemen bloeiende uit uw Heilands wonden/ Heb ik er aardsche en prijs hen even schoon".

Tweeloosheid?
Nog verder dan een vermenselijking van Christus en een esthetisch genoegen in het schone lijden gaat J. A. dèr Mouw, die zich als aanhanger van het brahmanisme „Adwaita" (tweeloosheid) zal noemen. Die rekent op brute wijze af met het christelijk geloof, al is hij wel bereid. God en Christus, Die de mens zoveel kwaad hebben berokkend, te vergeven. Ja, u leest het goed: in brute waan wil Dèr Mouw, die o.a. „Jehova's Uitvaart" bezingt. God uit Zijn hemel stoten.

Hij durft te schrijven: „Vergeven wil ik hem, die heeft geweven/ Van goed en kwaad 't verraderlijk net,/ En, Kruisspin, Zijn vergift'ge scharen zet/ in de angst'ge ziel, ondanks haar spart'lend beven." Dèr Mouw, zoon van een calvinistische vader en een lutherse domineesdochter, roept de lezer „Op! Tegen onmacht van Gebod en wonden!/ Op! tegen Sinai en Golgotha!"

Hij, die de tweeloosheid zocht, werd ondertussen wel verscheurd door twijfels: „Niet twijf'lend weet ik: Alle goed is kwaad;/ Twijfelend hoop ik: Alle kwaad is goed;/ Zoodat wie 't eene wil, het and're doet,/ En zond'loos hij slechts is, die beide laat". Hij wil een brahmaan zijn, uitstijgend boven deze lage aardse tweeheid, maar kan de bijbelse beelden in zijn vers maar niet loslaten.

Zelfverlossing
In zijn Brahman II erkent hij: „Vraag nu: „Ben ik 't? 't verstand,.dat mij verried?/ Is deze twijfel mijn Gethsemané? IN DEN BEGINNE WAS BRAHMAN'S IDEE -/ Lama Sabachtani - Of is Hij niet?" Let op de hoofdletters in de derde regel: Dèr Mouw moet heel hard schreeuwen, dat in den beginne niet God was, maar Brahman, want anders zou hij ook daarin weer niet geloven.

„Ik prijs mezelf god" heet het in een ander vers' en Adwaita's verlossingsleer is die der zelfverlossing. Hij meent troost en vrede te vinden in zijn nieuwe religie en is er zendeling van: „Tot wie in smart om zonden /Met wroeging zich verwonden, / Verdwaasd door oude waan uit menschenland, / Tot hen zal 'k wetend spreken, / Het oor vol golven-breken: / Wie Brahman voelt, zijn zonden zijn verbrand".

De vrede mèt God kent Dèr Mouw niet. Die vrede gaat zijn verstand te boven. Bovendien is dat een vrede, die de mens niet alléén heeft; hij heeft haar mèt God, Die Zich niet als onbewogen Beweger heeft teruggetrokken van het wereldtoneel.

God negéren
Afkeer van God in termen aan de Schrift ontleend vinden we ook terug bij Jan Greshoff, die in één van zijn verzen zichzelf met Christus vergelijkt en dan zegt: „Hier staat het nutteloos geworden lijf/ Gebonden aan den paal voor 't laatst ten toon. / Gij die voorbijgaat, zedemeesters, richt / Uw fluimen midden in dit bleek gezicht / Clean shaven, zonder bloed en doornenkroon".

U ziet het: afscheid van kerk en geloof, spot met het christendom en Christus, maar toch - ook in een bruut negeren van God - verlegen om het bijbelse taalgebruik en aan de Schrift ontleende beelden. Zulke poëzie acht ik, hoe „literair" ie ook kan zijn, in wezen niet veel meer dan schamele cabaretteksten.

Niet zoveel beter deden het de vooroorlogse R.K. jongeren, die zich verzamelden rond het tijdschrift „Roeping" en wier genre ,,Godslyriek" gewoonweg berucht werd. Dezen, zoals de jonge Jan Engelman en Gabriel Smit en in Vlaanderen Wiens Moens en de wat oudere Karel van den Oever, wilden God en Christus niet lasteren.

Zij wilden wel het roomse geloof a.h.w. „democratiseren", zodat ze in zeer aardse en menselijke beelden over God gingen schrijven, los van de barokke taal der kerk. In „Goede Vrijdag" uit de bundel „Sine Nomine" (is: zonder naam) stelt Jan Engelman Jezus voor als het slachtoffer, niét van onze zondeschuld, maar van de kwalen van onze tijd: de techniek, maatschappelijke onrechtvaardigheid, schijnheiligheid e.d.

Nu mag niet beweerd worden, dat allen die de naam van protestants dichter voeren, wèl de Heiland hebben verstaan bij het licht der Schriften. Er is ook een mystiek zwelgen in tranen buiten de Verlosser om. „Goede Vrijdag" heeft niet het laatste woord; na de Stille Zaterdag moet wel de hoog-heerlijke Verrijzenisdag volgen.

Nijhoffs „Soldaat"
Een dichter als Martinus Nijhoff, wiens psalmberijming grote bewondering heeft genoten, mag men die een rechtgelovig christen noemen? Hij is zeker geen vijand van het christendom zoals Greshoff of Dèr Mouw. Maar wat moeten we aanvangen met zijn lijdensgedichten? Ik denk aan zijn „Het grote lijden", „De soldaat die Jezus kruisigde", „Johannes" en zo meer.

„De soldaat die Jezus kruisigde" vind ik persoonlijk één van Nijhoffs mooiste gedichten: de Goddelijke liefde heeft de Romein zo bevangen, dat hij gèk werd. Gek, omdat hij „bloed-van liefde vroeg": Hem, Die slechts liefde gaf, tot bloedens toe pijnigde. Maar ook gek, omdat de stoppen volledig doorgeslagen zijn: Jezus is ten leste niet het zielige slachtoffer, maar de Overwinnaar. Die stervend a.h.w. de rollen omgedraaid heeft.

De soldaat, als een dwaas voor het oog der mensen over de wereld gaand, kan niet meer van Jezus loskomen. Overal volgt het teken van de Vis hem en hij volgt het teken. De toeschouwerswereld begrijpt daar niks van. Als ze hem vragen, wat hij toch zit te doen is het antwoord voor hen wellicht nog onbegrijpelijker: „Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen"! En dat werd in dit vers een splinter in zijn ziel, die er niet meer uit te trekken viel.

Esthetisch lijden?
Het christelijk gehalte, om zo te zeggen, van „Het grote lijden" vind ik moeilijker te peilen: „Hij moest zijn hart, zijn zwaar hart, achterlaten / Toen hij naar zijn natuur zich weer onthief". Hier is de hoofdpersoon - die niet met hoofdletters noodzakelijk als Christus wordt aangeduid, hoewel alle beelden in Zijn richting wijzen - toch meer slachtoffer dan overwinnaar, die vrijwillig de weg van Golgotha koos.

Ik lees: „Zijn leed vervreemdde hem, 't 'was groter dan / Het'hart, het was een over hem losbrekend / Noodweer dat hem onttrok aan het gezicht - // Daar, in dien duistren tuin, ter zijde van / De wereld; riep zijn stem, van ver nog, smekend: / „Waakt met mij, één uur - Toen viel alles dicht".

Een zeker esthetiserend genoegen in het lijden meen ik ook aan te treffen in Nijhoffs „Johannes", waar ten onrechte de indruk wordt gevestigd, dat het lijden van Christus nu op de apostel, die Jezus liefhad, overging en dat Christus er eigenlijk van tussen gegaan was: „En toen de spijkers waren losgedreven / En 't stijve lichaam in mijn armen streek, / Wist ik dat hij ons in den dood ontweek / En mij den bitt'ren beker had gegeven".

In al de bovengenoemde verzen van diverse dichters treffen we toch, met verschillen, een andere geest aan dan die van het Geref. belijden dat zich ook dichterlijk over Goede Vrijdag en Pasen heeft geuit. Denk alleen aan Jac. Revius („'t En zijn de joden niet, Heer Jezus, die kruisten"), aan Willem de Mérode, aan Anthonie Donker en vele anderen. Maar over hen ging het in dit artikel nu eens niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.