+ Meer informatie

OPENINGSWOORD AMBTSDRAGERSCONFERENTIE ZATERDAG 30 OKTOBER 1982 IN DE ICHTHUSKERK TE AMERSFOORT

7 minuten leestijd

Waarde broeders,

Deze conferentie vindt plaats op de dag voorafgaande aan de herdenking van de reformatie, een gebeuren in de geschiedenis van het Westeuropese christendom waarover men nog altijd niet uitgesproken en uitgeschreven is. Wie vandaag zich op dat gebeuren bezint, voelt onwillekeurig de neiging opkomen de tijd van toen te vergelijken met onze tijd. In menig opzicht zijn toen en nu natuurlijk niet vergelijkbaar. De politieke machtsverhoudingen, de sociaal-maatschappelijke omstandigheden, de economische structuren en de inrichting van het kerkelijk leven zagen er toen anders uit dan in onze tijd, maar er vallen ook treffende overeenkomsten aan te wijzen. De term reformatie, zonder de inhoud waarmee zij voor ons bij onze herdenkingen is gevuld, werd reeds vóór de wending in het leven van Maarten Luther en de andere reformatoren in de kerk gehanteerd. In de periode voorafgaande aan de eigenlijke reformatie waren er de zogenaamde reformatorische concilies. De roep om reformatie die daarop werd gehoord was echter niet toegespitst op en ingegeven door een verlangen naar een hernieuwde beleving van het heil van God in Christus voor zondige mensen, maar enkel en alleen op correctie van de ergerlijke misstanden in het kerkelijke bestuur. Het ging om bestuurlijke en morele correcties en niet om toewending naar de God van de bijbel. De plaats van de kerk in de wereld van nu is anders dan toen en de situaties van waaruit het gebeurt zijn anders, maar beleven ook wij geen tijd waarin veel kerkelijke activiteit zich enkel en alleen richt op wijziging en aanpassing van kerkelijke en maatschappelijke structuren en op vertaling van het Evangelie in louter maatschappelijke termen, terwijl de Gij-ik-verhouding tussen God en mens door de verzoening van Jezus Christus verdonkeremaand dreigt te worden?

De tijd voorafgaande aan de reformatie werd voorts gekenmerkt door een groeiend nationalisme onder de volken en door een sterk toenemend individualisme. In de turbulente ontwikkelingen waarin de wereld van vandaag zich bevindt, valt onder landen en volken een groeiende neiging waar te nemen om eigen nationale belangen veilig te stellen. Vandaag heet dat protectionisme, in een teruglopende wereldeconomie een bedenkelijk symptoom. Ook de samenleving van nu wordt gekenmerkt door een beangstigend proces van individualisering. Ten tijde van de reformatie droeg deze het karakter van ontworsteling aan het knellende juk van de autoritaire kerk. Nu zijn er andere factoren in de samenleving, maar ten diepste gaat het in elke individualisering om losmaking uit gebondenheid aan en verantwoordelijkheid voor elkaar.

Over het religieuze klimaat in de vóór-reformatorische periode zijn de geschiedschrijvers het niet helemaal eens. Veel gezaghebbende historici menen voor die periode van een intense godsdienstigheid te kunnen spreken. Zij werd echter sterk beheerst door vrees, omdat het geestelijk leven en de godservaring van de christenen geen kanaal kon kiezen in de openbaring van God in Zijn Woord.

Zo riep het mannelijke Godsbeeld in die tijd om compensatie door een moederfiguur. Maria alleen was daartoe niet toereikend. Er was een toenemende verering van de heilige Anna, die als moeder van Maria werd beschouwd. Vóór de grote verandering in zijn leven name deze Anna in het gebedsleven van Luther een grote plaats in.

Er is niets nieuws onder de zon. Ook vandaag valt binnen bepaalde geestelijke stromingen en onder sommige theologen verhoogde belangstelling waar te nemen voor de vraag of het vaderlijke godsbeeld niet op een of andere wijze valt te completeren met een moederlijk element.

De toestand waarin de kerk vóór de reformatie verkeerde, valt te typeren met het woord godsverduistering. De geestelijke praktijken van die dagen ontnamen het rechte zicht op de God van de bijbelse openbaring. Verkeren wij vandaag kerkelijk en geestelijk niet in een situatie die met hetzelfde woord kan worden aangeduid?

De reformatie heeft in deze landen het Woord van God weer onder het stof vandaan gehaald, maar wat hebben wij er van gemaakt? Het onderzoek van en de omgang met dat Woord hebben, in weerwil van de toegenomen mogelijkheden om de achtergronden en de betekenis van dat Woord diepgaand te onderzoeken, een verdrietig grote verdeeldheid van het protestantisme opgeleverd. Dat daarvan door de spanningen en schokbewegingen in de periode na de reformatie sprake was is nog te begrijpen, maar dat wij, die zoveel dieper inzicht lijken te hebben ontvangen, in deze tijd niet in staat zijn met de ganse reformatorische christenheid in dit goede land geestelijk op één spoor te komen is onvoorstelbaar, onaanvaardbaar en voor God onbestaanbaar.

Tot breuken in het lichaam van Christus komt het wanneer op het Woord van God reducties worden gemaakt. Dat gebeurde toen en dat gebeurt ook nu; op allerlei wijze en met verschillende bedoelingen. Als het Evangelie ontdaan wordt van de ergernis van het kruis dan betekent dat reductie; wanneer de scherpe kanten van de bijbelse aanduiding van ons zondaar zijn door optimistische mensbeschouwingen worden bijgeslepen dan betekent dat waardevermindering; als de ruimte waarmee de God en Vader van onze Here Jezus Christus Zijn liefde voor zondige mensen in de bijbel laat verwoorden, wordt verengd tot een nauwe doorgang van zwaar-godsdienstige makelij, anders gezegd: wanneer in de prediking zwaardere accenten op de zonde dan op de genade worden gelegd, dan is dat verminking; als we het Woord manipuleren om er onze onbekookte vooruitstrevende ideeën mee te onderbouwen of wanneer we zonder conscientieuze overweging bijbelse uitspraken bijeen harken om verantwoorde ontwikkelingen in de kerk van Christus af te remmen of tegen te houden, dan moet dat misbruik van het Woord van de levende God worden genoemd.

Hoezeer behoeven ook wij in onze kerken een vernieuwde en eerlijker omgang met het Woord van God. Want die reducties op de volle waarheid van dat Woord zijn ook onder ons aanwijsbaar. Zij manifesteren zich in agressief kerkelijk modernisme waarin het hart, het eigenlijke van het Evangelie niet meer duidelijk is te vinden.

Soms zijn ze aanwijsbaar in zwaarwichtige behoudzucht met een schijn van godzaligheid, waarin de liefdesklop van Jezus’ hart eveneens onvindbaar is. Waarom op het brede gereformeerde erf en waarom ook binnen eigen kring zoveel vinnige geestelijke verscheidenheid als we bedenken dat het Evangelie ons op zijn minst één duidelijk gemeenschappelijk uitgangspunt oplevert, namelijk dat wij het Koninkrijk der hemelen niet zullen binnengaan tenzij wij opnieuw geboren worden. Maken wij, van welke ligging we ook zijn, er niet te weinig ernst mee dat die structurele vernieuwing in ons leven moet plaats hebben willen wij ook werkelijk kunnen opstaan tot een nieuw leven, een leven van geloof, hoop en liefde? Hierover kunnen onder reformatorische christenen toch geen misverstanden bestaan? Ons gemeenschappelijk oriëntatiepunt ligt toch in de waarheid van Christus’ verzoening? Wanneer wij dan onze zielen door gehoorzaamheid aan die waarheid gereinigd hebben dan ontstaat er toch ongeveinsde broederliefde, dan hebben we elkaar toch van harte en bestendig lief, als wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende Woord van God. En vanuit dat gemeenschappelijk uitgangspunt zijn we dan geroepen en zijn we ook in staat op allerlei vragen van ons persoonlijk leven, vragen rond de wijze waarop wij in de wereld van vandaag gemeente van Christus moeten zijn en vragen die de inrichting van ons kerkelijk leven raken, goede bijbelse antwoorden te zoeken. Soms liggen die antwoorden aan de oppervlakte, zo maar voor het grijpen, soms moeten zij diep worden opgedolven. Vanuit de eenstemmigheid over de essentie van het Evangelie willen wij ons ook vandaag tot zo’n stuk zoekwerk zetten.

Morgen hervormingsdag. Bij de voorbereiding van deze conferentie kwam de gedachte bij mij op enkele coupletten van het Lutherlied met u te zingen. Ik heb getwijfeld of dit eigenlijk wel zo zinnig zou zijn. Het is een lied dat onder heel bijzondere omstandigheden is ontstaan. Wij zien geen aanrukkende vijanden met opgestoken vaandels; voor onze vrouwen en kinderen worden omwille van het geloof nog geen graven gedolven. Kunnen wij de militante taal van dit lied eigenlijk wel in de mond nemen?

Ik leg het u toch op de lippen. Het Woord staat vandaag ook in het vrije westen onder andere maar niet minder ernstige bedreigingen. Bovendien kunnen wij bij het zingen in gedachten nemen dat onze broeders en zusters in landen met systemen, waarbinnen met het Woord van God niet vrij kan worden omgegaan, hun geloof met goed en bloed moeten bekopen. Voorts is het goed acht te geven op ontwikkelingen in het wereldgebeuren die er op zouden kunnen wijzen dat de grote verdrukking van het volk van God in deze wereld niet meer lang op zich zal laten wachten.

Zingen wij het Lutherlied vanuit onze verbondenheid in het ene ware geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.