+ Meer informatie

Van nummer tot MENS

5 minuten leestijd

Bij de VUGA-boekerij te Arnhem is onder de titel „Van nummer tot mens” een boek verschenen, dat een duidelijk inzicht verschaft in het complexe geheel van het maatschappelijk werk. De auteur is mr drs H. B. van der Linden, hoofd van de afdeling sociale zaken ter gemeentesecretarie van Amsterdam en dus iemand, die uit ervaring spreekt, wanneer hij de vele facetten van de hulp aan de naaste, in georganiseerd verband verleend, behandeldt.

Na een inleidend hoofdstuk over lijden, medelijden en verantwoordelijkheid biedt het boek een overzicht van de ontwikkeling van liefdadigheid naar maatschappelijk werk. Waar dit maatschappelijk werk in velerlei verbijzondering aan de dag treedt, hoe het is georganiseerd en wordt gefinancierd, welke zijn functies zijn, wordt vervolgens uiteengezet. Daarna zijn enige capita gewijd aan de betekenis van economie, sociologie, psychologie en rechtswetenschap voor het maatschappelijk werk, waarbij tevens wordt ingegaan op de vraag hoe het verband tussen verschillende basiswetenschappen en het practische maatschappelijk werk zal dienen te worden gelegd. Het slot van het boek wordt gevormd door een verkenning naar de relatie tussen maatschappelijk werk en levensbeschouwing, waarin de schrijver tot de conclusie komt, dat maatschappelijk werk niet denkbaar is zonder dat men daarin de levensbeschouwing van helper en cliënt betrekt.

Wijlen prof. dr R. van Dijk schreef voor het werk van mr van der Linden een „ten geleide”, waarin hij zijn vreugde heeft uitgesproken over het feit, dat daarmee een op zo eenvoudig mogelijke wijze gestelde oriëntering over het maatschappelijk werk is gegeven, De klaarheid van dit boek treft inderdaad; het vakjargon, dat ook kamerleden meermalen tot de verzuchting bracht, dat zij de beschouwingen en geschriften van minister Klompé en haar departementale staf maar nauwelijks konden volgen, ontbreekt bij mr Van der Linden vrijwel geheel.

Het heeft zeker zin, juist dit boekwerk eens onder de aandacht van onze ambtsdragers te brengen. Erin lezend dachten wij aan de steeds weer te horen veronderstelling, dat, nu steeds meer categoriën van behoeftigen en gehandicapten van wettelijke voorzieningen zullen gaan profiteren, er voor diakonale arbeid slechts een minimaal terreintje zal overblijven. Wie deze misvatting nog niet te boven is, moet zich eens door mr Van der Linden laten voorlichten.

Het lijkt ons voor een juist verstaan van de taak van de ambtsdrager nuttig, dat iedere ouderling en iedere diaken zich door middel van het geschrift van mr Van der Linden eens bezint op de ontwikkelingsgang, die in de burgerlijke sfeer de „liefdadigheid” en de „armenzorg” heeft doen groeien tot het complex van voorzieningen en hulpverleningen, dat thans onder de verzamelnaam van sociale arbeid wordt begrepen. Wie zich in deze ontwikkeling verdiept moet toch wel tot de slotsom komen, dat dit alles zich heeft afgespeeld in dezelfde maatschappij en onder dezelfde mensen, waartegenover ook de kerk haar grote verantwoordelijkheden draagt. Wie zich met dit alles bezighoudt zou zich zelfs kunnen gaan afvragen of de kerk, wier boodschap en wier voor-levende daad eigenlijk volledig één behoren te zijn, bij het helen van zoveel, dat door een voortgaande schaalvergroting en de daaruit voortvloeiende verzakelijking en verkilling werd verbroken, niet veel duidelijker dan nu nog het geval is vóórop zou moeten gaan.

Indien men de ontwikkeling aldus beziet is er allerminst reden voor de vrees, dat er geen diakonale taken meer zouden blijven. Integendeel: Dan verheugt men zich er eerder over, dat de strikt-materiële behoeftigheid meer en meer door wettelijke voorzieningen wordt teruggedrongen. Het begrip „barmhartigheid” correspondeert immers met benadering van de totale mens. Barmhartigheid zal moeten worden beoefend zo er in gevallen van economische nood geen helper is, doch aan de plicht tot barmhartig-zijn komt geen einde op het moment, dat zekere materiële behoeften zijn bevredigd. Wanneer dan ook de burgerlijke gemeenschap in een situatie verkeert waarbij zij in staat is de nood van stoffelijk-behoeftigen te dragen en zich voor die nood mede-verantwoordelijk gaat gevoelen, verruimt zulks voor de kerk de mogelijkheden om haar dienst van barmhartigheid uit te breiden en te verfijnen. De stoffelijke zorgen slorpen dan niet langer alle beschikbare middelen op en er komt gelegenheid de behoeftigen op alle mogelijke andere terreinen hulp te bieden.

Diakonieën, die zich begeven op het brede terrein van de behoeftigheid in ruimere zin komen al gauw tot de ontdekking, dat er ook in de eigen gemeente wel zo het een en ander te doen valt. Zeker zal niet in iedere kerkelijke gemeente een geweldige taak worden ontdekt op het gebied van de meestnavrante ellende, zoals duidelijke onmaatschappelijkheid, kinderverwaarlozing en dergelijke, doch dit behoeft dan nog niet te betekenen, dat er geen vraag naar een handreiking der kerkelijke gemeenschap zou bestaan. Bij een zorgvuldig, liefdevol peilen naar de noden van broeders en zusters en hun gezinnen komt er van alles aan het licht, dat tot dusverre in eenzaamheid moest worden gedragen. Op dit, veelal verborgen gehouden, lijden zullen de diakenen hun aandacht moeten gaan richten, opdat velen het mede-lijden, het medeleven en de daadwerkelijke steun van de kerk als gemeenschap-in-de-wereld zullen ervaren.

Diakenen, die zich op het terrein van de niet-materiële nood bewegen, zullen alras bemerken, dat zij bij het tasten naar een mogelijkheid tot leniging ook contacten behoeven met de andere ambtsdragers, zoals ouderlingen en predikanten. Teamwerk van ambtsdragers uit alle categorieën zal voortdurend noodzakelijk blijken, terwijl ook gebruik zal dienen te worden gemaakt van deskundigheden, die in de ruimere kring der gemeente aanwezig zijn. En voorts zal men op de hoogte moeten zijn van de mogelijkheden, die vele instanties bieden inzake hulp in specifieke situaties. Om deze mogelijkheden te leren kennen kunnen ambtsdragers van het boek van mr Van der Linden gebruik maken; het zou, alleen al met het oog hierop, in de boekerij van elke kerkeraad aanwezig moeten zijn.

Kennisname van het hier besproken werk zal kerkeraden en kerkeraadsleden een actuele visie kunnen geven op een belangrijk deel van hun taak. Deze visie: Nu de financiële behoeftigheid minder de aandacht van de kerk vraagt komt er ruimte om de barmhartigheid in vele andere vormen gestalte te geven. En bij de beoefening van deze barmhartigheid staat de kerken reeds een schat van specialistische „hulpapparatuur” en deskundige „mankracht” ten dienste.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.