+ Meer informatie

Huisbezoek ook voor de kinderen ?

5 minuten leestijd

Nu we weer aan het begin van een nieuw seizoen staan en de programma’s voor het jaarlijkse huisbezoek zijn opgesteld en besproken (!?) is het wellicht goed eens even stil te staan bij bovengestelde vraag.

’t Is, dacht ik, in overeenstemming met de werkelijkheid als ik stel dat niet alleen kinderen tegen een gesprek met ouderlingen opzien, doch dat ook ouderlingen een gesprek met jonge mensen vaak een moeilijke zaak vinden.

En, laten we dat maar gelijk vaststeilen, het is vaak moeilijk om met de jeugd te spreken.

Waar ligt dat nu aan?

’t Is natuurlijk bijzonder gemakkelijk om de schuld daarvan op de jeugd te schuiven.

Hoe vaak wordt niet gezegd: „Het is toch niet eenvoudig om met die jonge mensen te praten. Ze zijn soms zo kritisch en menen vaak ailes veel beter te weten dan de ouderen”.

Nou goed, daarmee is dan een oordeel geveld terwijl sommige huisbezoekers misschien blij zijn dat zij de ouders maar alleen thuis troffen, óók al was bij het afspreken gezegd dat op aanwezigheid der kinderen gerekend werd.

Toch horen de kinderen erbij, ook al lees je dat in vrijwel geen enkele leidraad voor de ouderling.

Heel wat leerzame en behartenswaardige opmerkingen zijn in de loop der jaren geschreven en gedrukt, en door menig „aankomend” ouderling is daarvan wellicht een dankbaar gebruik gemaakt. De, meestal weleerwaarde of zeergeleerde, schrijvers hebben echter aan het gesprek op huisbezoek met de jeugd praktisch geen aandacht geschonken, voor zover ik heb kunnen nagaan. Toch zal dit onderwerp ons als ambtsdragers wel moeten bezig houden en het is misschien daarom aan te bevelen om er op de kerkeraadsvergadering eens een speciale bespreking aan te wijden. Minder belangrijke zaken kunnen wellicht naar een latere vergadering verschoven worden.

Het is m.i. fout om de zorg voor de jeugd, dus ook het huisbezoek, maar aan de (een) jeugdouderling over te laten.

Misschien is dat wel de makkelijkste weg, maar daarbij wordt dan vaak vergeten dat wel een zeer moeilijk en verantwoordelijk werk op de schouders van één man wordt gelegd, terwijl dit toch in wezen tot de taak van de gehele kerkeraad behoort.

Als kerkeraad hebben we met het hele gezin te maken omdat nu eenmaal het hele gezin erbij hoort.

In: „Vader, Moeder en kinderen”, no. 13 van het Ds. Janssenfonds, schrijft ds. H. Toorman: „We lezen in Genesis 17 dat de Here Zijn verbond heeft opgericht niet maar met mensen, niet maar met de ouders en ook niet alleen met de kinderen, maar met de ouders èn hun zaad, met het gezin. Het gezin is de fundamentele levensgemeenschap, dáár begint de Here”. Pag. 5 v.v.

Welnu, daarvan uitgaande is het duidelijk dat een deel van het gezin n.l. de kinderen er tijdens het huisbezoek niet „voor spek en bonen” bij mogen zitten maar dat zij ook de aandacht krijgen die zij verdienen.

Dat het daarbij verstandig kan zijn om „het gesprek” juist met de jeugd te beginnen en een al te spoedig „ingrijpen” van de ouders tegen te gaan, is door ondergetekende reeds eerder aangetoond. (A.C. no. 55, 1967).

Probeert U het maar eens en U zult bemerken dat het een zeer goed algemeen gesprek tot gevolg kan hebben.

Alléén: de kinderen zullen natuurlijk wel moeten weten wat „huisbezoek” inhoudt, en dat zal hen in de eerste plaats door de ouders alsook op de catechisatie moeten worden verteld.

Dat de praktijk dan met de theorie dient te kloppen is duidelijk, doch niet altijd het geval.

Zo werd eens in een gezin aan twee kinderen, middelbare scholieren, gevraagd of ze wisten wat huisbezoek was.

Het antwoord: „Zorgen dat je huiswerk op tijd af is en dan de hele avond niets zeggen want er wordt alleen met vader en moeder gepraat”.

’t Zal duidelijk zijn dat hier eerst wat recht gezet diende te worden en eerlijk verteld werd dat het voor ouderlingen soms ook erg moeilijk is om de juiste toon te vinden.

Uit de vragen die daarna echter los kwamen bleek overduidelijk hoe belangryk het is naar de kinderen te luisteren en te proberen hen in hun dagelijks leven te volgen en zich hun vragen in te denken.

Zo’n gesprek kan ook voor de ouders een steun zijn bij de opvoeding en daarom zou ik nog eens het nut willen onderstrepen van een extra bezoekje door predikant of wijkouderling in gezinnen met opgroeiende kinderen. Vertrouwen wint men nu eenmaal niet met één bezoek per jaar.

In verband daarmee zou het ook te overwegen zijn om met de ouders eens een z.g.n. praatavond te houden over huisbezoek zoals dat ook wel over de catechisatie gebeurd.

In grotere gemeenten mogelijk een goed onderwerp voor de wijkavonden. Belangrijk is dan echter dat de leiding in handen is van de kerkeraad en deze dus eerst het onderwerp zelf goed heeft doorgesproken.

Ik heb getracht duidelijk te maken dat het huisbezoek zeker ook de kinderen geldt en dat het daarom in gezinsverband dient te geschieden.

Apart met een jongen of meisje spreken kàn soms gewenst zijn maar moet m.i. uitzondering blijven.

In een christelijk gezin zullen we toch „wel wat van elkaar mogen weten”. Openheid t.a.v. vreugden of moeiten, ten opzichte ook van de persoonlijke verhouding tot de Here en Zijn dienst kan voor het hele gezin aanleiding zijn tot meer gebed voor elkander of reden om samen de Here te danken.

Ambtsdragers hebben in dit alles een moeilijke maar ook heerlijke taak. U, brs., mag boodschapper zijn van uw Zender, óók bij het huisbezoek, óók voor de jeugd.

Laat het dan niet aan U te wijten zijn wanneer kinderen een verkeerde indruk van het huisbezoek krijgen, maar betrek ze erbij … en laten ze aan U mogen merken dat het dienen van de Here een liefdedienst is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.