+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

4 minuten leestijd

(19.)

Valerius' „Gedenck-clanck." I.

Wanneer door bizondere omstandigheden de snaren der ziel in heviger mate geroerd worden dan gewoonlijk, ontstaan liederen, hetzij treur-of klaagzangen, hetzij dat „de verheffingen Godes in de keel zijn." Met verscheidene voorbeelden zouden we dit kunnen bevestigen. Als Israël droogvoets door de Rode Zee is gegaan, dan lezen we: „Toen zong Mozes en de kinderen Israëls den Heere dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal den Heere zingen, want Hij is hogelijk verheven!" En wanneer de lange woestijnreis ten einde is en Mozes zijn werk als leidsman heeft volbracht, dan staat er: „Toen sprak Mozes, voor de oren der ganse gemeente van Israël, de woorden dezes lieds, totdat ze voltrokken waren." En dan volgt dat prachtige hoofdstuk 32 uit Deuteronomium. Zo zouden we kunnen wijzen op de lofzang van Debora in het Richterentijdperk. We zouden David als voorbeeld kunnen stellen; als hij klaagt bij het vluchten voor het aangezicht van zijn zoon Absalom, of vliedend als een veldhoen op de bergen voor zijn grote belager Saul. Daartegenover het juichen en jubelen over het geschonken heil; over de grote daden Gods; over het profetisch zien van Jezus' kroningsfeest. Het is te veel om alles hier aan te stippen.

Wanneer er geen belangrijke gebeurtenissen plaats vinden, dan hebben we ook zelden uitingen in klaag-of lofliederen.

In de worstelstrijd van ons volk met het machtige Spanje; in de tijd toen verdrukking, geweld en hooggaande nood de mensen hier aaneensmeedden, werden hier liederen geboren, die om hun Godsvrucht, hun vurige overtuiging en sterk geloof een plaats gevonden hebben in de literatuur van het Nederlandse volk. Deze liederen worden wel genoemd: de psalmen en gezangen van Nederland.

Deze liederen staan verspreid in de kroniek van Adrianus Valerius. Deze kroniek bevat de vaderlandse geschiedenis sedert de aanvang der inlandse beroerten tot het jaar 1625, het sterfjaar van Valerius. In beknopt proza is de geschiedenis van dit tijdvak beschreven en in deze omlijsting staan tal van liederen met muziek en versierd met „figuurlijke platen". De melodieën waren meest van buitenlandse herkomst, vooral uit Engeland, Frankrijk en Italië. Valerius voorzag zijn uitgave van begeleidingen voor de luit of cister (een klein soort luit.) Hoofdzakelijk waren het wijzen van wereldlijke liederen uit de 16e en 17e eeuw; wijzen van dans-en liefdesliederen uit die tijd.

Men had daartegen geen bezwaar. Ook de verzen van Van Lodensteyn hebben voor een groot gedeelte wijzen van wereldlijke liederen: „Maar stoot u daar niet aan, de wijs weegt God niet of die zwaar of licht is", zegt Van Lodensteyn in zijn voorwoord van „Uitspanningen." „Gelijk alle dingen, zo is de zoetigheid van de maattrant den Christenen eigen; heeft de wereld iets zoets gevonden en gebruikt, zij bezitten het onrechtvaardig; wij nemen het onze, " zo gaat diezelfde man verder.

Adrianus Valerius, de verzamelaar van genoemde liederen, heeft zijn kroniek genoemd „Nederlandtsche Gedenck-clanck." Na zijn dood is het werk gedrukt. De schrijver was notaris en schepen van Ter Veere, het tegenwoordige oude stadje op het eiland Walcheren. Dit stadje laat door zijn vele oudheden nu nog zien de welvaart uit vroegere eeuwen en mag zich nu nog in druk vreemdelingenbezoek verheugen.

Volgens enkelen is de naam Valerius een latijnse vorm van Woutersz, een heel bekende Zeeuwse naam; anderen leiden de naam af van De Valery, daar Adrianus, vader Frangois de Valery zou zijn geweest, die notaris in Middelburg was. Adrianus oefende te Veere het beroep van zijn vader uit. Hij was ook deken van de rederijkerskamer „In reynder jongste groeyende."

Valerius heeft wel enkele verzen gedicht, maar ze-

ker toch niet alle. De andere dichters zijn onbekend. Dr Ph. Bernet Kempers schrijft over de liederen uit „Nederlandtsche Gedenck-Clanck":

„Overal in de liederen uit Valerius horen wij een geluid, dat elkeen, die de noden, de hoop en de vreugden van zijn tijd begreep, onmiddellijk verstaan kon. In vele dezer liederen klinkt het volkslied op zijn schoonst, al zal men hier en daar wel gedichten aantreffen, die uit literair oogpunt slechts bescheiden verdiensten hebben. Maar in het algemeen gesproken mag men beweren dat deze bundel een bezit vormt, dat ieder ander land ons terecht benijden mag. Bij mijn weten althans is er geen ander volk ter wereld, dat een zo grote schat van vaderlandse gezangen bezit. Er is geen volk, dat de meest benarde, maar ook de heldhaftigste, vruchtbaarste periode van zijn bestaan, dat de tijd, toen het tot staal gesmeed werd in het vuur van kanonnen, mutserds en brandschatting, zo volledig weerspiegeld vindt in het lied, als het onze. Deze liederen bewijzen door hun bestaan alleen al, dat onze vrijheidsoorlog er een was, die geschraagd werd door hoge idealen, door innige overtuiging en door diepe vroomheid. De dichters van Valerius waren geen grote dichters, maar de werkelijkheid, die achter hen stond, die hen dreef en opzweepte, was een grote werkelijkheid."

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.