+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Hoe zal „ik” rechtvaardig verschijnen voc God? Dat is dus een vraag, die uit de liefc’ tot God gesteld wordt. Het is met hem o haar, die God lietlieeft, zo gesteld, dat ze voc alle dingen „eerlijk” zalig willen worden. Z willen niet de hemel binnen gesmokkel worden. Ze willen langs een rechte weg komen. Want een ieder, die van elders inklim is een dief en een moordenaar. En daar hopt ze voor bewaard te blijven.

De liefde, die ze tot God en al Zijn deugdt hebben, doen de zonde ook smartelijk zijn Want het zijn maar geen vergeeflijke fouter zoals dit menigmaal openlijk of bedekt we voorgesteld wordt. Alles wat een mens denk zegt of doet, moet hem dan maar niet al t zwaar worden aangerekend. Een mens i immers maar een mens. Zo wordt er dan ge redeneerd. En met dat al schieten er ongevee geen zonden meer over. Men is dan alleen noj zondaar, als men b.v. een moord gedaan heeft En dan moeten er nog allerhande psychiater aan te pas komen om uit te zoeken of da dader wel toerekeningsvatbaar is. En als dal niet zo is, dan kun je hem voor die vreselijke daden ook al niet meer verantwoordelijk stellen.

Doch zo is het niet wanneer we in een rechte verhouding tegenover de Heere komen te staan. Dan worden zonden zonden. Zi worden dan gezien als bedreven te zijn tegen over een goeddoend God. Het is dan zo: God heeft hen nooit kwaad gedaan. En zij hebben nog nooit anders dan kwaad gedaan. God heeft kwaad met goed vergolden. Zij deden het tegenovergestelde, zij vergolden goed met kwaad. Dit geeft dan smart in het hart. Men heeft dan berouw, diep gevoeld berouw. Niet maar over de gevolgen van de zonden, maar over de zonden zelf.

Berouw over de gevolgen van de zonden is er ook maar al te veel. Je komt dat tegen bij figuren als Ezau en Saul en meer anderen.

Ik denk ten deze aan een oude man, die ik in mijn jeugd ontmoette. Hij had een uitgesproken slecht leven achter de rug. Hij tierde in het vuil, gelijk een zwijn in de modder. Ik heb hem daarop gewezen en gezegd, dat hij zó niet sterven kon. Ik heb hem ook verteld dat hij zich bekeren moest en dat er bij de Heere veel vergeving is, zelfs voor de grootste en meest verharde zondaar. De woorden schenen op de man z'n uitwerking niet te missen. Het leek er op alsof hij berouw kreeg. Tranen kwamen in zijn ogen. Als hij aan de toekomst dacht, dan riep hij het uit: Benauwd, benauwd! ! Het bidden werd hem, naar hij zeide, een dagelijks werk. Ja zelfs des nachts kon hij er menigmaal niet van slapen. Hij zat dan overeind in zijn bed om het aangezicht van God te zoeken, naar zijn eigen woorden. Doch het hielp allemaal mets. Na verloop van tijd kwam hij naar mij toe met de vraag hoe het nu kwam dat er maar geen verandering kwam 111 zijn leven. Ik zat er even mee. Want ik had hem gezegd: Wie bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en wie klopt, die zal worden opengedaan. Maar deze woorden van God schenen dan in het leven van die man niet waar te zijn. Het was dus hier van tweeën één: Of Gods Woord is niet waar, of het bidden van die man was niet waar.

Ik heb hem toen gezegd: Ik zal je op je vraag een antwoord geven als je mij eerst antwoordt op de vraag die ik je stel. Als er nu eens geen hemel was tot loon en geen hel tot straf en dood was dood, zou je dan ook nog zo bidden? Toen luidde zijn antwoord: Wel neen man, dan dacht ik er niet over. Met dit antwoord verklapte de man zichzelf. Hij had angst voor de hel, en wilde daarom maar liever naar de hemel. Het leek hem daar toch wel beter, al wist hij met wat hij er doen moest. Het kon hem in de grond der zaak van God niet schelen. Hij was een man, die naar het woord van Jakobus, kwalijk bad. En daarom ontving hij niet. De liefde tot God, die niet de hemel zoekt, maar die voor alle dingen God Zelf zoekt, ontbrak hem ten enenmale.

Voor zover ik weet, is de man gestorven zoals hij geleefd heeft. Ontzettend, als men zo de eeuwigheid in moet. En zo zijn er nogal wat. Ze houden de godsdienst wat aan, uit vrees voor straf. Maar als ze zeker wisten dat er op de zonden geen straf zou volgen, dan leefde men zich uit in de zonde. Nu wordt men nog wat in de band gehouden. Maar men vindt het eigenlijk jammer dat men z'n hart in de wereld met op kan halen. Men zegt dan wel eens: We zijn maar ongelukkig. We hebben in de wereld niets en als we dood gaan, dan hebben we nog niets. Men spreekt daar dan eigenlijk mee uit, dat men graag de genietingen der wereld en der zonde met volle teugen zou willen drinken, als men maar durfde. Doch omdat men niet durft, daarom wordt men nog van veel kwaad weerhouden. Hoewel, en dat zien we tegenwoordig al meer, men tenslotte ook over deze vrees zichzelf heen werkt om dan teugelloos en toomloos de wereld in te gaan. Beste vrienden, ik kan niet anders doen dan bidden, dat God jullie hiervoor bewaart. Want het hart van een mens van nature ligt die kant uit.

Doch als er liefde in het hart mag zijn, dan haat men de zonde om de zonde, en dan bemint men God om God. En dan, nogmaals, God in al Zijn deugden, dus ook in de deugd van Zijn recht.

De zonden worden dan als schuld gezien, hemelhoog. En wie zal die schuld betalen? Dat IS dan aan de zijde van de schuldenaar een onmogelijke zaak. Grote benauwdheden worden dan uitgestaan. De satan, die de verklager der broederen is (Openb. 12 : 10), laat zich dan ook niet onbetuigd. Hij klaagt hen aan. Hij wijst hun op hun zonden. Hij zegt. Je hebt mijn wil gedaan en nu zul je straks van mij loon naar werken ontvangen. Je gaat voor eeuwig verloren. Je hebt de hel verdiend en niets anders. De wet veroordeelt ook. Want het staat ontwijfelbaar in Gods Woord beschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen, Gal. 3 : 1 0 . Het geweten klaagt ook aan. Want als de zonden ordentelijk voor ogen worden gesteld, dan kan de zondaar niet anders doen dan dit alles beamen. In het gewone leven zoekt men op alle mogelijke wijze zich te verontschuldigen. Dit deden Adam en Eva ook, na de zondeval. En daar zijn we uiteindelijk allemaal kinderen van. Dat komt dan in de praktijk wel openbaar.

Maar als men met God te doen krijgt, en van alle zijden beschuldigd wordt, dan is er geen verontschuldiging meer bij. Beleefd wordt dan: Ik werd benauwd van alle zijden enz. Of, zoals het in Ps. 116 staat:


Ik lag gekneld in banden van de dood.
Daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen,
Ik was benauwd, omringd door droefenissen;
En riep de Heer’ dus aan in al mijn nood:
Och Heer’, och wierd mijn ziel door U gered?


Want, weet je, als de Heere in het recht zou treden en gadeslaan hun ongerechtigheden, ach, ze zouden voor Hem niet kunnen bestaan. Onmogelijk. Want de Heere kan van Zijn recht geen afstand doen. En het recht vordert de dood van de zondaar. Want de ziel, die zondigt, die moet sterven.

Hun eigengerechtigheden baten niet. Want al zouden ze een zee vol deugden willen aanvoeren om daar al hun kwaad maar enigszins mede te bedekken, het is onmogelijk. Want al hun eigengerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed voor God. Dat wil zoveel zeggen als wanneer ze daar mee aan willen komen, dat de Heere dan zegt: Ga weg er mee, want je bent me te vies om aan te pakken.

Men staat dan naakt en bloot voor God. Men heeft geen enkele bedekking voor zijn schuld. Men weet dan niet waar men zich bergen moet. Wat er staat in Ps. 142 : 4 is dan ook al geen vreemde zaak.


’k Wou vluchten, maar ’k kon nergens heen,
Zodat mijn dood voorhanden scheen,
En alle hoop mij gans ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.


Men kan dan niet anders doen dan het vonnis inwachten. Ja men draagt het vonnis des doods dan in z'n binnenste mee. En men tornt er dan ook niet tegen in. O neen! Men noemt dit dan ook niet te „zwaar” als deze dingen worden voorgesteld. Men is het er dan hartelijk mee eens. Want de Heere kan niet anders en Hij mag niet anders. En de zichzelf veroordelende zondaar wil niet anders.

Waarom wil die zondaar nu niet anders? Want dat begrijp ik niet, zegt mogelijk iemand van jullie. Als ik het toch goed begrepen heb, dan IS z'n ondergang er mee gemoeid? Inderdaad! En toch wil hij niet anders. Weet je waarom niet? Omdat hij God lietlieeft in al Zijn deugden, ook in die van Zijn recht. En vanuit de liefde tot God, is hij het met God eens, al zou hij voor eeuwig verloren moeten gaan.

Doch ik zie al weer dat ik moet gaan eindigen. Overdenk deze dingen maar eens rustig en trek niet al te gauw een verkeerde konklusie. Er komt nog meer. Met hartelijke groeten, jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.