+ Meer informatie

Neerwaartse inkeer van Roland Holst

4 minuten leestijd

Na het hoog opstijgen in zuivere zangen, weg van het ondermaanse, moet de neerslag wel komen, de inkeer tot zichzelf. Dan wordt de dichter een innerlijke leegte gewaar. Hij is ontoereikend om te verwoorden wat hij ondergaat, en de gedachte, of liever het gevoel, komt in hem op, dat eenmaal dat vermogen er geweest moet zijn. Die vervreemding van zijn oorsprong wordt schuld.

Hoe duidelijk zien we hier, dat wij goed zijn geschapen om tot eer van onze Schepper te leven. Een ontdekte ziel, door Gods Geest bearbeid, kan niet anders dan die vervreemdheid van God beschreien en er komt een jagen naar de volmaaktheid, om te worden wat de uiteindelijke bestemming van de mens moet zijn: tot eer van God te leven.

Door de algemene werking van de Heilige Geest kan een gevoelige ziel ontdekt worden aan het grote tekort in zijn leven; dat het niet beantwoordt aan de roeping, maar dat brengt geen vernedering voor het Aangezicht des Heeren. Bij de dichter Roland Holst horen we niet over schuld tegen God, maar we vernemen twijfel, angst en bitterheid. De algemene werking van 's Heeren Geest kan wel een gevoel geven van een niet-beantwoorden aan het levensdoel, maar brengt niet op de juiste plaats; het graaft niet dieper, zoals we lezen bij Ezechiël; het komt niet tot de totale verdorvenheid en het moedwillig-verliezen van Gods Beeld.

De verrukkingen over een eeuwig eiland, waarover in vorige artikelen is gehandeld, horen we niet in de bundel „Een Winter aan Zee", in 1937 verschenen. De hoge opvluchten hebben plaats gemaakt voor een „neerwaartse inkeer".

Leeuw van oud licht, zieltoogt ergens in het woest duin de dag nog: het bitter oog breekt, en de manen raken vol zand. Aan den zee-einder brandt nog een wolkgebied, waar de Eeuwige door vuurdraken zijn aftocht dekken liet.

Op het eerste gezicht, bij de eerste lezing, zullen velen er niet veel van begrijpen. De dag sterft in het woeste duinlandschap; de zon gaat onder. Het beeld van een leeuw wordt even vastgehouden: de manen raken vol zand. En het bitter oog breekt: het is straks afgedaan. Maar de wolken staan nog in vuurbrand, als een weerschijn van wat geweest is, als een herinnering aan het voorbije.

De dichter is teruggekomen van zijn hoge opvluchten en zakt neer bij zijn spade. Hij herinnert zich het licht en het goud wel, maar hij is teruggekeerd naar het aardse leven. Wat hij als eeuwigheid ervoer, wordt nu dag en de dagelijkse arbeid is zwaar. Hoor maar hoe de dichter dit zegt:

Uitgeput zakte een spitter neer bij zijn spade — o, ziel, herinnerd licht en bitter goud, dat het hart uitbijt — sinds ge aan het zwerk ontviel graaft de mens naar genade. Karig werd de eeuwigheid met dagloon, zwaar de spade.

De dichter gaat verder. De zeevogels vliegen krijsend omhoog en zwermen maar heen en weer, twistend, vrezend,

bang voor onraad. En dan vraagt de dichter zich af, of er ook een zwerm van het hart opgestegen is, om hoog te blijven vragen wat er leeft. Dat beschrijft Roland Holst aldus:

Van de eerste verre zandplaat joeg mijn komst de zeevogels krijtend de kou in: onraad, vrees, twist: niets dan ijl zwermen.... Maar welke zielszwerm vloog er van het hart op, en bleef erboven in gouden kermen vragen wat er nog leeft'

De dichter weet dat het niet anders kan. Zijn hart moet wel inkeren tot zichzelf. Van de dag af, dat hij naar zijn dromen luisterde en daardoor het geheim werd aangeboord (zoals dat gebeurt met een ertsader), zo eist hij, dat zijn hart tot een neerwaartse inkeer zal komen. Probeert het maar te volgen:

Sinds ik, den droom verhoor afnemend, een ertsader van het geheim aanboor, waardoor (en 't is haar wezen)

ik werelds kern benader, is 't dat, tot eiken prijs, ik ook van 't hart nu dezen neertwaartsen inkeer eis.

De dichter Marsman had voorspeld, dat het lied van Roland Holst zou verlopen in leegte en koude. Daar zinspeelt de dichter op in de vijfde strofe, maar hij voegt er aan toe, dat

de mensen, die dit voorspelden, niet begrepen wat heimwee kan doen: de zintuigen van zien en horen (van het onbereikbare, maar aanwezige) worden veranderd in schroeiende wonden, die pijn doen; de taal moet wel gebruikt worden om het schone en verhevene uit te zin eren in klank. O De vijfde strofe luidt dan:

Zij voorspelden mijn lied ijl einde in leegte en koude — Maar zij begrepen niet wat heimwee kan: tot wonden verhevigt het verouden oog en oor, en brandschat de taal, om te doorgronden wat de wereld vergat.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.