+ Meer informatie

WETTIGE OF GELDIGE DOOP?

3 minuten leestijd

Zo nu en dan trekt een proefschrift de publieke aandacht buiten de academie; enkele dagbladen besteden aandacht aan de op handen zijnde promotie, en de dagen daarna verschijnen ingezonden stukken in de krant. Er is blijkbaar met het proefschrift een gevoelige snaar in de samenleving geraakt, en dat gebeurt lang niet altijd. Zo leverde de studie van (nu) dr. P.L. Voorberg, predikant van de Geref. Kerk (vrijg.) te Emmeloord in januari 2007 de nodige discussie op. Hij onderzocht de vraag van de erkenning van de (elders bediende) doop. De studie is natuurlijk veel breder dan wat ervan in de kranten stond: in het eerste deel (blz. 17–276) wordt verantwoording afgelegd van een lijvig historisch onderzoek; in het tweede deel volgen beoordeling en conclusie. De eindconclusie is dan (blz. 460) dat een doop geldig mag heten wanneer hij met water én in de naam van God drieënig is verricht. Tot zover niets aan de hand. Maar… boven de geldigheid van de doop gaat het volgens de auteur ook over de wettigheid ervan. Een doop is volgens hem wettig als deze in de kerk heeft plaatsgevonden. En waar is de kerk dan? Op blz. 362 e.v. wordt duidelijk dat hier de ware kerk wordt bedoeld. En dáár brandde de discussie in de pers (zowel pro als contra) los: in welke kerkgenootschappen is die te vinden? De auteur stelt vervolgens de vraag tot welk punt een doop, alhoewel niet wettig, toch nog geldig kan heten. En dan wordt het toch wel lastig: het doet denken aan de haren die een voor een uit de paardenstaart getrokken worden… is dit onderscheid echt houdbaar? Ik ben er niet van overtuigd geraakt. En als er al een punt wordt gemaakt: wat brengt ons dit nu wezenlijk verder? Gedoopt is toch gedoopt, hoe dan ook (binnen de kaders die op blz. 460 worden genoemd).

Ik heb nog eens gekeken naar onze eigen kerkordelijke regelingen. In 1965/’66 sprak onze generale synode over de geldigheid van de doop. Deputaten vertegenwoordiging van de kerken stootten erop in hun contacten met de Geref. Kerken. Prof.dr. J. van Genderen had meegedaan in een studie (Acta blz. 120), en ging daar uit van het standpunt van Calvijn: de hand en het zegel van de Here kan in zijn sacramenten herkend worden, door welke overbrenger ze dan ook mogen worden gebracht (Inst. IV, 15 en 16). Ook Voetius is helder: ‘er is veel dat niet behoort te geschieden, dat toch van kracht blijft, wanneer het geschied is’. Daarmee was voor de synode de kous wel af. In 1968 volgde nog een staartje, omdat de synode in 1912 de doop, bediend door een vrouw, ongeldig had verklaard. De synode stelt dan: ‘dat in het besluit van de generale synode van 1882 duidelijk is aangegeven wat de vereisten zijn voor de erkenning van de doop (…)’ Zij grijpt terug op de in ‘65 aangeduide lijn en verklaart het synodebesluit van 1912 als vervallen. Wettig, geldig, erkend… het wordt allemaal door elkaar gebruikt. Maar de CGK hebben ook niet zo’n strijd gekend over het thema ware kerk als de GKv.

n.a.v. P.L. Voorberg, Doop en Kerk. De erkenning door kerkelijke gemeenschappen van de elders bediende doop. Uitg. Groen Heerenveen 2007, 507 blz., € 32,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.