+ Meer informatie

GODS HAND IN HET LEED DAT UNS TREFT

Pastorale overwegingen bij Zondag 10 H.C.

7 minuten leestijd

‘Je gelooft toch niet dat God hiermee te maken heeft?’ Het bezoek van de ziekenhuispastor, inmiddels zo’n twaalf jaar geleden, heb ik erg gewaardeerd. Maar wat moest ik met deze vraag? ‘God kan er toch niets aan kan doen?’ Mijn antwoord was toen: ‘Ik hoop het wel…’ Theologen hebben soms niets meer met een God die ons leven in Zijn hand heeft. Wat houd je dan over? Mogen we nog troost vinden bij God de Vader die ons leidt en vasthoudt? Het is echter een troost die niet iedereen ervaart. Je kunt het elkaar niet zomaar geven. De redactie vroeg me iets te schrijven over het pastoraal omgaan met de vragen rond Zondag 10 (H.C.). Bij zoveel verschillende gedachten en ervaringen vraagt dat om veel zorgvuldigheid.

HET VERHAAL ACHTER DE WOORDEN

Tegen de achtergrond van pijn en intens verdriet is het te begrijpen dat iemand moeite heeft met Zondag 10. ‘Ik kan niet geloven in een God die mijn vader dood laat gaan’ zei iemand eens. Een vader merkte op: ‘Hoe moet ik troost vinden bij God die mijn kind van me afnam?’ Dan schieten dogmatische antwoorden tekort. Eerst maar eens luisteren naar het verhaal achter de woorden.

Pastorale zorg luistert nauw. We horen woorden van afwijzing. Het lijkt soms een totale afval van de Here. Wie goed luistert, merkt dat het een afwijzing is van een beeld, waar hij of zij niet mee leven kan. Is God niet veel meer dan dit beeld? Eerst dus maar stil zijn. Niet het uitgangspunt nemen in onze eigen beleving, maar luisteren naar de ander, zijn gevoelens en diepste pijn. Dat schept ruimte in de ontmoeting. Je komt nader tot elkaar. Dan kan nieuwe hoop ontwaken, nieuw vertrouwen groeien, een nieuw zicht ontstaan op God de Vader.

GESNEDEN BEELDEN

Naast de ervaringen van pijn en verdriet, is het belangrijk te letten op het beeld van God dat iemand al had. Een beeld, soms van jongs af voorgehouden. Wat dat met iemand doen kan, zien we bij schrijvers als Maarten ‘t Hart. In Een vlucht regenwulpen (1978) denken twee ouderlingen de oorzaak te weten van een ernstige ziekte. De moeder die het treft, zal wel verloren zal gaan vanwege haar zonde. Dan verzet de hoofdpersoon zich heel fel tegen ‘de god van zondag 10 die met vaderlijke hand mijn moeder een krankheid heeft doen toekomen, (..) de god die mensen zo intens haat dat hij keelkanker voor ze heeft uitgevonden’ (blz. 99). Veel milder is de toon bij Robert Haasnoot. Maar ook hij rekent af met wat hij in zijn opvoeding in Katwijk meekreeg. In De heugling (2005) wordt over het zeemansvolk gezegd: ‘… hun God is onberekenbaar. Bij vlagen hardvochtig’ (blz. 148). Wie vroom spreekt over Gods leiding, is in dit boek bovendien schijnheilig en gericht op eigen belang. In deze voorbeelden is Zondag 10 gaan fungeren als een gesneden beeld, een waarheid van graniet. Dat de Here een levende God is vol erbarmen, wordt niet gehoord. In een tv-interview (Schepper en Co, november 2012) vertelde Haasnoot dat hij als kind God zag als Iemand die niet veel van hem hield. Het doet pijn dat te horen. God is immers niet wreed, maar diep bewogen. Hij wil een Toevlucht zijn in nood. We hopen op Hem Wiens wegen niet de onze zijn (Jes. 55:8-9). Het is een onmetelijk wonder dat de eeuwige God Zijn Zoon gaf voor zondaars. Wat wij verwachten, heeft geen mens ooit kunnen bedenken (I Kor. 2:9). Tegenover deze God past verwondering en ootmoed. Wanneer dat ontbreekt, worden mensen op een dwaalspoor gezet. Het luistert nauw in ons luisteren naar de ander en in ons spreken over God!

GOED VERSTAAN

Ook de inhoud van Zondag 10 moet goed worden verstaan. Laat niet meer worden gezegd dan er staat! Het gaat verkeerd wanneer we teveel redeneren over Gods bedoelingen met het leed. De ouderlingen van Maarten ’t Hart leggen zelfs het verband met de zonde tegen de Heilige Geest. Zo spreekt de Catechismus nergens. Aan de Here wordt geen recht gedaan. Hij wordt gereduceerd tot een Wezen dat in een mechanisch denksysteem is ingepast. Het lijkt meer op het heidendom, waar het de goden zijn die het kwaad bedenken.

Zondag 10 bevat woorden van een gelovige, die in Zondag 1 begint met zijn enige troost en houvast in leven en sterven: Zijn eigendom mag ik zijn. Uit Zijn hand kan ik niet vallen. Aan het slot van de Catechismus komt hij bij het Onze Vader, bij Zijn genadetroon. Van Hem is het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid. Dat behoedt ons ervoor om op aardse wijze over Hem te denken. Hij is geen machinist die als het ware knoppen bedient van rampen en ongelukken. Zijn handen zijn veel groter en Zijn armen reiken veel verder. ‘Onder u zijn eeuwige armen’ sprak Mozes tot Israël. Het blijft voor ons moeilijk te begrijpen hoe onheil naar ons toekomt terwijl we belijden in Zijn hand te zijn. Maar het ontgaat Hem niet. Hij is op heel ons leven betrokken. Het onheil heeft niet het laatste woord.

HOE BRENG JE DIT OVER?

Om deze troost te kunnen delen, is het noodzakelijk naast de ander te komen. Waar bevindt de ander zich? Bij die vraag begint de Here Jezus wanneer Hij naast de Emmaüsgangers komt lopen. Zo alleen kan passende zorg worden gegeven.

De joodse filosoof en theoloog Martin Buber (1878-1965) legt uit wat in een ontmoeting gebeurt. Hij onderscheidt drie lagen: observeren, beschouwen en gewaarworden. Toegepast op het pastoraat: bij het ‘observeren’ gaat het om het serieus vragen naar de feiten. De feiten doen ertoe! Soms wordt te snel gedacht: hier kom ik niet voor, ik ben hier voor een geestelijk gesprek. Een geestelijke houding veronderstelt dat we goed tot ons laten doordringen wat in de ander omgaat. Buber noemt vervolgens het ‘beschouwen’. In het pastoraat betekent dat, dat je ook de tijd neemt om het gevoel en de sfeer erom heen te proeven, om bij de ander te komen. Bij wat Buber ‘gewaarworden’ noemt, is de ontmoeting van nog andere orde. We lezen van ‘waarachtig contact’ en ‘actieve toewending tot de wereld en de ander’. ‘Deze mens is niet mijn object, ik heb met hem te maken gekregen’ (Dialogisch leven, 2007, blz. 81). Dan ben je er zelf bij betrokken.

Voor zulke waarachtige ontmoetingen moeten we bij Jezus zijn. In het pastoraat kunnen we die niet forceren. In Zijn Geest zullen we de ander wel echt zoeken en voluit serieus nemen. We zullen ons laten raken en met werkelijke ontferming bewogen zijn, zoals Hij. Dat begint met gebed: schenk mij een opmerkzaam hart.

HUIVERENDE ZORG

Het trof me wat iemand eens opmerkte bij de ontmoeting van de profeet Elisa met een Sunamitische vrouw. Elisa noemt de vele zorg die zij aan hem heeft besteed (II Kon. 4:13). Ze heeft zich moeite getroost. Het Hebreeuwse woord ‘charada’ dat met geven van zorg of moeite wordt vertaald, betekent ook: beven, huiveren. De Kanttekeningen van de Statenvertaling spreken van een ‘zodanige zorg, die met vrees en bevinding verenigd is’. De Sunamitische gaf ‘huiverende zorg’ aan de man Gods (II Kon. 4:9). Een bijzondere uitdrukking. Een zekere ‘huiver’ mag er wel zijn in het pastoraat als het gaat om de vragen rond het lijden en de hand van God. Dat wil zeggen: de vreze des Heren als het begin van pastorale wijsheid. Nauwgezet luisteren naar héél Gods Woord, nauwgezet luisteren naar waar de ander zich bevindt, en in afhankelijkheid van Zijn Geest zoeken naar wat nu van ons wordt gevraagd.

GEDULD, DANKBAARHEID, VERTROUWEN

Volgens Zondag 10 is het nodig de geborgenheid bij God te kennen om ‘in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar en voor de toekomst een goed vertrouwen te hebben op onze getrouwe God en Vader…’

Geduld onderscheidt zich van berusting. Berusting is al gauw negatief van aard: we schikken ons erin, het is niet anders. In gelovig geduld is er ontzag voor Gods grootheid, zoals Job die aan het eind van het gelijknamige Bijbelboek leert kennen. Gelovig geduld laat ruimte voor wat we niet begrijpen, om het in Gods hand te leggen. Soms gaat het dwars door de opstandigheid heen, zoals de Psalmen laten zien. We mogen vragen stellen. ‘Hoe lang nog, Here?’ In Romeinen 8 vers 26 horen we van onuitsprekelijke verzuchtingen van de Heilige Geest. De Geest hunkert met ons naar de voleinding! Hij doet ons leven uit de doorboorde handen van Christus - handen boordevol genade. Hij leed als geen ander, uit diepe bewo-genheid met ons. Hij gaat ons begrip te boven. Wat zouden wij kunnen zeggen over Gods bedoelingen met alle dingen? Beter is het te zeggen: in alles heeft Hij een doel met ons. Dat geeft nieuwe adem en brengt ons in de ruimte. Daar komen vragen in breder perspectief en vinden wij nieuwe hoop: er is een God die leeft, uit Zijn hand vallen wij niet.

Wij blijven geloven dat onder miljoenen
de Heer’ van de schepping een doel met ons heeft
waarin zich Zijn heil en mijn twijfels verzoenen
en dat aan elk leven betekenis geeft.

Ds. J. van der Wal (1966) is predikant in Baarn. Hij genas van de ziekte Non-Hodgkin na een stamceltransplantatie in 2001, waarbij zijn jongste zus donor was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.