+ Meer informatie

‘Werkloos’ of: ‘vrijgesteld van (produktie)arbeid’

9 minuten leestijd

Wanneer ik deze titel gebruik voor een artikel, waarin ik verschillende facetten van werkloosheid naar voren wil brengen, en wat nader wil ingaan op de diakonale taak tegenover werkloosheid, dan geef ik hiermee meteen al aan dat het kernprobleem is: de manier, waarop we tegen mensen aankijken, die geen werk hebben. Of dat nu tijdelijk is of voor een veel langere periode, of het vrijwillig of onvrijwillig is: mensen, die feitelijk geen arbeid verrichten, worden door de samenleving gestigmatiseerd.

Zij worden beschouwd als tweederangs mensen en zij gaan dat door de druk van buitenaf, door deze houding van hun medemensen, bijna altijd zelf ook ervaren. Oorzaak hiervan is de overwaardering van onze maatschappij voor de arbeidsprestatie, die ten dienste van economische doeleinden wordt geleverd. Wordt deze prestatie niet meer geleverd, dan valt deze (te grote) waardering weg. Mensen komen in een positie, waarin ze zichzelf als niet meer van waarde ervaren.

Dit menselijk beleven van de arbeid, van de waarde van arbeid en daardoor van de ‘niet-waarde’ van het zonder werk zijn vormt de kern van het probleem van de werkloosheid. Als er van uit de kerk gesproken wordt van een taak tegenover de werkloosheidspro-blematiek, moeten we daarom steeds uitgaan van deze kern: de beleving van de mens op grond van een waarde, die toegekend wordt aan arbeid. Hierop inspelen betekent dan automatisch: denken over een andere benadering van arbeid.

In het volgende wil ik eerst nader ingaan op de meer uiterlijke facetten van de werkloosheid, om daarna dit andere denken, dit andere arbeidsethos te behandelen. Tenslotte wil ik trachten enige praktische zaken aan te rei ken, waarin diakenen concreet kunnen bezig zijn met de werkloosheidsproblematiek.

De economisch-sociale ‘buitenkant’

In zijn algemeenheid kunnen geen zinvolle opmerkingen gemaakt worden over DE werkloosheid. Daarvoor zijn werkloze mensen te veel in te delen volgens allerlei indelingen. In sommige gebieden van ons land (denkt u maar aan Oost-Groningen) is er geweldig veel werkloosheid, vooral onder de lager geschoolden. In andere delen (bijv, het Botlekgebied) is er juist een tekort aan arbeidskrachten, met name op het niveau van het middenkader, de goed geschoolden. In universiteitssteden is een hoog percentage werkloze academici. En zo kan de opsomming nog langer worden, de indelingen fijner, zo worden mensen nog meer van elkaar vervreemd, doordat men hen in kleine groepjes indeelt.

Desondanks kunnen toch wel een paar statistische gegevens*) behulpzaam zijn bij het in kaart brengen van de problematiek.

In 1974 vond bijna 65% van allen, die werkloos werden of al waren, in dat jaar binnen 3 maanden weer nieuw werk.

In totaal zijn in dat jaar 700.000 men sen werkloos geweest, waarvan ± 30.000 langer dan zes maanden.

Uit de statistieken blijkt voorts dat de kans, om opnieuw werk te vinden, nà zes maanden werkloosheid snelt daalt. Wie langer dan één jaar werkloos is, heeft slechts 7% kans om weer te worden opgenomen in het arbeidsproces. Voegen we hier nog bij dat er behalve de 200.000 mensen, die nu werkloos zijn, nog eens ± 300.000 een uitkering krijgen uit hoofde van de W.A.O. en eenzelfde aantal uit hoofde van de ziektewet, dan wordt de noodzaak om over arbeid en de waarde ervan fundamenteel anders te gaan denken duidelijk onderstreept.

Immers, de hoge aantallen WAO-ers en mensen, die ‘in de ziektewet lopen’, zijn een duidelijke aanwijzing voor het feit dat men ontevreden is met werk dat men doet. Dit vergroot het probleem alleen maar. Behalve dat de waarde als mens blijkt weg te vallen, wanneer werkloosheid optreedt, zien we nu ook dat de arbeid zélf in zeer veel gevallen mensonterend is.

Van alle arbeid in ons land is 50% ongeschoolde arbeid. Slechts 8% van de werkers is alleen tot dat niveau opgeleid. Humanisering of vermenselijking van de arbeid wordt een dwingende eis in het licht van de grote aantallen mensen, die er ziek van worden, zowel geestelijk als lichamelijk. Dit zal tijd en geld kosten, maar vooral dit laatste mag geen belemmering zijn om er dan maar niet aan te beginnen. Het geld is er immers wel: door nivellering van inkomens kunnen grote bedragen hiervoor vrij gemaakt worden.

Een ander buitenkant-aspect is het feit, dat zoveel werklozen volstrekt niet op de hoogte zijn van hun rechten, en ook niet van de wijze, waarop zij deze rechten kunnen verkrijgen. Wellicht is dit de oorzaak dat 70% van de huidige werklozen in deze positie is terechtgekomen bij wederzijds goedvinden. Vaak worden vage beloften van de werkgever: ‘Je kunt zo weer terug komen, als het weer beter gaat’, te snel geaccepteerd als voldoende zekerheid voor de toekomst.

Pas enige weken later komt men tot de ontdekking dat, het wel eens heel lang kan duren voor ‘het weer beter gaat’. Maar dan is het te laat. Bij onvrijwilligheid van het ontslag heeft men tenminste van meet af aan een duidelijke zekerheid over de financiële toekomst. Maar zelfs dan blijkt maar al te vaak dat de mensen veel te weinig weten over alle faciliteiten, die de sociale wetgeving hun biedt.

Anders denken over arbeid

In de titel van dit artikel heb ik reeds getracht op meer positieve wijze te spreken over het niet hebben van werk. Daarin gaat het niet om een feitelijke constatering, zoals het woord ‘werk loos’, maar om een waarde oordeel: de maatschappij heeft iemand vrijgesteld van arbeid. Dat is een positieve daad. Zoals in de kerk predikanten zijn vrijgesteld van produktieve arbeid, om zich te kunnen wijden aan een pastorale taak, zo moeten we ook leren denken over andere mensen, die niet meer deelnemen aan het produktieproces. Immers, diezelfde mensen zetten zich reeds lang in voor studie, hobbies, politiek, verenigingswerk of kerkewerk!

Niemand zal willen beweren dat een predikant niet werkt, al is hij van bepaalde werkzaamheden vrijgesteld. Waarom erkennen we dan genoemde bezigheden niet als werk, als arbeid? Dat is een eerste stap in de richting van een ander arbeidsethos. De sociaal-geneeskundige prof. Kuiper stelt dat er drie soorten arbeid zijn: produktie arbeid, relatie arbeid en bezinningsarbeid. De eerste is eenvoudig te vertalen in economische waarde, de beide laatste niet of heel moeilijk.

Humanisering van de arbeid houdt in dat in iedere ménselijke arbeid (dus ook in de al genoemde ‘bezigheden’) alle drie aspecten aanwezig zijn. Natuurlijk zullen er accent verschillen bestaan. Maar de man aan de lopende band moet in werktijd bezig kunnen zijn met de menselijke verhoudingen in het bedrijf en hij moet tijd krijgen om alleen of in groepsverband zich te bezinnen op de uitgangspunten van het bedrijf, het pro duktieproces als zodanig en de produkten om slechts enkele voorbeelden te noemen.

De sociale werker, die bij uitstek relatie arbeid verricht, zal evenals de hoogleraar zich niet gelukkig voelen in zijn werk als er niet een produkt, een resultaat, van zijn arbeid is aan te wijzen. De sociaal werker zal ook een stuk bezinning nodig hebben, zoals de hoogleraar aan relationele arbeid behoefte heeft. Zo zal in het ene beroep het accent meer op één van de aspecten vallen dan in het andere. Voorwaarde voor humane ar beid blijft echter de aanwezigheid van alle drie componenten. Is humane ar beid in deze zin geaccepteerd, dan blijft de vraag, of arbeid een plicht is, nog te beantwoorden.

Onder invloed van het calvinistisch denken is de morele plicht tot arbeid algemeen geaccepteerd geraakt. Mijns inziens is dit bijbels theologisch niet vol te houden. De bekende plaatsen in de eerste hoofdstukken van Genesis brengen mij niet verder dan de feitelijke constatering dat er nu eenmaal arbeid is, dat het kennelijk tot de gegevenheden van het mens zijn behoort dat hij werkt.

Van plicht tot arbeid kan alleen sprake zijn binnen het kader van de arbeidsovereenkomst.

Wanneer we op een andere wijze willen gaan denken over de plaats van de arbeid in onze (toekomstige) samenleving, dan zal ook de tot nu toe steeds geaccepteerde morele plicht tot arbeid op de helling moeten. De morele plicht tot arbeid maakt werkloosheid tot een verzuim, dat goed gemaakt moet worden. Wanneer werkloosheid een keuze zou kunnen zijn in plaats van een lot, dan verdwijnt in ieder geval het gevoel van schuld, dat voortkomt uit het verzuimen van de plicht.

Een laatste element in het anders-gaan denken over arbeid en werkloosheid, dat ik hier naar voren wil brengen, is de volgende vraag. Waarom is de gedachte bij terugloop van de omzet en bij stijging van de loon en andere kosten altijd weer: er moeten mensen uit, en niet: laten we allemaal met wat minder genoegen nemen, te beginnen bij de hoogst betaalden?

Wat kunnen diakenen doen?

Als eerste praktische taak wil ik hier noemen het helpen van werklozen in de meest direkte zin: het helpen invullen van de vaak moeilijke papieren, het wijzen op de rechten, die werklozen hebben. Een uiterst informatief boekje, waarin alles staat wat de diaken moet weten voor deze hulpverlening, is het W.W. boekje van de stichting Ombudsman, postbus 3000, Hilversum, dat aldaar à ƒ 3,50 te verkrijgen is.

Deze mogelijkheid dat diakenen gaan functioneren als direkte hulp, is echter alleen aanwezig, wanneer zij op basis van het vertrouwen, dat werklozen in hen stellen, deze informatie kunnen geven.

Leg daarom achter in al uw kerken een stencil, dat de mensen kunnen meenemen, waarop alleen de telefoonnummers van deze ter zake kundige vertrouwensmensen staan. De werkloze, die zelf meestal de anonimiteit zoekt, zal u er dankbaar voor zijn dat hij deze kan bewaren.

Een tweede mogelijkheid vormt het gesprek met de werkloze, vanuit het pastorale gezichtspunt, dat hem in het gesprek duidelijk moet worden, dat hij als mens nog steeds mens is ondanks zijn maatschappelijke rol op dat mo ment. Voorwaarde hiervoor is vanzelfsprekend dat bekend is wie werkloos is, dus dat er al een aantal uit de anonimiteit zijn getreden.

Als derde mogelijkheid wil ik hier noemen gerichte vorming en training met groepen werklozen rondom alle praktische problemen, waar zij mee zitten. Ook hier geldt de al genoemde voor waarde van bekendheid.

Ten vierde lijkt het mij de taak van de diakenen, gericht op het leven van de gemeente, dat zij een toerustingsproces op gang brengen rondom het anders denken over arbeid en werkloosheid. Immers, het is de samenleving van wél werkenden, die de werklozen stigmatiseert. Een belangrijk onderdeel van dit toerustingswerk is dat ieder gemeentelid, die een werkloze kent, zelf dit anders denken en beleven van werk samen met de werkloze gaat oefenen. Een oproep daartoe van diakonale zijde en een handreiking in die zin is mijns inziens uiterst nuttig.

Een laatste praktische mogelijkheid is de invloed, die een diakonie kan uitoefenen bij de overheid ten aanzien van concrete missers in het functioneren van arbeidsbureaus en bedrijfsverenigingen. Wie met werklozen praat, hoort steeds weer over nieuwe, onnodige, kleine ergernissen voor de werklozen, waardoor zij zich nog meer de uitgestotenen vóelen. Deze kleine ergernissen durven zij zelf meestal niet aan de orde te stellen. De kerk kan hun een goede dienst bewijzen door bij monde van diakenen deze taak op zich te nemen.

* De statistische gegevens zijn afkomstig van het directoraat generaal van de arbeidsvoorziening.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.