+ Meer informatie

Maakt onweer door het dorre hout het voorjaar nat en koud?

3 minuten leestijd

Er zijn nogal wat weerrijmpjes die aan ouderen bekend zijn, maar die langzaam in de vergetelheid raken. Jongeren hebben vaak een andere, nuchtere kijk op deze prognoses. Niet ten onrechte.

Een fors aantal beweringen of rijmpjes ten aanzien van het te verwachten weersverloop zijn na een grondig onderzoek achterhaald. Neem nu het rijmpje: „Onweer door het dorre hout geeft een voorjaar nat en koud".

Bijna elk voorjaar (maart-april) wanneer er nog geen blad aan de bomen zit, komt als regel wel op één of meer dagen ergens in ons land onweer voor. Vooral bij de beruchte, gure maartse of voorjaarsbuien. Nu hebben wij over een aantal jaren het aantal onweersdagen in het voorjaar vergeleken met de regenval. Wij komen dan tot de conclusie dat er geen verband is te vinden.

Maar hoe is men dan vroeger aan zo'n rijmpje gekomen? Ik denk dat men meer heeft bedoeld de periode (enige dagen) rond het waarnemen van onweer in het voorjaar. Wanneer je in maart of april buien met onweer waarneemt, is het als regel nat en meestal ook koud. Bij zonnig weer heb je al gauw temperaturen van 12 tot 18 graden, maar bij gure buien -niet zelden met onweer en hagel- 8 à 10 graden.

Ik houd het op: „Onweer door het dorre hout, dan is het voorjaar (op dat moment) nat en koud", zonder er een voorspelling aan te verbinden.

Windrichting
Zo zijn er meer beweringen van vroeger die op het weerbeeld slaan in het voorjaar en waar men vroeger een voorspelling aan verbond. Nog twee voorbeelden.

Zo lette men er vroeger op hoe de windrichting was in de eerste lentenacht, van 21 maart. Want, zo werd gesteld, uit de hoek waaruit de wind dan waait, komt de wind overwegend het hele voorjaar.

Dan de vrij diep gewortelde stelling dat waar in het voorjaar de eerste actieve bui -met onweer- langs trekt, in de zomer de meeste buien diezelfde route zullen volgen. Ik weet nog dat mijn vader die stelling (ook doorgekregen van zijn vader of grootvader) ook huldigde. Maar ik had al snel door dat hij het alleen zei als hij gelijk had.

Alle buien die een afwijkende route namen werden niet genoemd. Laten wij het zo stellen: het weer en ook buien hebben geen geheugen. De eerste bui geeft ook niets door aan alle volgende buien. En waar ze langs trekken is niet te voorspellen.

Geen sneeuwwinter
Wat heeft de afgelopen winter ons aan herinneringen nagelaten? Niet veel. Geen fikse storm, geen hopen sneeuw, nauwelijks nachten met strenge vorst. Een allerminst bijzondere winter. Twee bijzonderheden waren er wel.

De eerste is voor de meesten niet zo opvallend geweest, namelijk de record-hoge gemiddelde barometerstand van deze winter: 1027 mb. Het record stond genoteerd voor de winter van 1932 met 1026 mb. Depressies zijn er heel weinig aan te pas gekomen.

Ten tweede het bijzonder kleine aantal dagen dat sneeuw is waargenomen. Op de meeste plaatsen 2 à 3 sneeuwdagen, tegen normaal 22 à 26. Een zo klein aantal dagen met wat sneeuw behoort ook tot de extremen in deze eeuw.

Wij hebben enkele winters genoteerd met geheel geen schaatsdagen. Nu waren er 1 à 2 in december, op enkele plaatsen drie schaatsdagen (ook op sommige meren) in januari en geen schaatsweer in februari. Een zachte, vrij droge winter zonder bijzonderheden om over naar huis te schrijven.

Bijzonder waren wel de vele dagen met erg veel sneeuw in het gebied van Turkije, Griekenland, Israël, Jordanië en omgeving. Daar had men hier en daar in jaren niet zo veel sneeuw voor het opscheppen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.