+ Meer informatie

De regering Gods

DE WERKEN GODS (18)

4 minuten leestijd

Als derde daad in de Goddelijke Voorzienigheid moet genoemd worden: de regering.

De regering Gods bestaat hierin, dat Hij de wereld en al wat erin is door Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht beheerst en met wonderbare wijsheid naar Zijn wil tot Zijn doel bestuurt, gelijk een koning zijn rijk, en een stuurman zijn schip.

Er is dus een heersende en een besturende zijde aan de regering Gods.

1. Een heersende zijde. God is de Heere, d.w.z. Meester over het heelal en over alles wat er is. Aangezien Hij alleen door Zichzelf is, en alle dingen van Hem zijn, en van Hem afkomstig zijn, is Hij de wettige eigenaar van alles.

De grond, het recht, de bevoegdheid van Gods heerschappij is dus deze, dat Hij alles heeft geschapen. Vader Abraham verstond dat ook uitnemend, als hij de Heere aanspreekt als de Allerhoogste, die hemel en aarde bezit. Gen. 14 : 22. En om dezelfde reden vangt het Woord Gods in Genesis aan met de veelzeggende betuiging: In den beginne schiep God de hemel en de aarde." Met dat woord wordt de absolute souvereiniteit Gods vastgelegd. Dat woord stelt de heersende macht Gods over al het geschapene vast. God de Heere heeft een uitsluitend recht op alles. Hij is souverein over alle schepselen en zaken in alte delen van Zijn ontzaglijk rijk.

2. Een besturende zijde. Dit ziet op het einddoel, dat God beoogt met Zijn regering. Het is die werkzaamheid Gods, waardoor Hij alle bewegingen en veranderingen in de wereld naar Zijn doel leidt. Onze vaderen spraken dan ook zo terecht van het destinerend werk Gods, d.w.z. het voeren tot de van God bepaalde bestemming.

Immers, de Schepper heeft een plan met de schepping. Zal dit tot stand komen, en het vastgestelde doel bereikt worden, dan moet Hij de hand aan het roer houden en de loop der wereld met al wat er in is naar Zijn oogmerk besturen. Hij zelf zorgt en werkt voor de stipte uitvoering van Zijn voornemen. En daarin faalt Hij nooit! Deze besturing onderstelt een samenhang der dingen onderling en sluit in een wijze schikking van middel en doel. God heeft tot bereiking; van Zijn doel wel geen middelen nodig, maar Hij wil ze toch gebruiken. Ieder ding heeft zijn bijzondere bestemming in het groot geheel, en het geringste van Gods werken heeft een eigen betekenis. Maar die betekenis van elk ding op zichzelf stemt weer harmonisch samen met het grote doeleinde van het heelal.

Er zijn dus ondergeschikte en hogere doeleinden, die samen een systeem, een samenhangend, welgeordend plan uitmaken en die alle uitlopen op het grote einddoel: de openbaring en verheerlijking Gods in al Zijn eigenschappen.

De Heilige Schrift stelt alles onder Gods bestuur. Inzonderheid de Psalmen zijn vol van de lof der Goddelijke regering. Zo bijv. de 93ste Psalm, waar aanstonds in de aanhef tegen alle twijfel de afdoende waarheid wordt uitgesproken: „De Heere regeert!" Een Psalm tot bemoediging van Gods volk in bange dagen, zoals wij ook thans weder beleven en waarin ook de dichter van deze Psalm leefde. Al komt de vijand als een vloed, de Heere, Jehovah, de getrouwe Verbondsgod, is boven de wateren en Hij houdt Zijn werk in stand. Al verheft zich de macht van de boze en zijn dienaren als bruisende wateren, er is geen ' O nood voor Gods volk, want de Heere in de hemel is nog geweldiger dan zij, en Hij stilt het woeden der volkeren evenals dat der baren; Hij betoomt het

waar en wanneer Hij wil. De levenloze schepselen en de redeloze bestuurt Hij zonder hun weten; de mensen, voor een gedeelte tegen hun wil, zoals Farao betreffende het volk Israël; Herodes, Pontius Pilatus en de [oodse oversten in hun handel tegen Jezus, en zo doet Hij met alle goddelozen, wie Hij, evenals Rabsaké een toom in hun mond legt, opdat zij alleen doen zouden, wat Hem behaagt. Andere mensen daarentegen, die geleerd hebben in ootmoed voor Hem te buigen, bestuurt Hij zo, dat zij het zelf weten en er mee verzoend zijn, namelijk de ware vromen, die geloven, dat alles van Gods bestuur O ' afhangt, waarin zij ook bij zwarigheden met goedkeuring berusten, ofschoon zij van hetgeen hen treft niet aanstonds het bijzondere oogmerk Gods kunnen zien. Maar genade leert hun onderworpen te zijn en Gods onbegrepen handelwijze te eerbiedigen, ja te aanbidden, gedachtig aan het woord der Schrift: „Wat Ik O

nu doe, weet gij niet, maar gij zult het na deze verstaan!" Heerlijk voorrecht in die regering Gods

te mogen rusten! Begeer ons door Uw Geest en Woord; Uw lof word' eens alom gehoord, En d' aarde met Uw vrees vervuld, Totdat G' uw rijk volmaken zult!

J. Kramp.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.