+ Meer informatie

Moeten we ons organiseren?

5 minuten leestijd

Op een symposium werd onlangs gesteld dat de bevindelijk-gereformeerden niet ontkomen aan de noodzaak zich te organiseren. Deze stelling riep, zoals te verwachten was, wel wat commentaar op. Vanzelfsprekend werd ter vergelijking de situatie in de Gereformeerde Kerken genoemd. Hier kwam men tot een indrukwekkend geheel van organisaties, met als toppunt een eigen universiteit. Kenmerkend voor deze organisatiedrang was niet zozeer het defensieve aspect, het zich nooggedwongen organiseren om de eigen kring te beschermen en de eigen beginselen te bewaren. Nee, de zich emanciperende "kleine luyden" waren er nadrukkelijk opuit terrein te veroveren. Kuypers parool dat er geen enkel terrein was waarvan Christus niet zei: „Het is Mijn!", was een sterk drijvende kracht.

Verbondsvisie
Dit activistische element werd gedragen door een zeer optimistische verbondsvisie. Inmiddels is duidelijk geworden hoe juist dit activisme en verbondsoptimisme geleid hebben tot een ontstellende uitholling. De in het voetspoor van Kuyper opgerichte organisaties werden op het gehouden symposium dan ook bepaald niet als voorbeeld ter navolging, maar eerder ter waarschuwing genoemd. Heel begrijpelijk kwam daarom de vraag aan de orde, wat het wezenlijke verschil is tussen de Kuyperiaanse organisatiedrift en het ontstaan van allerlei organisaties in bevindelijkgereformeerde kring. Terecht werd geantwoord dat in deze kring de verbondsopvattingen en het cultureel optimisme van de vrijgemaakt gereformeerden (die in onze tijd nog het meest aansluiten bij de "Kuyperiaanse sfeer") zijn afgewezen. Het uitgangspunt is dus nogal verschillend.

Noodgedwongen
Twee belangrijke vragen blijven dan over. De vraag of we inderdaad bewust moeten streven naar het opzetten van eigen organisaties en de vraag hoe we het gevaar van de uitholling van binnenuit kunnen (blijven) vermijden. De eerste vraag lijkt me de gemakkelijkste. Het is eenvoudigweg een gegeven dat de emancipatie op allerlei gebied de organisatie met zich meebrengt. Met de mogelijkheden komen er bijna als vanzelfde instituten. Ik denk met name aan de eigen onderwijsinstellingen die de laatste tientallen jaren ontstaan zijn. Er is een omvangrijk kader gekomen dat dit mogelijk heeft gemaakt. Daar komt nog bij dat deze instellingen vooral door de nood zijn ontstaan: met de uitholHng van de bestaande christelijke instituten groeide de noodzaak van eigen instellingen. Een vaak geuit bezwaar dat we daarmee steeds meer het isolement zoeken, acht ik onterecht. Het isolement wordt niet gezocht, zoals Kuyper dit welbewust deed, maar opgedrongen. Ditzelfde geldt ook voor het bredere maatschappelijke terrein. Organisaties op het gebied van de gezondheidszorg bijvoorbeeld zijn eenvoudig bittere noodzaak om patiënten en verzorgenden bescherming te bieden in een zich steeds meer ontkerstende wereld. Anders dan bij Kuyper is hier meer sprake van een noodgedwongen, defensieve dan van een bewust gezochte, offensieve actie.

Grondslag
Heel wat moeilijker is de vraag hoe we in deze organisaties de eigen identiteit kunnen bewaren. Het andere uitgangspunt (niet-activistisch en zonder verbondsoptimisme) biedt niet voldoende garantie. Houding en denkklimaat kunnen geleidelijk aan gaan verschuiven. Immers, actief bezig zijn in een christelijk instituut gedraagt zich zo moeilijk met de gedachte dat we zonder wederbarende genade toch helemaal een buitenstaander zijn. Alle kennis en vaardigheden die we ons eigen gemaakt hebben, veranderen daar niets aan. En hoe moeilijk is dat op den duur voor sommigen te accepteren. De grondslag dan? Die kan immers de grenzen aangeven? Juist hier wringt de schoen. Hoe vat je in een grondslag van een organisatie van bevindelij k-gereformeerden dat bevindelijke element? Niet zomaar een element, maar een wezenlijk bestanddeel, waarmee de identiteit zelfs staat of valt. Ik weet niet hoe dat zou moeten. De constructie die destijds voor de grondslag van de studentenvereniging CSFR is gekozen (waaraan de verwijzing naar de belijdenisgeschriften werd toegevoegd: „waarin zij zowel de verstandelijke als de bevindelijke zijde van de in de Schrift gevatte waarheden erkend te zijn uitgedrukt"), heeft niet voorkomen dat deze organisatie zich heeft ontwikkeld in een richting die verontrusting wekte en anderen deed besluiten een nieuwe vereniging op te richten (Depositum Custodi, de organisator van genoemd symposium). Ook dit is een voorbeeld, nu uit eigen kring, dat ons wat heeft te zeggen.

Heilige Geest
Ik denk dat er organisatorisch nooit voldoende garanties te vinden zijn. Het enige houvast ligt in het Woord en in het werk van de Heilige Geest. Daar kunnen wij niet over beschikken en met al ons georganiseer staan we de werking van de Heilige Geest soms juist in de weg. Anderzijds is dat Woord ons toevertrouwd als een pand dat we hebben te bewaren. Hoe meer we ons organiseren, hoe meer een prediking nodig is die schriftuurlijk-bevindelijk is. Ontdekkend en separerend, opdat we ons met al onze activiteiten leren kennen zoals we zijn en blijven: ellendige zondaren. Van onszelf onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. En ons werk als hooi, hout en stoppelen. Opdat we nodig hebben, voor ons hart èn ons verstand, maar ook voor ons werk het reinigende bloed van Christus en het vernieuwende werk van de Heilige Geest. Misschien mogen we toch nog een nodige organisatie noemen: de kerk. Wat wordt het gezag van de prediking juist ondermijnd door de kerkelijke verdeeldheid. We mogen wel bidden om de werking van de Heilige Geest, dat Hij verenige wat bijeen hoort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.