+ Meer informatie

Het ambt op het Zendingsveld (2)

14 minuten leestijd

In een artikel dat onder bovengenoemde titel werd opgenomen in het april-nummer van ons blad (blz. 45–47), werd een en ander verteld over de „ambtssituatie” op het zendingsveld. De ambtsdrager die onder ons functioneert als „volledig vrijgestelde beroepskracht” blijkt op het zendingsveld moeilijk alszodanig te functioneren. Afgedacht nog van het accepteren van de àmbtsdrager in de gezagsstructuren die officiëel of alleen maar officieus en traditioneel een rol spelen (en zo’n ambtsdrager soms tot onverwachte capriolen verleiden — maar de „collatie-rechten” en wat daarmee annex is zijn onder ons ook nog maar nauwelijks een halve eeuw verdwenen !) is het functioneren als een geheel door de gemeente te bezoldigen ambtsdrager sociaal en economisch een niet dan met de grootste moeite, soms zelfs praktisch in het geheel geen haalbare zaak. De vraag rees of het absoluut noodzakelijk is te streven naar de figuur van ambtsdrager in casu van predikant die „volledig vrijgestelde beroepskracht” is. Hoe is het ten onzent in overeenkomstige situatie geweest ?

Een overeenkomstige situatie zouden we de eerste tijd na de Reformatie kunnen noemen. Het principe dat de gemeente „behoorlijk levensonderhoud” biedt aan haar predikant, werd in de kerkorden van de reformatorische kerken „behoorlijk” omschreven, maar in de praktijk niet altijd gerealiseerd zoals het behoorde. In de meeste gevallen dienden de pastorie- en/of prebendengoederen voor de bezoldiging van de predikanten. Soms waren deze in handen van de overheid terecht gekomen (en verkocht), zodat dan de honorering geheel of gedeeltelijk met behulp van publieke fondsen geschiedde. Legio zijn op de oude synoden en classes de klachten over het „beknibbelen en te nau bedinghen” van het predikantssalaris. Slechts zelden wordt een beroep op de gemeente gedaan om voor behoorlijk loon te zorgen. Meestal doen de kerkelijke vergaderingen een beroep op de overheid om te zorgen „dat de predicanten genoech hebben om eerlyck huys te houden”. Combinatie van gemeenten was ook omstreeks de beroemde Dordtse synode geen onbekende mogelijkheid om „behoorlijk levensonderheid” te bieden. Brachten de pastoriegoederen niet voldoende op, dan waren er emolumenten die aanvulling gaven „in natura”. In normale tijden zal het inkomen redelijk geweest zijn voor een bescheiden bestaan, maar de tijden waren vaak niet „normaal”. Dan waren het vooral de pastorieën waar bittere armoede werd geleden. Het is zelfs voorgekomen dat een predikant op zondag (!) gevangen werd gezet omdat hij z’n belasting niet kon betalen. Geen wonder dat de synoden ook telkens te maken kregen met gevallen dat predikanten iets probeerden bij te verdienen.

Het zal niet vaak zijn voorgekomen dat een synode de vraag moest beantwoorden „off een predicant gebranden wyn mach maecken” (Zuid-Holland - 1593 : is niet „stichtelyck”, omdat „sulcke neeringe in haer selven vil is voor eenen dienaer des woorts”, oordeelt de synode). Vaker is de vraag aan de orde of een predikant zich mag begeven tot „exercitie van medecine”, het houden van „publycke schole”, dan wel „off hy off syn huysvrouwe eenige andere neeringe mogen doen”. Het laatste vindt de betrokken synode (ook Zuid-Holland - 1593) niet „simpliciter off in hemselven ongeoorloft” maar ’t is beter dat zulks niet „gedaen en werde, alsser ontstichtinge off opspraecke uyt soude volgen”. Het „exerceren van de medicijnen” en het houden van „openbaere schoole” wordt meestal voorwaardelijk toegestaan: „als het can geschieden sonder Verhinderinge ende cleynachtinge synes diensts” (Zuid-Holland - 1593), „insiende of niet daermede des predicants studien ofte synen dienst te corten gheschiet” (Zeeland -1610). Sterk was telkens het beroep op het principe dat de dienst „den heelen mensche verheyscht” (Noord-Holland -1585), „die dienst des h. evangelions een ghehele mensche eyschet” (Friesland -1585) enz. Het feit dat synoden en classes steeds weer dit principe onderstrepen moesten, getuigt wel van aanhoudende noodzaak om de predikanten te vermanen dat zij „in frombden exercitiis sick niet vermengenn” (Friesland -1587) ! In hoeverre de visie dat elke nevenfunctie een aantasting van de „status” is (Joh. Jansen spreekt in De Kerkenordening over „het mindere aardsche beroep” of „een lager wereldlijk beroep” - blz. 337), een rol speelt, blijve buiten beschouwing. Dat men bij het predikambt wel het bedrijf van veehouder — soms in ’t groot —, en dat van warmoezenier in ’t klein mocht uitoefenen, was (is ?) te zien aan de pastorie van de Afscheiding te Ulrum, waarin volgens dr. Keizer nog een koestal zich bevindt (voor de dertig hectare zware kleigrond die tot de pastoralia behoorden had deze pastorie eens een grote schuur). In dezen bleek in elk geval dat het „terrein van de genade” geen verhindering opleverde om op het „terrein van de natuur” in meer of mindere mate actief te zijn. Ook al sprak de synode van Zeeland (1602) uit: „Dewyle de ervarenheyt leert, dat somtyts den noot vereijscht, dat by den kerckendienaren ofte ijemandt van haren huysgezinne ijet anders ter handt getrocken wordt, hetsy coophandel ofte landbouwerie, soo sullen de classes respective daerover wel toezien, opdat door sulcks niemant syne studien te kort of den dienst kleenicheyt en doe”, in de 19de eeuw kregen de aanstaande predikanten zelfs hoger-landhuishoudkundig onderwijs aan de Groningse universiteit (Cuperus, Kerkelijk leven in Friesland tijdens de Republiek).

Dat kwam blijkbaar in de pastorie goed van pas !

Hoe beknopt dit overzicht ook moest zijn, zoveel is wel duidelijk dat tussen Reformatie en Revolutie de financiering van het „behoorlijke levensonderhoud” waarover de kerkorden spreken, over het algemeen geschiedde met gelden die uit „buitengemeentelijke” bron kwamen, hetzij uit pastoriegoederen, hetzij uit de overheidskas, hetzij uit nevenfuncties van de predikanten zelf voorzover deze getolereerd konden worden, min of meer oogluikend. Het is, meen ik, niet te veel gezegd dat pas in de vorige eeuw in de Afgescheiden kerken het besef levendig werd dat de gemeente zelf voor de financiering heeft zorg te dragen dat zij die het „altaar” bedienen ook van het „altaar” leven omdat de arbeider zijn loon waardig is en een „dorsende os” niet gemuilband mag worden. Al zal de beleving van dat besef misschien voor de pastoriebewoners niet altijd zonder pijn geweest zijn, het principe was en is zuiver, schriftuurlijk en reformatorisch.

In zijn reeds genoemde lezing heeft dr. Van Rooy erop gewezen dat financiering met gelden „van buiten af” — in casu dus zendingsgelden — het gevaar insluit dat de zelfstandigheid en zelfverantwoordelijkheid van de jonge kerken worden aangetast, terwijl financiering „van binnen uit” — dus met gelden die de gemeente zelf opbrengt — in de sociale en economische situatie waarin de gemeente leeft, feitelijk onmogelijk is. Natuurlijk kan gesteld worden dat een predikant in een dergelijke situatie geen eisen mag stellen en genoegen moet nemen met wat de gemeente wel kan bijdragen — zonder steun van buiten af — waarbij die bijdrage dan hoofdzakelijk zelfs „in natura” beschikbaar kan worden gesteld. Men kan dan wijzen op het niveau waarop de gemeente zelf leeft (geen schrijnend verschil in dat geval), men kan stellen dat een predikant die wèrkt, zelf z’n traktement meebrengt (zoals hier wel eens wordt gezegd), men kan uiteraard appelleren aan het roepingsbesef van de predikant (wie werkelijk gezonden is, behoeft zich geen zorgen te maken), maar als die oplossing, afgedacht nog van het feit dat niemand, ook een domineesgezin niet „van de wind” kan leven, een oplossing uit de vèrte en voor een ànder is, dan kan die oplossing o.i. voor de hand liggen, doch ingeval die in de praktijk niet te realiseren blijkt te zijn, althans niet zonder pijn en moeite (zoals uit ons eigen verleden wel duidelijk is geworden), dan is het op z’n minst gewenst andere mogelijkheden te overwegen.

Er is volgens ds. Van Rooy nog een andere mogelijkheid om uit de moeilijkheden te komen, de mogelijkheid die in vroeger eeuwen zo lang oogluikend werd toegestaan: eigen inkomsten door nevenarbeid. Uitgaande van de schriftuurlijke regel dat de verkondigers van het evangelie leven van het evangelie (1 Cor. 9 : 14), wijst hij erop dat dit rècht van de verkondigers voor hen nog geen verplichting betekent. Paulus diu deze regel neerschrijft, schrijft er als in één haal bij dat „dit in bepaalde omstandighede ’n hindernis vir die evangelie van Christus kan veroorsaak’ om van hierdie reg gebruik te maak (I Kor. 9 : 12)”. Paulus zelf heeft er geen gebruik van gemaakt. En in de oud-christelijke kerk zijn talrijke voorbeelden van „presbiters wat uit ’n ander beroep huile inkomste verkry het”. Het ideaal dat een predikant geheel door de gemeente wordt verzorgd, veronderstelt een „redelike welvarende maatskappy, en bowendien ’n maatskappy met ’n heeltemaal ander ekonomiese struktuur as die waarin Bantoe en Kleurlinge in Suid-Afrika lewe”. Het mag niet van een predikant verwacht worden dat hij een goede verzorging prijsgeeft. En een hongertraktement brengt „die amp in diskrediet” en beïnvloedt „die gehalte van kandidate vir die amp nadelig”. In het complex van problemen schijnt de enige aanvaardbare weg te zijn die van de „tentmakerpredikante” : „Om baie redes is dit vir die geestelike lewe van die gemeentes verkieslik dat daar, naas predikante wat van die evangelie lewe, ’n korps van tentmakerpredikante in die gemeentes staan”. Hij denkt dan aan „die geestelike leiers van gemeentes wat reeds as ampsdraers hulle charismatiese gawes bewys het, en wat opgelei word om in hulle bekende gemeente en beroepskring verder te werk”. Deze „aanvaarde en beproefde leiers van die kerk” die organisch ingeschakeld blijven in het leven van de plaatselijke gemeente en gemeenschap en daarin „hulle godgegewe amp uitoefen” vullen de boodschap van de „voltydse” predikanten aan doordat ze tonen aan de gemeenschap „hoe ’n mens in jou alledaagse lewe ’n christen kan wees”. Het onderscheid „deeltyds” en „voltyds” is eigenlijk niet calvinistisch: „die tentmakerpredikant staan miskien deeltyds in kerklike diens, maar hy staan voltyds in God se diens”. Het accent dat de Schrift legt op een waardig en voorbeeldig leven en een goede reputatie (1 Tim. 3, Titus 1), kan bij tentmakerpredikanten duidelijker onderscheiden worden dan bij jonge mensen die alleen een academisch-theoretische opleiding ontvangen hebben.

Er zijn uiteraard aan dit systeem allerlei voor- en nadelen verbonden. Dr. Van Rooy rekent onder de voordelen de volgende :

1. Het was gedurende lange perioden in de kerkgeschiedenis praktijk (de dynamische groei van het protestantisme in Latijns Amerika staat er niet los van; evenzo die van de syncretistische en biblicistische secten in Zuid-Afrika; ouderlingen in afgelegen gebieden en kleine gemeenten doen praktisch al het werk van een predikant „as herders die kudde van Christus versamei” — hoeveel meer zouden zij opgeleid en geordend kunnen betekenen „sodat ook daardie verstrooide groepies gelowiges, wat nooit ter plaatse ’n predikant sal kan hê nie, die gereëlde bediening van Woord en sakrament kon ontvang”).

2. Dit systeem geeft de meest afgelegen gemeenten in de dunstbevolkte streken kans op een eigen predikant (bij huidige praktijk ten laste van „oorwerkte predikante met 40 ander gemeentes” — in Noord-Amerika werkte die praktijk door „ampsrigorisme en kanonisering van bepaalde stelsels” ontkerstenend).

3. Aan „hierdie klein groepie nie die reg ontsê” om als volwaardige gemeente te functioneren „deur vir alle praktiese doeleindes die leeramp en die Sakramente daarvan te weerhou nie”.

4. Ook de kleine gemeenten die dan niet de last van de salariëring van een eigen predikant behoeven te dragen, kunnen ten volle bijdragen voor het zendingswerk.

5. Door zijn voorbeeld wordt het ambt der gelovigen sterk gestimuleerd.

6. De klacht van meelevende en ontwikkelde Afrikanen dat de predikanten hen niet begrijpen, intellectueel „nie teen hulle opgewasse is” verliest haar kracht („tentmakerseminarie” in Guatemala en Los Angelos telden studenten uit allerlei beroepen en milieus afkomstig).

7. De natuurlijke leiders van de gemeente worden niet gefrustreerd (zo worden „skeurings in die kerk voorkom”).

8. De beschuldiging van „so baie Bantoemans” dat de kerk een „kerk van seuntjies” is (onervarenen), zal minder reden hebben.

9. De kans om een predikant „wat hom teen wanpraktyke verset” door inhouden van traktement te verdrijven, wordt uitgesloten.

10. In crisissituaties is de kerk kwetsbaarder wanneer „die amp van die gelowige nie volledig geaktiveer is en die leeramp nie meer organies daaruit groei nie”.

11. De offervaardigheid van de gemeente zal toenemen als men ziet dat de predikant uit eigen verdienste in zijn dagelijks beroep „sy tiende getrou bydra”.

12. Deze predikanten zijn rijper, minder geïsoleerd, praktischer georiënteerd. Natuurlijk zal niet elk voordeel dat hier genoemd is, ieder even sterk toespreken, noch in elke situatie even sterk geldigheid hebben. Er zijn zonder twijfel ook nadelen en bezwaren te noemen. Dr. Van Rooy noemt zelf drie „moontllke” bezwaren:

1. Vanwaar moeten de theologen komen die Afrika zo nodig heeft, wanneer deze richting wordt ingeslagen ? Afgedacht van de theologen die uit de gelederen van de tentmakers naar voren zullen komen, zal de opleiding van „hooggeskoolde teoloë wat voltydse predikante sal wees” rustig worden voortgezet. (In Hongkong heeft de instelling van „die tentmakeramp” niet tot vermindering van het aantal voltijdse predikanten geleid, maar juist tot uitbreiding).

2. Zal er niet een verschil in status ontstaan tussen voltijdse en deeltijdse predikanten ? Een „kunsmatige en ongeregverdigde statusverskil” kan men gaan „skep”, maar is niet nodig.

3. Sal die predikante wat deur die gemeentes onderhou word, dan nie dalk as huurlinge beskou word nie ? „Herder of huurling” is een kwestie van optreden en gezindheid niet van voltijds of deeltijds.

Er zijn meer bezwaren aan te voeren. De vraag kan gesteld worden of het hier niet een kwestie wordt van „twee heren dienen”. Dat kan niemand, ook een predikant niet. Als het levensonderhoud ermee gemoeid is, zal het begrijpelijk zijn dat het ambt het verliezen moet van het beroep, de predikant van de tentmaker. Ook al zijn er uit Zuid-Amerika berichten dat er steeds meer studenten worden opgeleid aan de tentmakers-seminaries (niet ten koste van de academische eisen die gelijk zijn aan die voor de voltijdse studenten), ook al dreigt het gevaar dat de groei van de kerk in Afrika zal vastlopen omdat er niet voldoende predikanten beschikbaar zijn, de praktijk heeft ook uitgewezen dat het experiment in de vorige eeuw om zendeling-arbeiders uit te zenden niet een onverdeeld succes is geweest en de „pendeta-sawah” verzorgde z’n sawah doorgaans beter dan z’n gemeente. Maar ook wanneer de voordelen niet overtuigen en de nadelen zwaar blijven wegen, het probleem zelf komt er niet door tot oplossing. Ds. Jan Kruyt vertelt in „Het zendingsveld Poso” hoe zijn vader niet te snel bepaalde vormen wilde vastleggen, maar rekening wilde houden met de sociale structuur van de inheemse samenleving opdat er voor de leiding in de christelijke gemeente zich een vorm zou ontwikkelen die voor de Toraja’s levensvatbaar en echt zou zijn. De bemoeiingen van het nederlandsindische bestuursapparaat doorkruiste deze bedoeling; het ordeningspatroon van de ambtenaarlijke rangorde werd grif toegepast op de kerkelijke organisatie. In dat klimaat was het moeilijk de gemeente ertoe te krijgen als geheel verantwoordelijkheid te aanvaarden. Hebben wij inderdaad te weinig rekening gehouden met de sociale structuur van de samenleving waarin we kwamen met de boodschap van het Evangelie ? En kunnen we daarom de figuur van de „volledige vrijgestelde beroepskracht” zo moeilijk „kwijt” ? Gunnen we de jonge kerken niet of nauwelijks de tijd die we zelf nodig hadden in Europa om de verantwoordelijkheid daarvoor te leren aanvaarden ?

Deze vragen klemmen te meer nu volgens het laatste Jaarboek er 76 gemeenten in onze kerkgemeenschap bestaan met minder dan 300 zielen, die in doorsnee noch een volledig traktement noch een volledige dagtaak kunnen opleveren (in andere kerkgemeenschappen met overeenkomstige spreiding wordt geacht dat 400 zielen een volle dagtaak betekenen). Hier en daar wordt gepoogd door combinatie van gemeenten tot een oplossing te komen, al waagt nog niemand zich aan een combinatie als ds. Podo van Mamasa te bearbeiden heeft. Voorts heeft elke combinatie haar eigen moeiten en zorgen, zodat klaarblijkelijk uit vrees daarvoor verschillende combinatiemogelijkheden niet geëffectueerd kunnen worden. Niet altijd officiëel maar vaak wel officieus wordt rekening gehouden met neveninkomsten die meestal op onderwijsterrein worden verworven; onlangs werd een nevenfunctie zelfs in het beroepingswerk betrokken. Is er een tendens in de richting van „tentmakerpredikant”, die zij het dan niet geheel maar voor een deel, z’n „behoorlijk levensonderhoud” ontvangt uit „buitengemeentelijke” bron en zijn werkkracht mede besteedt op niet-direct kerkelijk terrein ? Deze tendens kan toegejuicht en afgewezen worden, zoals we gezien hebben. Laten we waken dat onze visie in dezen niet gedicteerd wordt door „status-vragen” (over „waardigheid” en „stichtelijkheid” wordt anders gedacht dan in vroeger tijden). Laat de dienst in Zijn Koninkrijk beslissend zijn ! En het heil van de gemèènte, ook de kleine, voorop staan !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.