+ Meer informatie

Bijstand voor schuldsanering

5 minuten leestijd

Als ik hier enige opmerkingen ga maken over de op het punt van de schuldsanering bekende bijstandsjurisprudentie, zij vooraf erop gewezen dat jurisprudentie over de Algemene Bijstandswet tot nu toe uitsluitend gevormd wordt door uitspraken van colleges van gedeputeerde staten. Bij de Kroon zijn wel enige tientallen zaken in hoger beroep aanhangig gemaakt, maar daarop is nog niet beslist. Het is dus altijd mogelijk dat de Kroon — ook ten aanzien van schuldsanering — een ander standpunt zal blijken in te nemen dan gedeputeerde staten.

In het algemeen betonen de organen voor de verlening van bijstand zich zeer terughoudend, als het erom gaat schulden weg te werken door middel van bijstand. Het is ook inderdaad een moeilijke materie.

Kortweg gezegd komt het neer op de vraag: behoort het betalen van iemands schulden tot de noodzakelijke kosten van zijn bestaan? Moet de overheid bijstand geven aan mensen, die over voldoende middelen beschikken om alle bestaanskosten-van-het-moment te kunnen betalen, maar die niet bij machte zijn oude of oudere schulden af te lossen?

De colleges van G.S. zetten bij hun rechtspraak de deur voor dit soort bijstand al evenmin wijd open.

Zo stelden G.S. van Noord-Holland op 29-6-’65 een college van b. en w. in het gelijk, dat geweigerd had aan iemand met een periodieke bijstandsuitkering bovendien nog bijstand te verlenen voor de betaling van een oude tandartsnota uit de tijd, waarin hij zich zelf nog een behoorlijk inkomen verwierf. In die tijd had appellant, hoewel tot de verplichtverzekerden behorend, pertinent geweigerd, zich bij een ziekenfonds te melden. Naar de mening van G.S. was dit een bewijs van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Daarnaast oordeelde dit college dat het betrokkene, nu hij in het genot was van een „gewone” bijstandsuitkering, niet ontbrak aan de middelen voor de noodzakelijke bestaanskosten. G.S. zagen hierbij dus kennelijk op de bestaanskosten-van-het-moment.

Gedeputeerde Staten van Utrecht deden op 18-8-’65 uitspraak in de zaak van een man, die i.v.m. gezondheidstoestand van zijn vrouw opnieuw naar Canada wilde emigreren. Maar dat kon alleen als hij eerst een schuld vanf4770,— betaalde. G.S. beslisten afwijzend, constaterend enerzijds dat het bestaan van het gezin — financieel gezien — niet in gevaar was, anderzijds dat emigratie niet medisch noodzakelijk was gebleken.

Een andere uitspraak was van Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 13-10-’65. Het betrof een gezin van man, vrouw en acht kinderen. De man had een inkomen vanf.146,17 per week, waarvanf.22,50 per week werd ingehouden ter aflossing van schulden, t.w. huurschuld en een geldlening. Een minderjarige zoon gaff.34,— kostgeld per week.

Bijstand voor de vernieuwing van kleding en keukengerei was door b. en w. geweigerd, omdat het inkomen hoger was dan de gemeentelijke bijstandsnorm voor een dergelijk gezin, zijndef143,80 per week, en mede omdat de man de schulden aan zichzelf te wijten had. G.S. stelden dat vernieuwing van kleding en keukengerei tot de normale bestaanskosten behoort en in dit geval uit de eigen middelen bestreden moest worden. Zou hiervoor bijstand gegeven worden, dan zou eigenlijk indirect bijstand gegeven worden voor de huurachterstand; en dat achtten G.S. in het algemeen onjuist.

In één geval boekte een appellant blijkens een uitspraak van G.S. van Groningen d.d. 6-9-’65 meer succes. In 1959 was hij voor zijn werk afgekeurd en kreeg hij invaliditeitsrente. Daarna was hij door ziekte van zichzelf, zijn vrouw en enkele kinderen in financiële moeilijkheden geraakt. Weliswaar had een inwonende dochter een groot deel van de schuld betaald, maarf347,— stond nog steeds open. Bijstand ter betaling van dit bedrag werd door b. en. w. geweigerd met het magere argument dat i.h.a. geen bijstand voor de betaling van reeds bestaande schulden wordt verleend. G.S. vernietigden deze beslissing en bepaalden dat bijstand voor dit doel moest worden verleend. Gereleveerd werd het door appellant betoonde besef van verantwoordelijkheid. Voorts werd overwogen dat de bestaande schulden betaald behoorden te worden en daarom tot de noodzakelijke bestaanskosten van de man behoorden, doch dat hij daartoe, gelet op zijn omstandigheden en mogelijkheden, zonder bijstand niet in staat zou zijn.

De overweging dat de schlden betaald behoren te worden is in het licht van de eerder vermelde uitspraken nogal opvallend. Zij leidt als vanzelf tot He vraag of de andere colleges van G.S. met hun afwijzende beslissingen dan misschien van mening zijn, dat betaling van bestaande schulden niet tot de noodzakelijke bestaanskosten behoren. Aan een bevestigend antwoord op deze vraag waag ik mij niet.

Wat hiervan ook zij, wel is duidelijk dat gevallen van schuldsanering (waarmee diakenen op zijn tijd ook wel eens te maken hebben) bij de bijstandsorganen niet bijster veel kans maken. Verder kan gesteld worden dat de omstandig-heden en de mogelijkheden van de persoon bij alle hier vermelde uitspraken — afwijzende en toewijzende — een rol hebben gespeeld. Het zal dus zaak zijn dat diakenen, die zich inzetten om bij b. en w. of bij gedeputeerde staten iets voor een gemeentelid te bereiken, die omstandigheden en mogelijkheden zo goed mogelijk belichten.

Ook het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kwam enkele malen in het vizier. De indruk zou kunnen zijn gewekt of een nogal eens voorkomend misverstand versterkt, dat bijstand slechts mogelijk is als men buiten eigen schuld in de knoei is geraakt. Bijstand kan echter ook geboden zijn, wanneer men de narigheid aan zichzelf te wijten heeft, zij het dat de gemeente de kosten dan later eventueel op de betrokkene kan verhalen. Wijst de overheid een aanvrage om bijstand voor schuldsanering eenmaal af, dan doet zij dat op grond van overwegingen van rechtvaardigheid en algemeen belang. (Of die overwegingen altijd juist zijn kan ik, zeker zo lang over dit punt nog geen vaste jurisprudentie bestaat, beter in het midden laten). Voor de diaken komt hier nog een dimensie bij: die van de christelijke barmhartigheid en vergevensgezindheid, ook bij grove schuld. Barmhartigheid-metde-dáád wil zeggen dat de diaconie in daartoe aanleiding gevende gevallen geld op tafel brengt, als de overheid — ook na ingesteld beroep en misschien mede wegens onvoldoende besef van verantwoordelijkheid — dat geld niet op tafel bracht.

Rijswijk (Z.-H.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.