+ Meer informatie

DE WERKZAAMHEDEN VAN DE CONSULENT

11 minuten leestijd

Inleiding

Wie in ons landelijk jaarboek snuffelt en daar de gegevens van de plaatselijke gemeenten bekijkt, stoot op het feit dat iedere gemeente een zogenaamde consulent heeft. De consulent is een door de classis aan de gemeente toegewezen naburige predikant. Het is zijn taak - zijn naam zegt het al - om in voorkomende gevallen de gemeente ‘raad’ te geven. Het woord consulent komt immers van het werkwoord ‘consul(t)eren’; dit is volgens Van Dale ‘de raad inwinnen van, hulp zoeken bij’. Het is opvallend dat in ons kerkverband iedere gemeente, ongeacht of deze zelf een predikant heeft of niet, zo’n predikant-consulent krijgt toegewezen. Tegelijk wijst de praktijk uit dat dit nog wel eens leidt tot de vraag: wat is nu eigenlijk de táák van deze consulent? Is dat helder te omschrijven? Daartoe dient dit artikel.

Hoe is het in andere kerken?

Het is de moeite waard eens bij andere kerken in Nederland na te gaan wat de taak van de consulent daar is. Dat levert het volgende beeld op:

Gereformeerde Kerken in Nederland

De regelingen voor het consulentschap in de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) liggen vast in artikel 41 van hun kerkorde.

Kort samengevat gaat het om vier zaken:

- leiding en raad geven, voorzover nodig, aan de kerkenraad;

- raadplegen door de kerkenraad van de consulent in belangrijke aangelegenheden;

- het bijwonen op uitnodiging van kerkenraadsvergaderingen, evt. het presidium daarvan waamemen;

- verantwoording van werkzaamheden aan de classis.

Alleen wanneer een kerk vacant is, wordt een consulent door de classis aangewezen. De GKN zijn tot de huidige formulering van art. 41 gekomen vanuit de gedachte dat, wanneer een gemeente geen predikant heeft, er een ‘wezenlijke schakel bij de leiding en regering der gemeente die aan de kerkeraad toekomt, is uitgevallen’ (dr. D. Nauta, Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, blz. 171). De formulering is zó gekozen dat kerkenraden zich in hun bevoegdheid niet aangetast voelen, terwijl zij tegelijkertijd aangespoord en aangemoedigd worden de consulent te betrekken in gewichtige zaken. De consulent wordt uitdrukkelijk niet binnen de kerkeraad opgenomen. Het staat in de vrijheid van de kerkeraad hem al of niet het presidium (voorzitterschap) op te dragen.

Uit de gebruikte formulering hebben kerkenraden in de praktijk afgeleid dat de consulent bij het uitbrengen van een beroep op een predikant de beroepsbrief mede ondertekent; de bewuste predikant weet dan immers dat de consulent met name in deze belangrijke zaak geraadpleegd is.

Het is voorts duidelijk dat bij eventuele conflicten tussen kerkenraad en consulent de classis daarin zal worden betrokken: daaraan is de consulent immers verantwoording schuldig.

Nederlandse Hervormde Kerk

De zaken van het consulentschap in de Ned. Herv. Kerk (NHK) zijn geregeld in ordinance 13 (de ordinantie voor het pastoraat); de ordinances horen bij de kerkordelijke regels in de NHK. In gemeenten met één predikantsplaats worden de (!!) amtelijke werkzaamheden bij een predikantsvacature verricht door het breed-ministerie, dat zijn de predikanten en ministeries uit de ring (wat kleiner dan onze classis). Dit breed-ministerie benoemt voor de gemeenten een consulent met een secundus. Deze fungeert als plaatselijk predikant en verricht - met uitzondering van de zorg voor de predikbeurten de (opnieuw !!) pastorale werkzaamheden. De consulent neemt in het moderamen van de kerkenraad de functie over van de predikant; in de vergaderingen van de kerkenraad en diens moderamen heeft hij een raadgevende stem. In principe kan de kerkenraad buiten zijn tegenwoordigheid geen besluiten nemen.

In gemeenten met meer dan één predikantsplaats wordt een soortgelijke regeling door het breed-ministerie getroffen, met dien verstande, dat de consulent één van de andere gemeente- of wijk-predikanten zal zijn.

De NHK past deze regeling ook toe wanneer een predikant wordt geroepen tot langdurige kerkelijke arbeid buiten de gemeente, bijvoorbeeld het lidmaatschap van de generale synode, bijzondere pastorale opdrachten vanwege de Kerk (landelijk) enz.. Dit geldt eveneens in geval van ziekte van langere duur.

Wanneer er een conflict rijst tussen kerkenraad en consulent kan de kerkenraad ‘een nadere voorziening vragen van het breed moderamen der classicale vergadering dat terzake een eindbeslissing geeft’ (Ord. 13 art. 23a).

De Gereformeerde Gemeenten

De GG, die zich houden aan de oude tekst van de Dordtse Kerkorde, hebben geen bijzondere bepalingen aangaande het consulentschap. Meestal wordt gehandeld naar analogie van hetgeen in oude uitgaven van de Dordtse Kerkorde achter de artikelen is toegevoegd onder de kop ‘De bepalingen waarvoor bij de artikelen der Kerkorde geene plaats was te vinden’:

De classes zullen de herderlooze gemeenten onder de leeraars verdeelen, opdat zij met hen consulteeren; en de leeraaren zijn gehouden om met raad en daad die gemeenten bij te staan, als ook het opzicht over haar te houden, en bij het beroepen van een leeraar tegenwoordig te zijn. (tekst 1894)

De Gereformeerde Kerken (vrijg.)

De GKV kennen geen landelijke, per artikel (of deel daarvan) van de kerkorde vastgestelde regeling voor een consulentschap. De zaak is geregeld via ‘classicale reglementen’ die overigens in de praktijk sterk op elkaar lijken. De omschrijving van de werkzaamheden van de consulent is minimaal: hij wordt door de classis benoemd (en is ook aan deze verantwoording schuldig), in ieder geval moet hij mede een beroepsbrief ondertekenen - en wordt in deze dus ook geconsulteerd. In de praktijk wordt in gemeenten met meer dan één predikantsplaats bij een predikantsvacature (één van) de overblijvende predikant(en) als consulent benoemd.

Anders dan bij ons worden hier de consulenten ook niet in het jaarlijks verschijnende handboek vermeld.

Conclusie

Wanneer we de uitkomsten van dit onderzoek bij ander kerken met elkaar vergelijken, springt in het oog dat bij alle kerken de consulent slechts benoemd wordt, cq. in functie komt, wanneer er een predikantsvacature is. In de GKN is zijn taak duidelijk omschreven, in de NHK ook, terwijl in de laatste kerk ook schriftelijk vastgelegd is dat de consulent tot zijn werkzaamheden wordt geroepen wanneer de plaatselijke (wijk)predikant voor langere tijd - om wat voor reden ook - zijn ambtelijke werk in de gemeente(wijk) niet kan doen. In de GG en de GKV zijn de regelingen (bewust) heel sober gehouden. De plaats van de consulent is daar ook bescheidener dan in de twee grote protestantse kerken in Nederland.

Onze eigen kerken

Wanneer we naar onze eigen kerken kijken, dan moeten we voor deze zaken in de Kerkorde zijn, art. 41 lid 5:

De classis zal voor elke vacante gemeente een dienaar des Woords (consulent) aanwijzen om met raad en daad deze gemeente bij te staan in die zaken waarin de kerkenraad zijn hulp inroept, met name inzake de beroeping van een dienaar des Woords; de beroepsbrief zal mede door hem ondertekend worden; hij is van zijn arbeid verantwoording schuldig aan de classis.

Het valt meteen op dat - net als in de andere kerken - onze kerken de consulent kerkordelijk alleen een plaats geven in vacante gemeenten. Het feit dat in onze kerkelijke praktijk iedere gemeente een consulent van de classis krijgt, heeft dus alleen een praktische reden: wanneer een gemeente vacant wordt tussen twee vergaderingen van de classis in, hoeft deze gemeente niet tot die volgende classisvergadering te wachten om te horen wie haar consulent is. Dat heeft voordelen: er kunnen immers dringende zaken zijn, waarvoor zijn raad nodig is.

Wat doet consulent in vacante gemeenten?

Vervolgens bezien we of het werk van de consulent in een vacante gemeente precies te beschrijven valt. In de NHK is dit zeker het geval - zie boven. De consulent heeft daar een taak die de van de (vertrokken) predikant kan benaderen. In onze kerken gaan we meer uit van de zelfstandige plaats die iedere kerkenraad heeft en die onder meer inhoudt dat het werk in pastoraat en besluitvorming altijd moet kunnen doorgaan onder leiding van die kerkenraad, ongeacht of de predikantsplaats nu bezet is of niet. Dat is trouwens een gereformeerd principe.

De vraag is vanuit de omschrijving in onze kerkorde heel eenvoudig te beantwoorden: de consulent heeft in een vacante gemeente zoveel ruimte als de kerkenraad hem wil geven. Bij de kerkenraad ligt alle verantwoordelijkheid (op het beroepingswerk na, waarover straks). Wil de kerkenraad in een vacante periode alle ambtelijk werk ‘in eigen beheer’ houden, dan heeft de consulent daar niets over te zeggen: het is des kerkenraads recht. De consulent komt immers pas in actie ‘in die zaken waarin de kerkenraad zijn hulp inroept’.

Wel wordt het vreemd wanneer de kerkenraad hulp in het pastoraat vraagt van een andere persoon dan de consulent met volledig voorbijgaan van de laatste. Menhad in ieder geval ‘raad’ dienen te vragen en de motieven op geestelijke wijze met de consulent dienen te bespreken. Dat in naar letter én geest van art. 41.

In de praktijk gaat het gelukkig meestal anders: de meeste consulenten krijgen - wanneer een predikantsvacature ontstaat - een telefoontje van de betrokken kerkenraad met de vraag of hij enige praktische hulp kan bieden: het gaat immers over raad en daad? In ieder geval moeten de catechisaties voortgang hebben; vaak - niet altijd - kan een consulent daarin de helpende hand bieden. In zware pastorale situaties (ik denk niet alleen aan de begeleiding van zeer ernstig zieken) is de kerkenraad blij wanneer de consulent met raad en daad helpt. Maar altijd blijft de kerkenraad verantwoordelijk voor het ambtelijk werk; waar nodig legt de consulent verantwoording af aan de classis: dit wanneer er enig conflict tussen kerkenraad en consulent zou rijzen. Uiteraard rapporteert hij van de voortgang van zijn werk aan de kerkenraad.

Er is veel voor te zeggen een consulent niet al te uitgebreid in het gemeentelijk werk te betrekken; nog afgezien van de vraag of de man dat fysiek en mentaal vol kan houden, moet men voor ogen houden dat de gemeente de praktische nood die door die vacature ontstaat dan in het geheel niet voelt; zij moet blijven verlangen naar en bidden om een nieuwe herder en leraar.

Het beroepingswerk

Dat brengt ons bij de zaak waarin de consulent duidelijk namens de classis werk te doen krijgt en waarin de kerkenraad hem móet betrekken, en dat is het beroepingswerk. Het feit dat mede zijn handtekening onder een beroepsbrief moet staan is er een teken van dat hij inhoudelijk heeft mogen en kunnen meespreken. Merkwaardigerwijs is dit nu juist (alhoewel nogmaais als enige punt kerkordelijk vastgelegd) een zaak waarbij de consulent zo nu en dan pas wordt benaderd wanneer de beroepsbrief al klaar ligt. Dat is niet juist. Niet dat een consulent het beroepingswerk zou moeten beheersen. Dat is adviseren nooit. Hij kan echter soms zaken in overweging geven die een kerkenraad over het hoofd zou zien; hij kan ook - in alle voorzichtigheid - vanuit zijn kennis van het kerkelijk leven namen van broeders predikanten in het overleg binnen de kerkenraad inbrengen, waarbij overigens de kerkenraad de volledige beslissingsbevoegdheid houdt. Hij zal ook - namens de classis - zijn oog laten gaan over de regelingen die in de beroepsbrief staan en ze vergelijken met de onder ons landelijk vastgelegde (financiële) minimum-adviezen. Op de achtergrond kan een consulent zo een belangrijke taak vervullen, waar een kerkenraad zegen van kan ontvangen.

En niet-vacante gemeente?

Rest de vraag of toch ook niet-vacante gemeenten geen gebruik zouden kunnen maken van het feit dat zij - hoewel niet vacant - een (‘slapende’) consulent van de classis hebben toegewezen gekregen. Na al het hierboven geschrevene kan het antwoord kort zijn: niets moet, alles mag - om zo te zeggen. Ik bedoel daarmee dit: het kan in voorkomende gevallen voor een kerkenraad fijn zijn om te weten dat hij in geval van nood altijd op een bepaalde predikant in de classis een beroep kan doen. Ik denk aan ziekte of langdurige afwezigheid (bijv. vakantie) van de plaatselijke predikant. Er kunnen situaties zijn waarin het optreden van een andere predikant dan gewenst is; ik denk aan begrafenissen of geplande viering van het heilig avondmaal. Er is dan toch een binding met de consulent, die gevoelsmatig groter is dan met een willekeurig andere predikant.

Eén ding moet daarbij echter heel duidelijk zijn: de kerkenraad is niet verplicht deze predikant te raadplegen: er is immers geen predikantsvacature en art. 41 lid 5 van onze Kerkorde is dus niet van toepassing. Een predikant kan zich dus ook nooit gepasseerd voelen wanneer de kerkenraad hem niet raadpleegt in voorkomende gevallen. Ik schrijf dat met zoveel woorden neer omdat dit - zo bleek mij - geen theoretische kwestie is. Vooral bij moeilijkheden in de gemeente of in de kerkenraad komt het wel eens voor dat een consulent meent daarin automatisch een functie te hebben en dat ook laat weten. Dit is niet zo: de gemeente is immers niet vacant. Een andere zaak is dat een kerkenraad in geval van goede verhoudingen met die consulent hem in de praktijk al snel zal raadplegen. Maar met evenveel recht kan hij een beroep doen op de classis en deze heeft dan een tweetal predikanten paraat om in dergelijke gevallen met raad en daad bij te staan, namelijk de visitatoren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.