+ Meer informatie

UIT DE PRAKTIJK

6 minuten leestijd

31

Daar wordt wel eens gezegd, dat een mens niet gaan en staan mag waar hij wil, en dat wordt in het leven ook ervaren. Wij lezen in de Schrift, dat de mens zijn weg overdenkt, maar dat de Heere zijn gangen bestuurt, en dat is een weldaad als men daar op letten mag. Hoe menigmaal gaat het in het leven geheel anders dan we het ons ingedacht hadden.

Deze woorden hoorden wij op een bezoek bij twee oude mensen, die nu al meer dan tien jaar overleden zijn. In dat gesprek kwam naar voren hoe de één van Gods volk meer bekrompen door de tijd moet gaan dan de ander, hoe ogenschijnlijk de één veel ruimer leeft ook wat het gewone leven aangaat dan de ander, en toch mogen wij geloven dat beiden kinderen van God zijn. Waar zou dat toch aan liggen? zo werd ons gevraagd, want dit bleef niet bij deze paar zinnen, die wij hier neerschreven, maar dit werd door voorbeelden gestaafd.

Met onze ambtsbroeder hebben wij onze gedachten over deze dingen gezegd. Als een mens te doen krijgt met zijn staat voor de eeuwigheid en zich leert kennen als een doemwaardig en verloren zondaar, en hij mag daarmee onder God komen, dan krijgt hij God te rechtvaardigen en zijn vonnis te aanvaarden, maar als ook voor hem een mogelijkheid wordt geopend, en hij ontvangt een gezicht buiten zichzelf op de Middelaar, in Wie de enige weg wordt geopenbaard tot behoudenis, en hij mag iets beginnen te smaken van de dierbaarheid van die gezegende Persoon, dan beginnen al de begeerten der ziel uit te gaan naar de Heere Jezus, daar hij alles wat hij nodig heeft om voor God te kunnen bestaan in Hem ziet. En wat is dat leven dan teder, hoe begeert zo één nauwgezet te leven, hij is zo bang voor de zonde en neemt het zo nauw met de inzettingen des Heeren, het Woord is hem zo dierbaar, hij drukt het soms wel tegen zijn hart en begint de profeet na te zeggen: als Uw Woord gevonden is, heb ik het opgegeten. Wat gaat er dan een betrekking uit naar de Heere en Zijn Woord. Zo één kan in die tijden over geen strohalmpje heenstappen, want buiten de Heere is hem alles zonde.

Maar als daarop later teruggezien mag worden, wat kan het dan week worden van binnen; toen dat aanklevende en steeds naar de Heere uitgaande leven, en ziet zo één hoe het nu met hem gelegen is, och wat moet hij zich nu wegschamen; hoe weinig heeft hij de Heere nodig, veelal daarheen gaan naar eigen goeddunken. Wat een ruimte van leven, maar niet met God, ja dan kan het wel zo zijn, dat hij zichzelf afvraagt: kan dat met genade bestaan? Waar is dat eerste leven toch gebleven? En behaagt het de Heere niet om bij tijden en ogenblikken de ogen nog eens te openen en een weinig geloof te schenken op Hem, Die dat enige werk begonnen is, dan moet hij van zichzelf getuigen: waar zal dat nog op uit lopen? Maar nu is het zo’n wonder, dat de Heere Zijn eigen werk in stand houdt, en dat niettegenstaande de ontrouw van Zijn volk.

Hebt u het nu bemerkt waar het veelal in gelegen is? Jawel, het is zoals je zegt, in die eerste tijden, wat een aangenaam leven is dat, en wat blijkt daaruit dat de Heere die begeerte in de ziel legt om als het mogelijk ware heilig voor Hem te leven, al zijn dagen, maar ik zeg wel eens tot mijn vrouw: „Als de Heere mij niet tegenhield, dan zou er alles mee door kunnen”, en hoe menigmaal zien wij het, dat dat tere leven wordt losgelaten en dat de wereld weer begeerlijk wordt, maar dat is niet profijtelijk, en dat nog te meer als men er geen gevoel van heeft. Maar ik heb u goed begrepen, want een godvrezend mens beoefent een nauw leven en is huiverig voor al die nieuwe dingen, die men de laatste tijden aanprijst en in wil voeren, daar kan hij zijn hart niet aan geven, en dat voert hem zachtjesaan van de oude paden af, dat maakt het leven al ruimer, maar het voert van dat verborgen leven met de Heere af, en daarom zijn zij gelukzalig, die al hun kracht en hulp van Hem verwachten, die verkiezen de gebaande wegen en gaan zeker.

Maar mensen, ik dacht zoeven aan uw woorden, dat een mens niet gaan en staan kan waar hij wil, en dat is maar goed ook, want wij willen er nogal eens op uit. Wij hoorden in dit verband wijlen Ds. Riekel eens zeggen op de preekstoel: „Een koe, die zo hard door de wei draaft, verloopt zijn melk”.

Wij hebben een man gekend, die ook ervaren had, dat als hij met zichzelf op pad ging, hij meestal dor en ledig terugkeerde, en op zekere dag van plan was om ‘s avonds eens nadr een hoogbegenadigd kind des Heeren te gaan die door meerderen nogal veel verafgood werd. Hij meende daartoe wel vrijheid te gevoelen. Maar toen hij zich klaarmaakte zei zijn vrouw tot hem: „Zou je niet beter naar vrouw x gaan, daar je zo hartelijk mee verenigd bent vanwege het werk des Heeren? Dan ga ik met je mee”. Dit was voor hem het middel om zijn oorspronkelijk plan te laten varen. Zo gingen zij beiden op stap, niet wetende wat zij ontmoeten zouden. Nog maar even in de woning aangekomen, komt daar een oude vrouw binnen, die hij nog nooit ontmoet had. Hij dacht: wat moet dat hier vanavond worden, want die vrouw verkondigde volgens sommigen maar vreemde dingen en was onkerkelijk en had daarom ook geen goede naam. Maar daar had je het wonder: de eerste woorden door die vrouw gesproken, sloegen aan. Dat werd zo’n aangenaam gesprek over en weer uit het leven, en de schuchterheid tegenover elkander viel zo geheel weg, dat er geen erg was in de tijd, en deze man door zijn vrouw er op gewezen moest worden. Hier ontmoetten twee kinderen elkander in het levendige gemis en werd van beide zijden verteld wie en wat de Heere in vorige dagen geweest was, en hoe zij nu die gevoelige tegenwoordigheid misten.

Toen deze man vertrok en maar even de deur achter zich dicht gedaan had, zonk hij haast weg van verwondering, dat de Heere zo goed voor hem was en hem zijn eigen weg niet heeft laten gaan naar een mens, die haast door een ieder zo hoog geprezen werd, maar dat Hij de weg zo geleid heeft, dat hij een eenvoudig kind mocht ontmoeten, zeer tot zijn bemoediging en versterking.

Ook die oude vrouw was zeer getroffen door deze ontmoeting, waarin zij duidelijk de hand des Heeren zag, Die haar een verkwikking had geschonken in haar vaak eenzaam leven. Niet lang na deze gebeurtenis is die vrouw gestorven. In dit leven hebben die twee elkander niet meer ontmoet. Dit is een eenmalige ontmoeting geweest, waarop de man moest zeggen: hoe wonderlijk zijn ook in deze de wegen des Heeren, een mens weet maar altijd niet waar hij zijn moet, de Heere stuurt zijn gangen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.