+ Meer informatie

"Bekeert u tot Mij"

5 minuten leestijd

Daar gaat hij door de straten en de stegen van Jeruzalem. Een opwekkende boodschap heeft hij niet! Joel verdwijnt helemaal achter de woorden van zijn God, die hij spreekt. Het woord des Heeren geschiedde tot Joel. Joel zet z'n prediking in met twee rampen! Een enorme droogte en een enorme sprinkhanenplaag.
De bevolking reageert op deze oordelen gelaten. Er is geen beweging naar God toe in te krijgen! ,Ja, 't is erg", zeggen ze. Maar, wij kunnen er ook niets aan doen! Wordt er dan niet gebeden? We lezen er niets over! Nu komt Gods boodschap: „Deze rampen zijn nog maar de voorboden!" Want, de „dag des Heeren" komt! Over de dag des Heeren leefde onder 't volk een goed gevoel. Op de dag des Heeren zouden alle vijanden verslagen worden. En voor Israël zou die dag louter geluk brengen.

Joël schetst een heel ander beeld! Het is een dag van gericht en oordeel. „Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij, met uw ganse hart." De Heere roept Zijn volk tot bekering uit zijn slaap, uit zijn lauwheid. De tempeldienst draaide volop. Maar innerlijk is Gods eigen volk ver weg bij God! Nu roept God Zijn volk tot een geestelijk ontwaken. Tot berouw en schuldbelijdenis. De grote Dag van de Heere komt! En u bent niet voorbereid! U hebt Mij uit uw leven gebannen! Mij buiten uw leven geplaatst. Helemaal geseculariseerd!
U merkt de tekenen van Mijn hand, sprinkhanen en droogte, niet meer op. U ziet 't alleen als natuurverschijnselen. U klaagt erover. Maar, Juda, uw diepste nood is uw zonde, uw duisternis. De kloof tussen u en Mij! „Bekeert u tot Mij, met uw ganse hart." Dat is Gods boodschap aan Zijn volk. Aan Zijn gemeente uit de volkeren. Aan u en mij!

Hebben wij de Heere niet verlaten? Neemt de lauwheid, de geesteloosheid onder ons ook niet hand over hand toe? Over ons is een geest van materialisme gekomen. We hebben ons hier gesetteld. We voelen ons thuis, we zijn geen vreemdelingen meer. Ons leven, persoonlijk en als gemeente, als kerk, suddert door! Er is een vorm van vermenging gekomen met de wereld. Haar geest beheerst ons. Dat maakt ons machteloos. Dat maakt onze gebeden machteloos, dat maakt ons getuigenis machteloos. Dat stelt ons schuldig voor de ogen van de Heilige God. De Bijbel noemt dat dronkenschap! Dat staat een geestelijke vernieuwing in de weg in ons persoonlijk leven, in de gemeente, in de kerken.
Als een roepende in de woestijn van het moderne leven staan hier de woorden van Joel. De Heere vraagt uw hele hart. Ik vraag een omkeer, een ontwaken tot Mij! Zoek uw zaligheid met ernst. Uiterlijk de Heere dienen is niet genoeg. De grote dag van de Heere komt! Ik hoop dat u iets aanvoelt van 't gewicht van Gods heilige toorn. En dat u, daardoor getroffen, zich tot de Heere keert, geleid door Gods Geest.
God vraagt uw ganse hart! Onderzoek of uw berouw en geloof oprecht en waarachtig zijn. Onderzoek of u één bent met Christus. Hij heeft de toorn gedragen. Hij bracht verlossing. Onderzoek of Christus in u is. Of u gewassen bent van al uw zonden, gerechtvaardigd en geheiligd in onze Heere Jezus Christus!

Bekering, dat is werkelijk een omkeer. Zodat heel je hart, heel je leven op de Heere wordt gericht. Op de Heere Jezus Christus. Wie als een arme zondaar tot Hem komt, met al zijn nood, wordt door God de Vader ontvangen, om Jezus' wil. Joel kleurt die omkeer naar de Heere nog wat dieper in. Met vasten, met geween, met een rouwklacht. Dat geeft de radicaliteit van de bekering aan. Dat geeft ook 't karakter aan van 't berouw over de zonde. Hoe zal ik, die gezondigd heb, komen tot Hem? Ik, die in een sleur de dagen aan elkaar rijgde. Met mijn sleur en slentergodsdienst. Vastgeroest in onze patronen, terwijl alle frisheid eraf is.
Met vasten, met geween, met rouwklacht! Waarom? Om als smekelingen tot God te gaan. Om te belijden dat er voor ons persoonlijk, voor ons als kerk, als gemeente, als land en volk, geen enkele hoop overblijft dan Gods barmhartigheid. Met vasten, geween, rouwklacht, dat onderstreept de bekering van 't hart, van 't leven tot de Heere. Vasten, tranen en een rouwklacht over de zonde vormen hier een teken van openbare schuldbelijdenis! Als je zo, door de Heilige Geest, je leven voor God verloren ziet, dan kost 't je ook tranen in de stilte voor de ogen van de heilige God. En een diepe klacht als een rouwklacht over je lippen: „Heere, tegen U hebben wij gezondigd."

We zien uit naar een doorbraak van de Heilige Geest. Dan leren we de diepten van de oprechte bekering tot God. Het gebed van schuldbelijdenis, en om schuldvergeving. Dan leren we ook de hoogten kennen van de genade van God in Christus. We zingen: Uit diepten van ellenden. We zingen: Uw goedheid, Heere, is hemelhoog.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.