+ Meer informatie

HET LIED IN DE EREDIENST

7 minuten leestijd

5.

De berijming van 1773.

In de eerste eeuwen na de Hervorming werden in ons land de psalmen gezongen in de berijming van Petrus Datheen. Die berijming is van grote betekenis geweest voor het geloofsleven van de gemeente in die eeuwen. Het gereformeerde kerkvolk was zeer gehecht aan die berijming. Zij sloeg bij het eenvoudige volk meer aan. Bij de vele waardering, die er was, groeide er ook kritiek. De dichter Constantijn Huygens maakte zijn kritiek kenbaar. Jacobus Koelman was met de berijming niet zo ingenomen en W. a Brakel schreef in zijn „Redelijke Godsdienst” (1700), deel 2: ’t was te wensen, dat een kunstig en godzalig dichter zijn werk ervan maakte, om ze beter en met de grondtekst beter overeenkomende, op dezelfde wijzen te dichten en dat ze in de kerken tot het publiek gebruik aangenomen werden”.

Ook Abraham Trommius (1633–1719), Johannes d’Outrein (1662–1722) en zelfs voor hen Jodocus van Lodenstein (1620–1677) hebben hun stem verheven tegen de berijming van Datheen. Ondanks de kritiek handhaafde de berijming zich twee eeuwen.

In de 18e eeuw kwam de drang en de vraag naar een nieuwe berijming almeer naar voren. De gebreken van Datheens berijming vielen al meer op. Onjuistheden en verouderde uitdrukkingen. De classis Den Haag drong in 1754 bij de synode aan op een herziening en verbetering van de berijming van Datheen. De wens van een algehele herziening van de psalmbundel kwam tenslotte naar voren. De verschillende provinciale synoden betuigden daarmee hun instemming. De regering van het land gaf ook zijn toestemming. De Staten namen zelfs het initiatief en op hun last en aanwijzing kwamen 12jan. 1773 negen predikanten met twee afgevaardigden van de Staten in het Mauritshuis te Den Haag bijeen. Men besloot dat een nieuwe berijming zou worden samengesteld uit enkele van de bestaande berijmingen.

De eerste bundel, die in aanmerking kwam, was die van Hendrik Ghijsen, reeds in 1686 verschenen, getiteld: „De hoonig-graat der psalm-dichters”. Hij was zilversmid en voorzanger m de Amstelkerk te Amsterdam. Deze had zijn berijming samengesteld uit 17 andere berijmingen en in zijn uitgave telkens op de rand aangegeven van welke auteur het vers of regel was.

Prof. Schilder schrijft: „Echt iets voor een zilversmid, getrouw aan zijn beroep kwam hij met een prachtig inlegstuk voor de dag”. Met name in Friesland vond zijn werk grote waardering en de Synode van Friesland wendde zich in 1703 tot de Heren Staten van dit gewest met het verzoek de Psalmen van Datheen door die van Ghijsen te mogen vervangen. De Friese Staten waren echter van oordeel, dat de psalmberijming geen gewestelijke aangelegenheid is, maar thuis behoorde bij de Algemene Staten.

De tweede berijming, die gebruikt werd, was die van het genootschap Laus Deo, Salus Populo d.i. aan God de eer, den volke heil. Deze berijming was meest door doopsgezinden en remonstranten vervaardigd en in hun gemeenten in gebruik genomen.

De derde berijming was van Johannes Voet, geneesheer te ’s-Gravenhage. Zijn werk was door een letterkundig genootschap onderzocht en veelveranderd.

De benoemde kommissie heeft 121 vergaderingen gehouden. 19 juli 1773 was men met het werk gereed. In een vergadering van de Algemene Staten werd de bundel aan hen overgedragen. Voor de kommissie aan het werk ging hadden de afgevaardigden van „Hunne Hoog Mogenden” hun voorschriften gegeven voor de werkwijze. De methode van Ghijsen zou niet opnieuw worden nagevolgd, maar wel zou zijn boek, waarin vele dichters verwerkt waren, als een originele bron beschouwd worden naast het werk van Voet en van het genootschap „Laus Deo, Saluo Populo”. Regels en verzen zouden niet uit hun verband worden losgemaakt om weer opnieuw te worden samengevoegd. Er moest een keuze gedaan worden uit de gedichten als zodanig, zonder kombinering of vermenging, waarbij dan nog alle gelegenheid overbleef om het een of ander „af te schaven of bij te vijlen, uit te borstelen en te polijsten”.

De kommissie hield zich geheel aan de voorschriften en beslissingen van de regeringskommissarissen. Men moest zich ook aan het volgende houden: dat in de nieuwe berijming niets mocht voorkomen ennigszins strijdig met de aangenomen leer der Gereformeerde Kerken, zoals die naar Gods Woord in de Heid. Catechismus, de Belijdenis des Geloofs en de Canones van de Synode Nationaal, te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is. In hun verklaringaan de Heren Staten lezen we: „Wij verklaren in gemoede, dat in deze berijming niets gevonden wordt in het allerminst afwijkende van de bovengemelde Formulieren van enigheid; ’t welk alles wij getuigen met ondertekening onzer handen”.

Op last van de Algemene Staten werd de berijming van 1773 ingevoerd met ingang van 1 jan. 1775. Velen waren blij met de nieuwe berijming. Het was een grote verbetering vergeleken bij de berijming van Datheen. Toch was er op verschillende plaatsen verzet. Dit verzet was vooral gericht tegen de „korte zangwijze”. De eerste en laatste noot van iedere psalmregel moesten lang worden gezongen en de daartussen liggende kort. Diezelfde strijd is er vandaag nog. Het is een twistappel in de kerken. A1 enkele jaren. In het verleden zong men in de ene gemeente te vlug en in de andere te langzaam. Beide is oneerbiedig. Oneerbiedig is te vlug zingen, maar ook kan oneerbiedig zijn door de noten zo lang mogelijk aan te houden en ze met allerlei verdraaiingen te versieren. Nu is er enige verandering ingetreden. Het zeer langzame zingen verdwijnt. Dit vind ik een plus. Ook wordt het verschil gezien en aangevoeld tussen een biden een lofpsalm. Echter vindt aan de andere kant het „ritmisch zingen” al meer ingang. Onder de vlag en banier van Calvijn en onder het motto „hele en halve noten” gaat het er bij velen grif in. De praktijk laat echter wel heel wat anders horen. Het ritmisch zingen heeft in de meeste gevallen niets te maken met hele en halve noten, maar alles met de „geest van de tijd”. Het heeft ook weinig met Calvijn te maken. De manier van zingen, waarbij men kan gaan dansen, springen en huppelen, was niets voor een man als Calvijn. Als het ging over het zingen van de Jofzangen Israëls” stond hem de grootst mogelijke eerbied voor ogen. Mogelijk is het, dat men op hele en halve noten zong. Dit is echter bekend, dat de „hele” noten van heden nog korter duren dan de „halve” noten uit de dagen van Calvijn. We konstateren vandaag zelfs het volgende: dat op geen hele en halve noten, maar op achtsten en zestienden gezongen wordt. Reden: de zang moet voor de moderne mens „aantrekkelijk” gemaakt worden. Men is zich zo langzamerhand meer bewust, dat de „mensen” naar je kijken, dan dat de ogen Gods de gemeente doorzoeken. Nu weten we, dat de oorspronkelijke psalmmelodieën ontleend zijn aan allerlei gewone volksdeuntjes uit de dagen der Reformatie. Onze vaderen hebben echter geen deuntjes willen zingen in de eredienst, maar psalmen (koralen). En als ze psalmen zongen, dan werden ze gezongen niet op de manier van deuntjes, en zeker niet op danswijsjes, maar met de hoogst mogelijke eerbied.

In de zangwijze moet ook steeds primair staan de eer van God en niet de wil van de mens. Ook niet de bevrediging van een grote groep gemeenteleden. Laten we blijven bij een verantwoord tempo. Het „jachten en jagen”, zodat men nauwelijks weet wat men eigenlijk gezongen heeft, strekt niet tot eer van God. Dat ook in het zingen beluisterd worde het werk van de Heilige Geest. De Heilige Geest heeft de psalmen gegeven, de Heilige Geest leert ze ons ook zingen. Van harte zingen. Dat blijke onder ons.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.