+ Meer informatie

Enige overwegingen bij art. 8 D.K.O.

10 minuten leestijd

Artikel 8 van onze kerkorde is bekend. Het luidt: „Iemand, die niet aan een theologische (hoge) school of universiteit is opgeleid, kan niet tot het predikambt worden toegelaten, tenzij men verzekerd is van zijn singuliere gaven: godzaligheid, ootmoed. zedigheid, goed verstand, onderscheidingsvermogen en welsprekendheid. Wanneer zulk een persoon staat naar de dienst des Woords, zal de classis, na toestemming van de particuliere synode, eerst een voorlopig onderzoek instellen en naar gelang van de uitslag hem een tijdlang in enkele gemeenten van de classis laten voorgaan en voorts naar bevind van zaken met hem handelen naar de regeling door de generale synode vastgesteld.”

Het ontstaan van dit artikel is een verhaal apart. Van meet af zijn de kerken der reformatie er van overtuigd geweest, dat voor een behoorlijke vervulling van de roeping van een dienaar des Woords een wetenschappelijke opleiding noodzakelijk was. Er waren kort na de reformatie drie redenen, die er toe leiden broeders zonder wetenschappelijke opleiding tot het ambt toe te laten. Er was in de Nederlanden geen universiteit of hogeschool. Men moest om te studeren naar Heidelberg, Genéve, Bazel of Zürich. Er was voorts een groot gebrek aan dienaren des Woords en… het bleek, dat sommige broeders door de Heilige Geest met bijzondere geven waren toegerust. Gaven, die voor de kerken van bijzondere betekenis konden zijn. Een en ander heeft geleid tot het ontstaan van art. 8.

De vraag komt wel eens op: is handhaving van dit artikel nog zinvol? Immers, de situatie is gewijzigd. Onze kerken hebben een eigen en, zo mogen we zeggen, goede theologische hogeschool. Het gebrek aan dienaren des Woords is in ieder geval niet meer zo groot, dat dit handhaving van art. 8 voldoende zou motiveren. Dit overwegende zouden we in onze tijd dit artikel buiten werking kunnen stellen, ware het niet, dat ons ook nu broeders geschonken worden, die wel geen wetenschappelijke oplossing in theologicis hebben genoten en om welke reden ook niet meer kunnen genieten, maar kennelijk met bijzondere gaven zijn toegerust. Zozeer, dat het onverantwoord zou zijn deze krachten niet full time in te schakelen in het werk in de gemeenten. Art. 8 opent daartoe de mogelijkheid.

Ik zou bij de tegenwoordige structuur van het kerkelijk leven deze mogelijkheid niet graag zien verdwijnen. Maai de vraag laat zich niet onderdrukken of deze krachten — geef dit woord z’n diepe bijbelse zin — nu per se het ambt van dienaar des Woords moeten vervullen om full time ingeschakeld te worden in het kerkewerk.

Voorop wil ik stellen, dat ik grote bewondering en waardering heb voor de wijze, waarop de broeders, die naar art. 8 predikant geworden zijn, de kerken dienen. Er is waarlijk voor hen geen reden zich minder te achten en voor de kerken niet om hun de volle waardering te onthouden.

Maar toch, het moet in deze tijd voor hen wel bijzonder moeilijk zijn dienaar des Woords te wezen. Dit werk vereist — zeker nu — een gedegen opleiding en een diepgaande bijbels theologische vorming. Is die er niet dan krijgt men met bijzondere moeilijkheden te kampen, die het leven heel zwaar kunnen doen worden. Natuurlijk ontvangen de broeders wel enige theologische vorming — hoewel ik de indruk heb, dat er tegenwoordig minder aandacht aan geschonken wordt dan vroeger — maar wat gegeven wordt is onvoldoende om hen voor die bijzondere moeilijkheden in de bediening van het Woord te bewaren. De predikanten naar art. 8 hebben het waarschijnlijk heel moeilijk.

En wat passeert er al niet voor ze het begeerde ambt ontvangen? Er zijn vele en soms verdrietige samensprekingen over de persoonlijke verhouding tot de Here en het roepingsbesef. Kerkeraad, classis, particuliere synode, weer classis en dan nog eens een classis komen er aan te pas. Veelal hebben ze een drukke werkkring en daarbij moet dan ook nog gestudeerd worden. Het is allemaal even moeilijk.

Toch, hoewel dit bekend is of in ieder geval bekend kan zijn, er staan telkens weer broeders op, die de weg van art. 8 willen gaan en bereid zijn onvoldoende toegerust het werk van een dienaar des Woords te doen. De ene tijd zijn er minder, de andere tijd zijn er meer. Nu zijn er zelfs veel. Niet ieder ontvangt gelegenheid de weg tot het einde toe af te lopen. Maar toch komen ze. Telkens opnieuw. Dat valt op en geeft te denken.

Voor de kerken is een en ander ook niet eenvoudig. Iemand wel of niet aanvaarden is een zeer ingrijpende zaak. Zowel voor de kerken als voor de persoon in kwestie. Wat is het dikwijls moeilijk tot een verantwoorde beslissing te komen. Er zijn zoveel vragen, die niet afdoende te beantwoorden zijn. Wat is singulier? Welke maatstaven moeten worden aangelegd? Welke vorming moet worden geboden? Zo zouden we nog een poosje door kunnen gaan. We kunnen wel zeggen, dat zo dikwijls art. 8 gehanteerd wordt, zo dikwijls blijft er een gevoel van onbehagen achter. Uitzonderingen bevestigen deze regel.

En toch, hoewel er veel is dat niet bevredigt, de kerken peinzen er niet over art. 8 buiten werking te stellen. Ook dat geeft te denken. Het is al met al een heel merkwaardige situatie.

Als ik zou moeten proberen de werkelijkheid te omschrijven, zou ik het zo doen.

Er zijn broeders, die gaven van de Heilige Geest ontvingen. In hen is ook de drijving van de Geest om die gaven volledig in dienst te stellen van de kerken. Maar de kerkelijke situatie is nu eenmaal zo, dat dit in feite alleen maar kan als ze dominee worden. Dus gaan ze of niet of aarzelend die weg op, maar erg gelukkig gevoelen ze zich niet. Ze zien tegen wat hen wacht op als tegen een berg.

De kerken zien geen kans deze broeders anders volledig in te schakelen in het werk in de gemeenten dan door hun het ambt van dienaar des Woords toe te vertrouwen. Dat gebeurt dan meestal ook. Maar waarom?

Omdat er geen andere mogelijkheden voorhanden zijn.

Er is een soort nood-situatie naar twee kanten.

We plukken hier m.i. de wrange vruchten van een zeer bepaalde ontwikkeling in onze visie op het ambt van dienaar des Woords. We hebben het niet juist geaccentueerd en laten uitgroeien tot een zo ongeveer alles omvattend ambt, waarin bijna alle gaven van de Heilige Geest zijn ondergebracht. Mede daardoor — er werkten ook andere factoren — is zo langzamerhand een kerkstructuur en een kerkelijk besef ontstaan, waardoor de niet-ambtelijke functionering van de Geestesgaven in de gemeente nauwelijks meer mogelijk is.

Laat ik deze opmerking met een voorbeeld mogen toelichten.

Eén van de belangrijkste gaven van de Heilige Geest is de gave van de profetie. De Heilige Geest doet profeteren. Mannen en vrouwen. Ouderen en jongeren. Hand. 2. Profeten doen hun werk primair in de gemeenten. Maar in onze gemeente-samenkomsten krijgen ze geen kans aan het woord te komen. Alleen de dienaar des Woords spreekt. Is hij er niet dan wordt er een preek gelezen. Verandert de lezer iets aan de tekst van de preek dan gaat hij zijn boekje te buiten. Zelfs al zou de Here Jezus bij ons in de kerk komen, Hij zou moeten zwijgen.

Wie nu zou zeggen: er is voor het profe-tisme geen ruimte in onze kerken, vergist zich. Want die ruimte is er wel, maar opgeborgen en opgesloten in het ambt van dienaar des Woords. Hij is profeet. In feite dé profeet, want hij alleen heeft werkelijk mogelijkheden om te profeteren.

In deze situatie is een klimaat ontstaan, waarin ieder, die uit de volheid van Christus begeert te spreken, wel eens het verlangen om predikant te worden in zich opmerkt.

Slechts weinigen en dan nog alleen broeders zien na korter of langer tijd dit verlangen vervuld. Bij de anderen verdwijnt het in meer of mindere mate.

Ik vraag me wel eens af hoeveel ontluikend profetisme reeds gestorven zal zijn.

Zien we het ambt van dienaar des Woords wel in het rechte licht? Zelf twijfel ik er wel eens aan. ’k Hoop, dat iedere dienaar des Woords iets profetisch heeft. Maar zijn ambt en dat van de profeet (profetes) moeten goed onderscheiden worden.

Het O.T. kent twee — wat ik nu maar even noem — institutionele ambten. Dat van de priester en de koning. Ook is er het charismatische ambt van profeet. Het samenkomen van het priesterlijke en koninklijke ambt in één persoon en het harmonisch samengaan van die twee, nam een grote plaats in in de heilsverwachting van Israël. Ps. 110 en Zach. 6. Het is in Christus vervuld. Daarbij valt op, dat niet de priester koning wordt, maar de koning priester. Christus, de zoon van David, de koning van Israël, is priester naar de orde van Melchi-zedek. Opmerkelijk is, dat in dit verband het profeet zijn nauwelijks ter sprake komt. Wel is de ideale koning de wijze, maar profeet wordt hij bij mijn weten nergens genoemd.

In die lijn ligt het m.i. dan ook dat we in het N.T. geen koningen in de eigenlijke zin van het woord meer kennen. Wel het regeerouderlingschap, waarin het leerouder-lingschap is opgenomen. Daarnaast, soms daar tegenover — het is hier niet anders, dan in het O.T. — neemt het profetisme een geheel eigen plaats in. En niet alleen het profetisme, ook de functionering van andere charismata, d.w.z. Geestesgaven.

In geen geval worden deze gaven ingedragen in het leerouderlingschap, in het dienaar des Woords zijn. Dat ambt is een functie van het regeerouderlingschap en aan het opzicht daarvan onderworpen. De koning is priester en de priester bedient het evangelie der verzoening, verricht de dienst der gebeden en geeft het onderwijs in de thora, de „wet”.

Vanuit dit gezichtspunt lijkt het dan ook juister het ambt van de dienaar des Woords meer in verband te brengen met het ambt van de priester dan met dat van de profeet.

Het profetisch charisma komt een eigen plaats in de gemeente toe. En niet alleen dit charisma. Er zijn er meer. 1 Cor. 12. Ze worden door de Heilige Geest geschonken aan mannen en vrouwen, aan ouderen en jongeren. En ze functioneren in de gemeente onder het opzicht van het ouder-lingschap.

Het lijkt noodzakelijk ons eens grondig te bezinnen op de eigenlijke betekenis van het ambt van dienaar des Woords. Alsmede op de betekenis en functionering van de gaven van de Geest in de gemeente. Voor dit laatste moet meer ruimte komen. Te zeer domineert de dominee en te zeer worden met Geestesgaven begiftigden gedwongen in de richting van het ambt van dienaar des Woords te kijken. Zij zouden tot volle ontplooiing moeten kunnen komen zonder nu direct een — mag ik het weer even zo noemen? — institutioneel ambt te bekleden. Dit laatste geldt niet alleen broeders, maar ook zusters. Voor hen is het al heel moeilijk de hun verleende gaven vruchtbaar te maken in de gemeenten. Als de tegenwoordige situatie gecontinueerd blijft zal de vraag om hun toelating tot het ambt steeds sterker worden. Het ontbreken van alternatieven zal het dan de kerkelijke vergaderingen bijzonder moeilijk maken. Toelating acht ik onschriftuurlijk. Niet toelating zal in de huidige situatie ernstige gewetensconflicten kunnen veroorzaken. Het doet dit waarschijnlijk nu reeds.

De vraag hoe één en ander in de eerste christelijke gemeenten functioneerde mag ons wel bijzonder bezighouden, ’k Heb zo’n vermoeden, dat intensieve schriftstudie ons zal doen ontdekken, dat we in meer dan één opzicht van de Schrift afgeweken zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.