+ Meer informatie

DE GESCHRIFTEN VAN HENDRIK DE COCK Een eerste bundel*

13 minuten leestijd

Een gedenkteken in boekvorm

Te oordelen naar het aantal publikaties is er in het gedenkjaar 1984 een opvallend grote belangstelling geweest voor de Afscheiding van 1834. Verschillende uitgaven zijn het resultaat van een samenwerking die niet kerkelijk begrensd is. Andere herdenkingsbundels zijn samengesteld door schrijvers die tot dezelfde kerk behoren. Een voorbeeld daarvan is het onder ons bekende boek „In trouw gescheiden” (1984).

Opstellen en artikelen, van hoeveel betekenis ook om de actualiteit van historische feiten te laten zien, maken de bestudering van de bronnen zelf niet overbodig. Daarom is er reden om dankbaar te zijn voor het eerste deel van de „Verzamelde Geschriften” van Hendrik de Cock, dat ons nu gepresenteerd is. Een tweede deel is aangekondigd.

Een boek van dit gehalte heeft iets monumentaals. De uitgever heeft er het zijne voor gedaan door voor mooi papier, een royaal formaat en een prachtige band te zorgen. Maar het kon alleen tot stand komen, doordat gekwalificeerde medewerkers, van wie de hoogleraren drs. D. Deddens en dr. W. van ’t Spijker de verantwoording schreven, er zich veel moeite voor getroostten. Elk geschrift van De Cock kreeg een afzonderlijke inleiding en gaat van een aantal aantekeningen vergezeld. Zo plaatste ds. M. Drayer bij het eerste van deze reeks van 18 geschriften al bijna 150 aantekeningen!

Om het geheel betaalbaar te houden heeft men financiële steun gevraagd van de beide Theologische Hogescholen te Kampen, de Theologische Hogeschool te Apeldoorn en de Theologische Hogeschool te Rotterdam. Ook uit kerken die er minder direct bij betrokken zijn, zullen er wel lezers van het boek komen. Deddens en Van ’t Spijker zeggen in hun verantwoording: „Al met al bezitten we in deze geschriften een unieke bron voor onze kennis van het verleden, dat doorwerkt tot op de dag van vandaag. Een verleden dat niet uitsluitend het eigendom is van kerkgemeenschappen in Nederland, maar ook van hen in het buitenland die zich aan dezelfde bronnen verbonden weten.”

Wie in de kerkgeschiedenis geïnteresseerd is, zal er blij om zijn dat de geschriften van Hendrik de Cock, die nogal zeldzaam waren, op deze wijze toegankelijk zijn gemaakt en dank zij de historische inleidingen en aantekeningen zeer leesbaar zijn geworden.

Onder de ambtsdragers en stellig ook onder de predikanten van onze kerken zullen er zijn die het boek niet ongebruikt zullen laten. Als kerkeraden een eigen bibliotheek hebben, verdient het werk van De Cock daarin een plaats! Soms herinnert een plaat van de vaders van de Afscheiding er in een kerkeraadskamer aan, dat wij de Afscheiding niet willen vergeten. Maar zou het niet minstens zo belangrijk zijn om nog eens naar Hendrik de Cock zelf te luisteren, nu dit opnieuw mogelijk geworden is?

In de verantwoording wordt gezegd: „Hij bracht op zijn eigen wijze, gespeend aan alle vormen van retoriek, tot uitdrukking wat velen beleefden of zochten te beleven. Hij verwoordde de gevoelens en de gedachten van een deel van het volk, dat wilde blijven bij de waarheid, die eenmaal haar vertolking had gevonden in de gereformeerde belijdenisgeschriften, waaronder vooral dat van Dordrecht. Dit verklaart de weerklank niet alleen, maar vooral de instemming, die zijn stem versterkte, en zijn gedachten verder droeg. Dit verklaart ook de felle bestrijding en veroordeling die zijn geschriften opriepen bij talloos velen.”

Een rode draad die door al dit werk van De Cock heenloopt, is de band aan de belijdenis. Hij pleit er voortdurend voor, dat men zich in de kerk eenvoudig aan de belijdenis zal houden, zoals men zich daartoe verplicht heeft. Het is niet eerlijk om de belijdenis in naam te aanvaarden, maar er in werkelijkheid tegenin te gaan.

Als men daarop antwoordt, dat belijdenisgeschriften of dogma’s niet het laatste woord hebben, omdat voor protestanten alleen het gezag van de Heilige Schrift of het gezag van het Evangelie beslissend is, merkt hij terecht op, dat belijdenissen ook niet op één lijn staan met de Bijbel. Artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is duidelijk genoeg! Maar de leer van de formulieren van enigheid is de bijbelse waarheid. Dat wordt met een beroep op de Schrift zelf aangetoond.

Het hangt met de situatie in de kerk van zijn tijd samen, dat zijn geschriften dikwijls van polemische aard zijn. Van de voorredes die hij aan werk van anderen meegaf, is hetzelfde te zeggen. De bundel bevat ook geschriften uit deze categorie, zoals dat van Jacobus Klok over de Evangelische Gezangen.

Ernstige en hartelijke toespraak

Wie niet alleen aandacht wil vragen voor deze nieuwe uitgave, maar ook een indruk wil geven van de inhoud van de geschriften die erin opgenomen zijn, moet wel een keus maken. Dan is in elk geval te denken aan de „Ernstige en hartelijke toespraak” (1834). In de chronologisch gerangschikte reeks geschriften is het nr. 9, omdat het in april 1834 verscheen, maar het lag al sinds de zomer van 1832 klaar.

Er blijkt uit, dat Hendrik de Cock sterk befhvloed is door C. baron van Zuylen van Nijevelt, die wel eens zijn geestelijke vader genoemd is. Van hem heeft de Ulrumse predikant misschien wel verwacht, dat hij zich aan het hoofd van een reformatorische beweging zou stellen. Maar hij overleed in 1833.

De Cock is scherp, maar dat is niet om personen te treffen. Het gaat om de zaak waarvoor hij staat, nu hij mede door wat Van Zuylen van Nijevelt schreef, had gezien wat zijn roeping was.

Bij de uitgave van de toespraak zegt hij, dat hij gedwongen werd door wat hij las in Ezechiël 33: 1-11. Hij noemde ook Jesaja 62: 1-6 en 58: 1. Hij geloofde, dat hij een wachter moest zijn op de muren van Sion!

Is het geen tijd om te waken? Gods hand teistert het land al jaren. Zijn oordelen gaan over Nederland, omdat de zonden wonden maken, omdat de dienst van God onder ons zo verbasterd en vervallen is.

De afwijking van de gereformeerde leer - dikwijls aangeduid als neologie of liberalisme - is zeer verontrustend. Zij die zich op het ambt van predikant voorbereiden, worden gewaarschuwd: Wacht u voor zulk een verderfelijke leer, waardoor gij in plaats van leiders verleiders der gemeente, in plaats van herders, grijpende wolven wordt. Hij roept zijn collega’s op, zich te houden aan de ware gereformeerde leer, die zij bezworen hebben. Zij hebben de verkeerde grondbeginselen te toetsen en te onderzoeken aan Gods Woord en onze formulieren van eenheid, „welke helaas in onze dagen door leeraren en gemeenten te weinig gekend, begrepen en betracht worden.” Het is de satan onder Gods toelating gelukt de verzuchtingen en klachten van de getrouwen te smoren door de machtswoorden van vooruitgaande verlichting, filosofie en verdraagzaamheid.

De Cock kan hierbij gedacht hebben aan wat ds. D. Molenaar overkwam, die in 1827 zijn bekende „Adres” het licht liet zien. Hij is ter verantwoording geroepen en heeft moeten beloven, dat hij niets meer zou ondernemen dat de rust in de kerk zou kunnen verstoren. Daarmee werd een stem voor kerkherstel gesmoord.

Het klimaat in de jaren rond 1834 werd inderdaad bepaald door de factoren vooruitgang, verlichting, filosofie en verdraagzaamheid. Een rede die de president van de Algemene Synode in 1833 hield, was één lofzang op de vooruitgang. De Groninger theologie, die zich begon te ontwikkelen en die een wijsgerige inslag had, was een theologie van de opgaande lijn. Het was een intellectualistische en moralistische denkwijze.

Verdraagzaamheid was het parool. De Cock zou ondervinden, hoe deze veelgeprezen verdraagzaamheid omsloeg in onverdraagzaamheid jegens hen die zich bij die tolerantie niet konden neerleggen, omdat het Woord van God hun te machtig was geworden.

De Cock kon het raak zeggen. Men neemt het evangelie uit het evangelie, het geloof uit het geloof weg, als men over de waarheid zwijgt, ook al gaat men er nog niet direct tegen in.

Kenmerkend voor de geschriften van Hendrik de Cock zijn de ernst en de bewogenheid waarmee hij anderen aansprak: Och of men rond en eerlijk handelde, dat men niet verzweeg hetgeen gezegd moet worden, om onder Gods zegen de mens uit de doodslaap waarin hij sluimert op te wekken, dat men de gehele raad Gods de gemeente voorstelde en niet ten halve, opdat men eenmaal met Paulus mocht kunnen betuigen: Ik ben rein van uw bloed.

De Cock en de belijdenisgeschriften

Het eerste werk dat H. de Cock uitgaf was: „Besluiten van de Nationale Dordtsche Synode” (1833).

Hij wist dat de Leerregels voor velen afgedaan hadden. Hij was zelf al jaren predikant, toen hij de belijdenis leerde kennen en toen hij erdoor geraakt werd. In de inleiding wordt opgemerkt: „De kracht van het radicale Evangelie die over hem vaardig was geworden, vond hij in dit belijdenisgeschrift terug.”

In wat hij ergens een niet onbelangrijke voorrede noemt, verklaart hij, dat hij zich ertoe gedrongen voelde pogingen aan te wenden om in de hand van de Here een middel te mogen zijn tot zijn verheerlijking, tot uitbreiding van zijn koninkrijk en tot heil en behoud van zijn geliefde landgenoten. Baron van Zuylen van Nijevelt en anderen hadden er reeds toe opgeroepen, weer te keren tot de waarachtige dienst van God in Geest en in waarheid.

Men schijnt veelal te menen, dat het oprecht geloof en de waarachtige bekering zaken zijn die aan ieder bekend zijn. Maar de meesten zijn tevreden met een geloof van eigen maaksel. De algemene opvatting is, dat de bekering bestaat in het laten van het kwade en het doen van het goede, terwijl men niet weet, dat de mens uit zichzelf onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad en dat de bekering Gods werk is. Men vindt, dat er niet veel aan gelegen is, hoe de mensen erover denken, als ze maar vroom leven. Men moet elkaar verdragen.

Wat zouden we een verandering gewaarworden, als alle christenen de rechten van God eens wilden erkennen! Dan volgt de klemmende oproep: Komt dan vrienden, medeburgers, landgenoten, ieder vatte dit werk van Reformatie aan en zie niet op een ander. De Cock eindigt met het gebed van Psalm 80:

Behoud ons. Heer der legermachten;

Zoo zullen we ons voor afval wachten.

Hendrik de Cock vreesde het ergste, als de gereformeerde kerk in ons vaderland geen gereformeerde kerk zou blijven. Daarom haalde hij de oude belijdenis van 1619 als onder het stof vandaan. Hier stonden de stellingen van de kerk tegenover de dwalingen, die in die dagen getooid werden met de naam van nieuw licht. Hij wilde vele onkundigen de ogen openen, vele zorgelozen opmerkzaam maken en vele godvrezenden sterken en vertroosten.

Voorzover hier te spreken is van een theologie van De Cock is het een theologie die de lijn van de Reformatie doortrekt, juist ook in het opkomen voor de belijdenis van de soevereine genade van God. Daar ging het op de Dordtse Synode immers om.

Er is in de voorrede ook iets te herkennen van de Nadere Reformatie. Koelman, Witsius of een van de andere figuren die tot de Nadere Reformatie gerekend worden, had precies zo kunnen schrijven: leder vatte dit werk van Reformatie aan. Hendrik de Cock was trouwens wel bekend met de gedachten uit die tijd.

Heel karakteristiek is de volgende passage: „Dat de waarheid door ons voor en boven alles mogt gezocht, door Gods Geest gevonden, en wij met eikanderen onderdanen worden van den Heere Jezus den koning der waarheid, niet verleid noch afgetrokken door schoonklinkende namen en ijdele zaken, noch omgedreven en vervoerd door allerlei wind van leering.”

Ongeveer in dezelfde tijd is het „Kort Begrip” door De Cock uitgegeven. Hij vond het onnodig en verwarrend, dat er telkens nieuwe vragenboekjes werden samengesteld. Men had dit gouden kleinood toch?

Het kon dienen als een kort begrip van onze formulieren van eenheid en De Cock zou met zijn uitgave de lust tot onderzoek daarvan willen bevorderen. Als men er de Bijbel en de belijdenisgeschriften bij opslaat, waar steeds naar verwezen wordt, kan het boekje onder Gods zegen dienstbaar worden aan de vermeerdering van gegronde bijbelkennis, van gezonde denkbeelden over de weg naar de hemel en van wederkeer tot de weg van onze vaderen.

In de titel brengt De Cock zijn overtuiging tot uitdrukking, dat de formulieren van eenheid geheel en al in alles op Gods Woord gegrond en met Gods Woord bewezen zijn. Deze nadrukkelijke verzekering (geheel en al en in alles; gegrond en bewezen) heeft een polemische spits. De toenemende verachting en bestrijding van de belijdenisgeschriften deed hem het er met grote beslistheid voor opnemen, al kwam hij juist daardoor in conflict met andere predikanten, die in zijn ogen wolven in de schaapskooi van Christus waren, en al leidde dat er weer toe dat er door de kerkelijke besturen maatregelen tegen hem genomen werden.

Uitnodiging aan de gelovigen en ware Gereformeerden

Het eerste deel van de „Verzamelde Geschriften” van Hendrik de Cock loopt uit op de „Acte van Afscheiding of Wederkeering” en de „Toespraak en Uitnoodiging aan de Geloovigen en ware Gereformeerden in Nederland” (13 oktober en 1 november 1834). Een waardig besluit!

De „Toespraak en Uitnoodiging” zou men als een toelichting bij de Acte van Afscheiding kunnen beschouwen. Het stuk is behalve door H. de Cock ook door de ouderlingen en diakenen van Ulrum getekend.

Wat bedoelde men met de Afscheiding? Hier staat het: „Door Gods Geest opgewekt en door de noodzakelijkheid gedrongen, hebben wij naar de aanwijzing van Gods woord en de leiding des Heeren eindelijk het ambt der geloovigen art. 28 ons voorgesteld, aangenomen, en ons van de Sijnodale Hervormde kerk afgescheiden om weder te keeren tot de gronden onzer vaderen; God te dienen naar zijn woord en ons geweten”.

Wederkeer tot de gronden der vaderen is zoveel als wederkeren tot de door de vaderen beleden leer en tot de kerk van de vaderen.

Met deze afscheiding of wederkeer hebben wij ons niet gescheiden van de ware Gereformeerde Kerk en de ware Gereformeerden. Juist niet! Wij willen met hen de gemeenschap der heiligen onderhouden.

Evenals in de Acte wordt in dit document gesproken over de verloochening van de leer van de vaderen. Men hoort van kansels en katheders: De Synode van Dordrecht is afgeschaft en blijft afgeschaft. Onze formulieren binden ons niet meer.

Men zou kunnen denken, dat er in het Nederlands Hervormd Kerkgenootschap een volkomen vrijheid van denken is, waarbij zowel de waarheid als de leugen geduld en gehandhaafd worden. Maar de handelingen van de kerk getuigen van het tegendeel. Het blijkt dat het kerkbestuur de waarheid alleen vervolgt en gemeenschap heeft met alle dwalingen en ketterijen.

Daarom moest het tot de Afscheiding komen. Het was een uitoefening van het ambt der gelovigen volgens het Woord van God.

Het slot van het stuk heeft iets van een uitnodiging. Het spreekt voor zichzelf.

Wij reiken alle gelovigen die de waarheid liefhebben, de broederhand en vragen de hunne „met de bede dat de Almagtige God, de eenige en Drieeenige verbonds-God van zijn volk, zijn Geest over al zijn volk moge uitstorten, opdat zij uitoefenende het ambt aller geloovigen, het zout der aarde mogen zijn, als lichten op eenen kandelaar en als steden op bergen; ja uitstortende zijnen Geest over alle vleesch, het hart der vaderen nog moge wederbrengen tot de kinderen en dat der kinderen tot de vaderen, opdat de God onzer vaderen ook onze God zij, zijn zegen onder ons wederkeere en velen nog van het eeuwig verderf gered en toegedaan worden tot de Gemeente die zalig zal worden. Amen”.

* Hendrik de Cock, Verzamelde Geschriften. Voorzien van inleidingen en aantekeningen door prof. drs. D. Deddens, prof.dr. W. van ’t Spijker, ds. M. Drayer, drs. J.C.L. Starreveld, drs. H. van Veen, drs. M. te Velde met medewerking van ds. H. Bouma en H. Natzijl. Deel 1. Den Hertog B.V., Houten, 1984. Geb.,15 + 623 blz., f. 74,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.