+ Meer informatie

Naarde katechisatie

7 minuten leestijd

128

VAN DE GOEDE WERKEN.

Om nog even terug te komen op ons antwoord in het vorige nummer van ons blad betreffende die oude zuster, die veel strijd heeft of het wel het echte werk der genade bij haar is geweest, kregen we een tweede brief van haar als antwoord op een brief van ons aan haar. In deze tweede brief geeft zij nu een duidelijke uiteenzetting over die verandering in haar leven, toen zij 22 jaar was, alsook wat de Heere ook na die tijd aan haar ziel gedaan heeft.

Zij heeft kostelijke zaken mogen doorleven, dat de Heere Zich nader in de weg der diepere ontdekking aan haar ziel heeft geopenbaard. Maar zij draagt gelijk zovele bekommerden het licht op haar rug, zoals onze ouden wel een opmerkten. Wat zij en anderen nodig hebben is, dat de Heere Zijn werk komt te bevestigen, dat men moge komen tot de TOEEIGENENDE DAAD van het GELOOF.

Maar nu is er wel het gevaar bij dezulken, dat men te goeder trouw toch het werk des Heeren verdonkert door het toe te schrijven aan de algemene werkingen van Gods Geest. Zeker, we kunnen de bestrijdingen verstaan en het is beter duizend maal zich te onderzoeken, dan zich éénmaal te bedriegen voor de eeuwigheid. Maar men mag de Heere toch niet bedroeven, door Zijn werk weg te cijferen, wanneer de Heere toch duidelijk kwam te spreken en de kracht van Zijn Woord en Belofte deed ervaren!

Zijn er onder onze lezers of lezeressen ook zulken, die nog vóór de toeeigenende daad des geloofs staan, dan zouden we hen, alsook die oude zuster, willen toeroepen; zij de bede van de dichter van psalm 119 : 19 (ber.) maar veel de uwe:


„Bevestig toch aan Uwe knecht den zegen,
Waartoe Uw Woord hem b lijde hope gaf;
Hij is oprecht tot Uwe vrees genegen.”


Keren we nu tot onze lessen terug en bespreken we de les over de GOEDE WERKEN, als behorende tot de weldaad van de heiligmaking, want zij zijn toch de noodzakelijke vruchten van het zaligmakend geloof. De heiligmaking openbaart zich in dit leven door het doen van goede werken. Ja, zij kunnen zelfs middel zijn door de toepassende bediening van de Heilige Geest tot geloofszekerheid, zoals onze Heidelberger in Zondag 32 opmerkt: „Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij.” Ja, dan vinden we tegelijk ook weer een aansluiting bij hetgeen we hierboven schreven over die brief van die oude lezeres.

GOEDE WERKEN.

We ontmoetten eens in één van onze vorige gemeenten iemand, die wat huiverig stond tegenover deze benaming van „goede werken” als hebbende een roomse bijsmaak. Hoe goed bedoeld ook, was het toch onkunde ten deze. Want de Schrift en ook Christus Zelf spreken duidelijk over goede werken, maar dan als…… vruchten van het geloof bij Gods kinderen.

Wat Rome leert over de goede werken is valse leer, dwaalleer, namelijk, dat de goede werken VERDIENSTELIJKHEID bezitten. Waaruit verklaart Rome dit? Uit haar standpunt en leer over de genade. Rome is semi-Pelagiaansch.

Wat wil dat zeggen? Wel, voor Rome is de menselijke natuur niet geheel verdorven, doch verzwakt. Zo ook de wil. En wat is nu de Roomse zienswijze op de genade? Dat „genade” in feite helpende genade is, zodat de verzwakte wil door die genade een zekere stoot krijgt om het goede te kunnen doen. Genade is de ingestorte kracht, maar dan kan de zogenaamde gelovige van die kracht zelf gebruikmaken, dus zó goede werken doen. De genade maakt daartoe geschikt. Genade wat en de mens wat. Hierop komt het neer.

Rome spreekt ook van OVERTOLLIGE goede werken. Wat bedoelt zij hiermede?

Dit. Christus heeft de EEUWIGE straf alleen gedragen tot verzoening, maar de gelovigen moeten zelf boeten voor de TIJDELIJKE straffen door nl. goede werken te doen.

Komen zij hier in dit leven hiermede niet klaar, dan moeten zij dat boeten voortzetten in het VAGEVUUR.

Nu kunnen de gelovigen hier zoveel goede werken doen, dat zij er een aantal van overhouden.

Die worden dan bij Christus’ verdiensten gevoegd. Maar uit dat overschot van goede werken kunnen er nu ook op rekening gezet worden van hen, die in het vagevuur bezig zijn hun straffen uit te boeten. Dan kunnen zij dus door de goede werken van anderen eerder van hun straftijden afkomen. Ziehier de grote dwaasheid van Rome’s leer over de verdienstelijkheid, die de goede werken bezitten.

Maar die dwaasheid zien we niet alleen bij Rome. Ook bij alles, wat uit de oude Pelagiaanse wortel voortkomt. Bij het oude humanisme en remonstrantisme; de mens is „goed”, kan door zijn vrije wil nog het goede doen. Als men maar ieder het zijne geeft, goed leeft, zoveel mogelijk doet aan filantropie, dan kom je in de hemel. Dit standpunt en zulk een opvatting vinden we niet minder bij het hedendaagse christelijk - humanisme. Het is het bekende standpunt van de „MEDEMENSELIJKHEID”, zoals dat nu genoemd wordt. Maar wat blijkt daarbij? Dat men begint bij de tweede tafel van Gods wet; over het liefhebben van de naaste.

Doch men bekommert zich niet over de noodzakelijkheid van de eis van de eerste tafel van Gods Wet; God lief te hebben boven alles!

Dat Gods heilige Naam wordt onteerd. Zijn Dag wordt ontheiligt. Zijn gezag en Zijn ordinantiën worden vertrapt, blijkt van minder belang te zijn.

En om de kring wat nauwer te trekken: hoe is het in de kerken van vandaag? Enerzijds een al meer toenemende afval ten opzichte van het zoéven genoemde meegaan met de moderne levensbeschouwingen en met het nieuwe Evangelie”, waarbij de mens in het middelpunt komt te staan en dat het moet gaan om de betrachting van de „medemenselijkheid”. Goede werken als „prestatie” van de mens. Ja, dat de verzoening met God van de mens uit moet gaan.

En tenslotte: ligt niet in ons aller hart het beginsel van WERKHEILIGHEID? We hebben het werkverbond verbroken in ons verbondshoofd Adam, maar nu blijft het „werken” de mens in het bloed zitten, door de zaligheid te zoeken in zijn deugden, in zijn ijveren voor het Koninkrijk Gods, zoals eens bij Jehu; „Zie mijn ijver aan voor den Heere.” En wat kan een man zelfs niet prat gaan op z’n rechtzinnigheid, zonder de oprechte Godsvrucht te beleven. Zelfs bij hen, die de Heere in oprechtheid leerden vrezen, is er vaak nog zoveel heimelijk pogen door de werken der wet vrede te krijgen en de grond der zaligheid te zoeken in zijn gestalten en tranen. We moeten daarbij even opmerken, dat zaligworden echter niet zónder tranen en gestalten zal gaan. Maar ze zijn geen grond, doch vruchten.

De goede werken van Gods kinderen kunnen nooit verdienste van de mens zijn voor God, want ze zijn altijd onvolkomen.

Zullen de goede werken voor God kunnen gelden als een Hem welbehagelijke gerechtigheid, dan moeten zij VOLKOMEN zijn en in alle delen der WET gelijkvormig zijn. En wie zal dit door zijn werken kunnen bereiken? Onze Heidelberger zegt ’t zo duidelijk, dat de allerheiligsten slechts nog maar een „klein beginsel” hebben van deze gehoorzaamheid des geloofs.

Daarom is ontdekkend licht van Gods Geest zo noodzakelijk om te sterven aan alle eigen werk en te leren een nul voor God te worden. Zo komt er plaats voor de volkomen Borggerechtigheid van Christus, voor Zijn volmaakte verdienste, bij de aanvang en steeds verdiept bij de voortgang van het genadeleven. Hebt ù hiervan iets geleerd, lezer(es)? O, smeek erom.

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.