+ Meer informatie

KWAMEN WE OOK IETS VERDER?

7 minuten leestijd

Als ook de voorzitter van de landelijke ambtsdragersconferentie van zaterdag 5 oktober nog even op dat gebeuren terugkijkt, dan is dat niet omdat hij er zo nodig ook nog iets over wil zeggen en zeker niet om er het laatste woord over te willen spreken. De wens ertoe houdt verband met misnoegdheid over de wijze waarop het resultaat en de indrukken van de conferentie door de pers naar buiten zijn gebracht. Niet dat de krantenversla-gen directe onwaarheden bevatten. Dat niet, maar méér vanwege de dingen die er niet in stonden en die per saldo wel bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of deze conferentie zin heeft gehad, of het ”rendement” alle tijd en energie die aan de voorbereiding zijn besteed, rechtvaardigt. Wie afging op wat de dagbladen meldden, zal die vraag bij zichzelf ontkennend hebben beantwoord. Dat kan ook bijna niet anders. Hoewel er verschil was in toonzetting en keuze van treffende momenten en uitspraken, gold van alle verslagen dat vrijwel alleen dat aandacht kreeg waaruit kon worden afgeleid, dat het binnen onze kerken nog lang geen pais en vree is, dat de standpunten rond allerlei kerkelijke vraagstukken en geestelijke noties nog steeds ver uit elkaar liggen en dat het eigenlijk volstrekt illusoir is dat daarin ooit nog eens verandering zal komen. In één van de verslagen viel zelfs te lezen dat de inleider op de conferentie in onze kerken de dreiging van een schisma ziet hangen…..Goede momenten bleven ongenoemd; de ontspannen sfeer waarin de conferentie zich voltrok, en de dingen waarin men zich verbonden voelde, werden niet gememoreerd en treffende getuigenissen van een enkeling bleken voor de berichtgeving niet relevant te zijn. Veel meer dan de vermelding van kille feiten en daaraan verbonden conclusies mag men in verslagen van dagbladen misschien ook niet verwachten. Het andere is misschien ook maar moeilijk aan te duiden. Wat hier van zij, ik hecht eraan aan het slot van dit conferentienummer op enkele dingen te wijzen die moedgevend waren, bij alle nuchterheid die in de situatie van dit moment geboden is.

De wil om met elkaar in gesprek te blijven

Om te beginnen is van die wil duidelijk blijk gegeven. Vanuit de verschillende geestelijke stromingen die onze kerken kennen, is duidelijk instemming betuigd met het initiatief om deze conferentie te houden en het heeft geen moeite gekost broeders van onderscheiden signatuur te vinden die hun medewerking wilden geven. Bij de voorbereidende gesprekken heb ik duidelijk gevoeld dat velen iets voelen van de roeping elkaar niet los te laten en met elkaar in gesprek te blijven. De verschillende geestelijke werelden waarin binnen onze kerken wordt geleefd, zijn gelukkig nog niet zo gesloten dat zelfs een uitnodiging om elkaar voor een gesprek te ontmoeten als onbestelbaar terugkomt. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat die roeping lang niet overal even sterk wordt gevoeld. Was dit wel het geval dan zou de toeloop naar Amersfoort op 5 oktober jl. nog veel groter zijn geweest dan ze al was. Maar uit reacties heb ik begrepen dat er ook op afstand is meegeleefd en meegedacht.

De inleiding van prof.dr. W. van ’t Spijker was praktisch en doelgericht. Wat de geestelijke verschillen en tegenstellingen onder ons betreft, werden niet alleen oorzaken aangeduid maar ook therapieën tot verandering en verbetering aangereikt. De landelijke pers pikte vooral het eerste en weinig of niets van het tweede op. Bij de vraagstelling werden heel wezenlijke vragen aan de orde gesteld, die in sommige gevallen naar verschillende kanten extra werden aangescherpt. Niets van wat scheiding maakt werd verzwegen. De ontspannen sfeer maakte dat mogelijk. Er was openheid en ruimte om de dingen eerlijk onder ogen te zien. Harde woorden zijn niet gevallen. De dingen waren bespreekbaar. Waarbij het-ik herhaal dat-om essentiële dingen ging. In tegenstelling tot vroegere conferenties werden geen zaken van tweede orde, zoals vragen over liturgische vormgeving e.d., aan de orde gesteld. Dat stadium lijken we een beetje voorbij te zijn. Ik leid dat mede af uit het feit dat enkele broeders, die ik op de conferentie binnen mijn waarneming had en van wie geweten wordt dat zij een uitgesproken voorkeur voor de oude berijming hebben, van harte de nieuw berijmde psalmen meezongen. Dat heeft, naar ik meen, niets te maken met bereidheid tot het prijsgeven van beginselen of opvattingen die men zelf voor waardevol houdt en die men als geestelijk eigendom tot elke prijs bewaard wil zien. Er lijkt iets door te dringen van het besef dat het binnen onze kerken om dieperliggende vragen gaat. En dat besef is er, naar ik meen, naar méér dan één kant.

Uit gesprekken met deze en gene heb ik de indruk overgehouden dat hier en daar in het-vergeef mij deze aanduiding-meer modern ingestelde deel van onze kerken de overtuiging groeit dat in het meer behoudende deel geestelijke noties werden voorgestaan en hoog gehouden, die prediking en pastoraat op bijzondere wijze diepte en glans (kunnen) geven en die daarom niet veronachtzaamd mogen worden. Omgekeerd constateer ik bij sommige broeders van meer behoudende signatuur een opstelling waarin voelbaar is dat men de ander, aan wiens denken over en beleving van de geestelijke dingen men zich niet direct verwant voelt, in dat anders zijn toch wil respecteren en niet al te snel wil etiketteren. Incidentele botsingen binnen de kerken laten dit positieve verschijnsel onverlet. In verschillende opmerkingen en reacties tijdens de conferentie was van dit verschijnsel ook iets voelbaar. Na afloop lieten verscheidene conferentiegangers blijken dat het hebben willen spreken met elkaar, de pogingen om in geestelijke zaken en in de erkenning van de fundamentele geloofswaarheden verstaanbaar voor elkaar te zijn, hen met een zekere voldoening en bevrediging naar huis deed gaan. Wie het effect van zo’n bijeenkomst werkelijk wil weten, zou-behalve de mate van de zegen die de HEERE GOD eraan wil verbinden-moeten kunnen meten wat de broeders conferentiegangers ervan in hun eigen kerkelijke opgeving uitdragen. Er zijn indrukken meegenomen en in meer of mindere mate zullen deze niet nalaten de manier waarop ambtsdragers in de gemeente bezig mogen zijn, te beïnvloeden.

Persoonlijk heb ik het ook als bemoedigend ervaren dat de redactie van Bewaar het Pand besloot aan de conferentie in een tweetal artikelen aandacht te geven. Dat doet men niet als de zin van zo’n ontmoeting niet wordt ingezien.

Verwachting

Niemand zal op 5 oktober naar Amersfoort zijn gegaan met de gedachte dat daar alle geestelijke klokken gelijk zouden worden gezet. Wie zijn wij dat we dat zouden kunnen, afgezien nog van de vraag of dat ook werkelijk de bedoeling zou mogen zijn.

De bedoeling kon en mocht niet méér zijn dan elkaar toetsen op de vraag of wij in prediking, pastoraat en in de totale manier van gemeente van de Here Jezus zijn, beantwoorden aan Schrift en belijdenis, of we daarin in-eerlijk naar elkaar luisterend en met voorbijzien van bijkomstige dingen-voor elkaar herkenbaar zijn.

Iets van die toetsing was er ook in Amersfoort. Over en weer werden dingen aangewezen waarvan gold dat er meer of minder van zou moeten en mogen zijn, en er werd naar elkaar geluisterd op een manier die de hoop wettigt dat wat uitgesproken werd, nader zal worden uitgewerkt en doordacht. Hoewel misschien niet als direct uitvloeisel van de conferentie, heb ik mij verheugd over het besluit van de classis ’s-Gravenhage om in classicaal verband als ambtsdragers ook nog eens over deze dingen te spreken. Dat zou op meer plaatsen moeten gebeuren. Ik ben nog zo naïef-en ik wil dat ook zijn -om te geloven dat God dat zal willen zegenen. Zonder opheffing van ieders geestelijke eigenheid weer voor elkaar herkenbaar worden in het ene ware geloof, daar gaat het om. Onbereikbaar is dat ideaal niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.