+ Meer informatie

Een huisdier... maar zorg je er ook voor?

10 minuten leestijd

Ziezo, het hok van ons konijn is weer schoon. Het beestje wacht eigenlijk al dagen op nieuw hooi, een bakje met voer en schoon water. Het is echter mijn werk niet om daarvoor de handen uit de mouwen te steken, maar vandaag kan ik het niet langer meer aanzien. Want wie moet eigenlijk dat hok schoonmaken? Wie heeft de zorg over Brammetje? Wat hadden we ook alweer afgesproken?

Het is ongeveer twee jaar geleden, dat de buurjongen enthousiast naar Jan toekwam. Hij droeg een allerliefst zwart konijntje in zijn handen en zei: „Jan, kijk eens! Dit beestje heb ik in het park gevonden. Jij mag het hebben!" Eer we het beseffen, zit Brammetje in een kistje met hooi en doet daarmee zijn intrede in ons gezin.

Maar dan komen ook de bedenkingen. „Jan, jij bent 15 jaar en het is jouw konijn! Dat betekent dat jij oud genoeg bent om er goed voor te zorgen. Op tijd water en eten geven, regelmatig het hok schoonmaken. Een beest hebben vraagt tijd en aandacht. Zou je toch maar niet liever 't konijn weer teruggeven... .'

O nee, Jan belooft dit te doen, dat na te laten, hieraan te denken en daarvoor te zorgen. Het beestje krijgt -zeker in het begin- aandacht genoeg. Jan zorgt er heel goed voor en ook de anderen geven zo nu en dan iets extra's voor het konijn. Zelfs opa zoekt in het paadje naar "melkdistels" voor Brammetje!

Maar soms gaat het mis. Dan heeft de verzorger het druk met zijn huiswerk, met z'n hobby's en met duizend andere dingen. En dan zit het konijn in een vies hok; het water raakt op en het voerbakje is leeg... Gelukkig komt zo'n situatie niet veel voor. Want afspraak is afspraak en alleen bij uitzondering wordt daarvan afgeweken.

Relatie kind - dier
Een kind toont al op heel jonge leeftijd belangstelling voor dieren. De poes, de hond in de kamer, de vogeltjes buiten in de tuin, een enkele keer een paard op straat - ze boeien het kind. Vooral als dieren in actie zijn, etend, drinkend, vechtend of spelend kan het kleintje er "met alle verstand" naar kijken.

Sommige kinderen zullen onbevangen op paard, hond of poes afstappen, maar er zijn ook kinderen die dieren alleen leuk vinden op een afstandje. Sommige honde- of katte-eigenaars proberen het kind dan ertoe over te halen om Bello of Minetje toch te aaien. „Hij doet echt niets, hoor. 't Is zo'n lief beest...!"

Maar ik ben van mening dat het niet verstandig is een kind te dwingen een dier te aaien. Veel beter lijkt het me of af te wachten of het kind zelf -na een poosje toekijken- naar hond of poes toegaat. Dat is niet alleen zo als we bij iemand op bezoek gaan die een huisdier heeft, maar dat geldt ook bij het bezoeken van de kinderboerderij.

Het is heel leuk om de geitjes brood te geven, maar niet als je er bang van bent! Soms blijft de angst heel lang aanhouden en wat eraan ten grondslag ligt, is lang niet altijd duidelijk. Misschien is het kind vroeger geschrokken van de onverwachte bewegingen van een dier, misschien heeft moeder niet erg veel op met bij voorbeeld honden en deelt ze die gevoelens onbewust mee aan haar zoontje of dochtertje.

Plagerij
Veel mensen voelen zich vertederd als ze een jong dier zien; ze hebben behoefte het diertje aan te raken en te aaien en zouden het zo wel mee willen nemen... Zo'n klein poesje, zo'n schattig hondje, dat kleine konijntje! Ook naar de eendekuikentjes in de sloot blijft menigeen even kijken. En als er in de kinderboerderij jonge dieren zijn is het drukker met bezoekers dan normaal.

Natuurlijk voelen ook kinderen zich vaak sterk aangetrokken tot jonge dieren. Ze zijn klein, gemakkelijk op te pakken, nog niet zo sterk en handig als de volwassen dieren en het kind kan dat kleine hondje of poesje best de baas. Het is natuurlijk fijn dat zoontje of dochtertje in de omgang met jonge dieren de angst een beetje kwijtraakt.

Toch moeten we hier oppassen en ervoor zorgen dat de overwonnen angst (en daarbij onwetendheid) niet uitmondt in plagerij of zelfs in wreedheid! Dat betekent, dat we ze -in het belang van kind en van het dier- zeker in het begin niet samen alleen moeten laten. En dat geldt ook voor kinderen die nooit bang waren. Ook zij kunnen door het gevoel de dieren de baas te kunnen, door machtswellust ze kwellen en daar genoegen in scheppen.

Als de kinderen groter worden, kunnen ze steeds meer betrokken worden in de verzorging van de dieren. Daarbij dragen ze natuurlijk nog niet de gehele verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd waarderen ze ook steeds meer de vriendschap van het dier! Dat kan zelfs zo sterk zijn, dat vooral aan poes en hond alle geheimen worden toevertrouwd...

Soms is het huisdier zelfs een uitlaatklep voor gevoelens en emoties. Kinderen van een jaar of tien, twaalf spreken ermee en hebben dan het gevoel, dat ze bij Moortje de poes meer begrip vinden dan bij vader of moeder!

De aanschaf
Er wordt heel wat afgepraat eer een huisdier zijn intrede doet in ons gezin. Vaak is het het verlanglijstje van zoon of dochter dat stof tot nadenken geeft. Of het is een vraag die al veel langer speelt. „Mama, ik wil zo graag een hond. Mag het?"

Het is verstandig om op een rijtje te zetten en zorgvuldig af te wegen, wat het inhoudt om een dier in huis te nemen. Een dier vraagt tijd en aandacht; het kost geld; er moet plaats voor zijn; het mag niet schadelijk zijn voor de gezondheid (bijv. allergie, astma) en hoe zit het met de verzorging? Meestal ziet een kind alleen de leuke kanten van het bezit van een huisdier. Het ziet zich al lopen met zo'n grote herdershond of spelen met een klein poesje.

Maar moeder weet dat er meer komt kijken. Een jong dier moet nog leren zindelijk te zijn; het zal dingen kapotbijten, z'n nagels scherpen aan de nieuwe bank, en dan al die haren overal... Soms wordt inderdaad besloten tot de aankoop van het begeerde dier, maar ook kunnen de bezwaren zo groot zijn dat het er niet van komt.

Dat is natuurlijk wel jammer voor het kind, maar gelukkig zijn in heel veel plaatsen kinderboerderijen. Daar kan zo'n kind toch met dieren omgaan, ze verzorgen, ermee spelen, vertroetelen, of wat dan ook. Als kinderen veel met dieren omgaan, Ieren ze daar ook zeker van. Ze maken het wonder van de voortplanting mee, zien de strijd om het bestaan, ze krijgen zorgen als het dier ziek wordt en hebben veel verdriet als hun makkertje doodgaat.

Verzorging
Na lang wikken en wegen is dan toch besloten om een dier te nemen. Bij de een is dat de cavia, bij de ander een hamster. Wij hebben een konijn, maar je kunt ook vogels of vissen of witte muizen, of een hond of een kat aanschaffen. Er zijn nogal wat mogelijkheden!

Uiteindelijk is de keuze gemaakt en alles wordt in gereedheid gebracht om het dier zo goed mogelijk te verzorgen. Meestal gaat het de eerste tijd prima, maar na een poosje wordt het enthousiasme nogal eens minder. En uiteindelijk zijn het de vaders en de moeders die de dagelijkse, door-de-weekse zorg op zich nemen voor het aangeschafte dier. Het kind was nog te jong om de verantwoordelijkheid voor de verzorging te kunnen dragen.

Soms gaat het zover dat het kind weken lang niet naar de eertijds zo geliefde hond omkijkt en de verzorging waartoe het aangespoord wordt al zuchtend ter hand neemt. Je zou zonder veel bezwaren zo'n huisdier weer op kunnen ruimen, maar... dat kan wel schadelijk zijn. Misschien voor het dier, maar zeker voor de kinderen. Die moeten toch niet die ervaring krijgen, dat ze zomaar een levend wezen aan de kant kunnen zetten, omdat ze „er geen zin meer in hebben!"

Dat doet me denken aan die foto van een aan een boom vastgebonden hond. Achtergelaten door zijn baasje, weggedaan, omdat het zo lastig is in de vakantie...

Eerbied
Nee, als ons kind uit zichzelf geen belangstelling meer toont voor zijn huisdier, dan zullen wij als ouders daar toch iets aan moeten doen. Het is de moeite waard om te proberen het kind zorgzaamheid, betrouwbaarheid en standvastigheid bij te brengen! Bovendien spreekt uit het al te gemakkelijk "opruimen" van dieren niet bepaald de eerbied voor het leven. Dieren zijn ook schepselen Gods, dat weten de kinderen wel.

Maar weten ze ook, dat dat verplichting meebrengt? In Spreuken 12 vers 10 staat: „De rechtvaardige kent het leven van zijn beest". Dat betekent, „dat de beesten die onder onze zorg zijn van het nodige moeten worden voorzien. Zij moeten geschikt voedsel en rust hebben, en nooit worden mishandeld of getiranniseerd.

Bileam werd bestraft, omdat hij zijn ezelin sloeg" (uit: Matthew Henry). Dat houden we onze kinderen dan ook voor, en... we geven zelf het goede voorbeeld!


Paul wil een hond

„Mama, ik wil zo graag een hond. Mag het?" Voor de zoveelste keer vraagt Paul het. Moeder zucht. „Ik houd niet van honden, Paul." „Maar ik wel", houdt Paul aan. „En wie zorgt er dan voor de hond?" „Ik natuurlijk", antwoordt Paul. „Jij? Weet je wat dat betekent? Hem elke dag eten geven. En een bak vers water. Een paar keer per dag met hem wandelen. Met hem spelen. Hem borstelen." Paul knikt. „Ja mama. Enne... mag het nu?" „Vraag het vanavond maar aan papa." (...) Paul lacht blij. Hij danst door de kamer. „Ik krijg een hond. Hiep hoi!"

Later: „Paul, ga je met Kastor uit? Dat beest is zo onrustig!" zegt moeden „Nu nog niet hoor. Vanavond wel. Ik ga voetballen met Joost." „Paul!" waarschuwt moeder. Mopperend pakt Paul de riem. „Kom mee" snauwt hij. Kastor springt tegen hem op. Fijn, hij mag mee. „Rustig", schreeuwt Paul. „Zo krijg ik de riem niet vast." Binnen vijf minuten is hij terug....

(Uit: "Joekeltje" door L. Ippel-Breedveld)


Annekes hond kreeg les

Anneke heeft op zesjarige leeftijd een hondje gekregen. Ze deelt met dat beestje alle lief en leed. Zelf vertelt ze: „Als ik een voldoende wilde halen op de middelbare school, nam ik haar apart en dan prikte ik haar alles over de Punische Oorlogen aan haar verstand, in de hoop dat ik ze de volgende morgen dan zelf nog uit elkaar zou kunnen houden.

Ze viel er niet bij in slaap, maar bleef met wakkere oogjes, vanwege de verve waarmee ik het haar vertelde, al die waanzin aanhoren. En ze stelde me niet de lastige vragen die mijn vader mij stelde als hij me moest overhoren! Omdat ik het Trix zo indringend vertelde, moest ik het zelf zo interessant vinden, dat ik het de volgende morgen nog redelijk op een repetitievel kon neerkladden. Dan hadden we samen een zeven en kocht ik op weg naar huis een bot voor haar!"


Als een dier sterft

„Ons liefste jonge poesje kreeg katteziekte. Toen we uit school kwamen lag Pluusje dood in de schuur. Mijn moeder had haar daar neergelegd op een krant, zodat we haar nog konden zien en zelf begraven. Eerst verdween heel lang mijn vier jaar jongere broer in de schuur en hij kwam stil binnen. Toen ik. Heel lang zat ik op mijn hurken en staarde naar het diertje. Toen we haar begroeven zei mijn moeder: „Als je lang kijkt is het net of ze beweegt", en ik knikte, want hoe kun je nu praten als je Pluusje begraaft?"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.