+ Meer informatie

VOOR EEN AMBT IN DE KERK STAAT MEN NIET MEER IN DE RIJ

29 minuten leestijd

1. Inleiding

Vanuit een van de classicale ressorten (dat van Amsterdam) kwam enkele maanden geleden een brief op de tafel van het comité voor de voorbereiding van landelijke ambtsdragersconferenties. Daarin werd min of meer de noodklok geluid inzake het vervullen van de jaarlijkse vacatures in de kerkenraden. Slechts met de grootste moeite slaagt men erin om de benodigde kandidaten te vinden. Dit probleem is bepaald niet geïsoleerd in de regio Amsterdam aanwezig. Het strekt zich over de volle breedte van de kerk uit. Vandaar de vraag van de classis Amsterdam om zich daar eens bezinnend mee bezig te houden. Daarbij werd nóg een zaak aangesneden: de wijze waarop de kerkenraden hun werkzaamheden verrichten in het licht van de toegenomen werkdruk. In dit referaat wordt een poging gewaagd om de zaak helder voor ogen te krijgen.

2. Situatieschets

2.1. Zorg om vacatures

Wat is er aan de hand rond de vervulling van de vacatures binnen de kerkenraad? De indruk is gewettigd dat er inderdaad een toenemende moeite is om te komen tot een compleet college. Er zijn nog wel kerkenraden die daar zonder veel moeite in slagen, maar meer en meer komt het voor dat er verschillende vergaderavonden verstrijken voordat de kerkenraad met de namen naar buiten komt. Vaak ook niet meer met een dubbeltal. En meer en meer komen er ontheffingsaanvragen. Om die te voorkomen, gaan kerkenraden er vaak toe over om voorzichtig, zo objectief mogelijk, van te voren te polsen. Maar de indruk bestaat dat dit hier en daar toch leidt tot vrijblijvendheid bij degene die gepolst wordt, hetgeen het probleem niet verkleint, maar eerder vergroot.

Is dit probleem beperkt tot een bepaald gedeelte van de kerken? Ik zou dat nog niet met zoveel zekerheid durven beweren. Er zijn zeker gemeenten waar men van deze moeiten niet hoort. Maar daarbij zijn er dan ook die het verplichte aftreden niet kennen. Of er is wel een aftreden, maar de betrokkene is meteen herkiesbaar. In deze situaties is het probleem weliswaar niet openlijk waarneembaar, maar daarmee is het nog niet afwezig. Het is dan per definitie al een noodsituatie; onze kerkorde stelt immers (art. 27): ‘De ouderlingen en diakenen dienen, afhankelijk van de plaatselijke regeling, drie of meer jaren. Elk jaar treedt een evenredig deel af. De aftredenden zijn niet terstond herkiesbaar. Alleen wanneer de toestand en het belang van een kerk (…) een herkiezing raadzaam maken, kan van deze regel worden afgeweken.’

2.2. Structuur van de kerkenraad

Naast deze problematiek, maar volgens mij zeker niet los daarvan, is een aantal kerkenraden bezig met de vraag: moeten wij blijven doen wat wij tot op heden doen? Kan ons werk op een andere wijze worden gedaan, en vooral: kan het efficiënter worden gedaan?

Deze vragen zijn enerzijds het gevolg van een toenemende druk op de agenda van de kerkenraden. Er wordt veel vergadertijd besteed aan allerlei onderwerpen. Dat zou op zich niet erg zijn, maar de vraag rijst: is het allemaal wel zo nuttig? Is het (geestelijk) gewicht van alle agendaonderwerpen wel zó groot dat dit zoveel vergadertijd rechtvaardigt? Niet alleen kerkenraden ervaren deze problemen aan den lijve, ook hun gemeente ruikt het: ‘De kerkenraad vergadert maar, en dat tot in de late - of vroege - uurtjes… Is dat allemaal tot opbouw?’ En dat leidt dan weer tot grote aarzelingen wanneer de vraag om als kandidaat voor de kerkenraad beschikbaar te zijn, gesteld wordt…

Vandaar dat een aantal kerkenraden de steven wendt, en - al of niet met behulp van organisatiedeskundigen - komt tot een bijstelling van de structuur, of van het werk dat ter hand wordt genomen. Een spannende vraag is daarbij natuurlijk dan wel of dit strookt met de principieel-gereformeerde uitgangspunten die bij het kerkenraadswerk horen. En juist daarop zal vanmorgen een antwoord moeten komen.

3. Doordenking van de nood rond de vacatures

We willen nu allereerst komen tot een verdere doordenking van de toenemende problematiek rond de vervulling van de jaarlijkse vacatures. Wat ligt daaraan ten grondslag en wat is er aan te doen? Voordat getracht kan worden gedachten te formuleren om de nood te verminderen, zullen we toch eerst een beeld moeten krijgen van de oorzaak van het probleem.

3.1. Een geestelijk probleem?

Is het een geestelijk probleem? Is het geestelijk gehalte van de gemeente zo laag geworden dat men, wanneer de roeping (!!) om ambtsdrager te worden klinkt, vrij gemakkelijk daarvoor bedankt, als ware het een willekeurig vrije-tijds-baantje? In dat geval is de situatie heel zorgelijk. Het ambt van ouderling of diaken is nu eenmaal principieel van andere aard en van groter gewicht dan dat van het penningmeesterschap van de eerste de beste buurtvereniging. Er klinkt een roep van Godswege in door. Wanneer dat niet meer herkend wordt, of wanneer dat ontkend wordt - nog erger -, dan is het de hoogste tijd de noodklok te luiden. Te vrezen is dat in dat geval ook geen oplossingen zijn te bedenken die op korte termijn zullen werken. Er zal hard gewerkt moeten worden om dat probleem tot in de wortel aan te pakken. De instrumenten daarbij zijn vanouds: de prediking, de catechese, de huisbezoeken. Er zal indringend gebeden moeten worden om een keer ten goede in de gemeente. Want wat is dat voor gemeenschap der heiligen, waar niet meer op dit gebied - toch de kern van het gemeente-zijn - ‘ieder zich geroepen weet om zijn gaven tot nut en heil van de andere leden bereidwillig en met vreugde te gebruiken’(HC antw. 55)? In 1 Tim. 3:1 wordt gesproken over de ‘voortreffelijke taak’ die iemand begeert als hij staat naar het opzienersambt. Dat wordt een betrouwbaar woord genoemd! Dat zal ook weer moeten gaan blinken, opdat hier een keer ten goede komt.

3.2. Een praktisch probleem?

Naar ik wil aannemen is er in de meeste gemeenten eerder sprake van een praktisch probleem. Op zich is men best bereid om tijd en energie te steken in het kerkenraadswerk, en men is zich ook bewust van de persoonlijke geestelijke verantwoordelijkheid daarin, maar door allerlei omstandigheden ontbreekt het aan de praktische mogelijkheden daartoe.

Men doet er goed aan hier niet te gering over te denken. Het is onmiskenbaar dat de wijze waarop de leden van de gemeente hun dagelijks brood verdienen in een aantal decennia drastisch gewijzigd is. Vroeger bleef men (tientallen) jaren achtereen in eenzelfde werkomgeving. De omstandigheden waaronder men het werk deed en de inhoud ervan bleven overzichtelijk. Dat is sterk veranderd. Er is sprake van een ‘levenslang-leren-traject’. Werknemers, in welke laag van de organisatie ze ook zitten, krijgen te maken met diepgaande veranderingen in de inhoud van hun werk. De globalisering van de maatschappij werkt door in vele opzichten. Allerlei fusietrajecten hebben effect op de stoelen waarop de onderscheiden medewerkers zitten. Dit alles eist z’n tol. Het is een bekend feit dat de hoogte van het getal van degenen die korter of langer door overspannenheid of burn-out zijn uitgeschakeld, hier rechtstreeks op terug te voeren is. Dat vrije tijd daardoor een kostbaar artikel is geworden, en dat men - ook in de gemeente van Christus - die tijd wil bewaken, is nog een van de minst ernstige consequenties die uit dit alles voortvloeien. Maar kerkenraden krijgen dat dus wel per consequentie op hun bordje!

Daarnaast noem ik het feit van de verantwoordelijkheid die ieder heeft in het persoonlijk leven, naast dat van de betaalde arbeid. Op veel (de meeste?) adressen van de gemeente wonen gezinnen. Opgroeiende gezinnen vaak. Er wonen ouders die ooit een doopbelofte gaven in het midden van de gemeente. En is het vreemd wanneer deze ouders die verantwoordelijkheid zo serieus nemen dat zij dat op enig moment laten prevaleren boven een kerkenraadsverantwoordelijkheid? Wanneer het zoeken naar ambtsdragers bemoeilijkt wordt door deze factor, meer dan vroeger het geval is, zou dat nog wel eens een goed teken kunnen zijn. Te vaak hoort men verhalen van kinderen van ambtsdragers (inclusief predikanten) die een te groot offer moesten brengen voor het ambt van hun vader. De slinger moet dan eerst eens doorslaan naar de andere kant, om vervolgens weer een (wankel?) evenwicht te bereiken.

4. Aanpak van het probleem

De vraag moet onder ogen worden gezien, wat een kerkenraad, met deze problemen geconfronteerd, aan moet. Op welke wijze moet men trachten het kerken raadswerk zo goed als mogelijk is doorgang te laten vinden?

4.1. Enkelvoudige kandidaatsstelling

De eerste signalen van daarin optredende nood komt de gemeente meestal ter ore wanneer de kerkenraad besluit om geen dubbeltallen te stellen, maar komt met enkelvoudige voordrachten, of weliswaar met meertallen, maar kleiner dan dubbeltallen (9 namen voor 6 vacatures bijvoorbeeld). In de nieuwe redactie van onze kerkorde is daarvoor uitdrukkelijk ruimte gemaakt, en dat heeft natuurlijk zijn reden: ‘In voorkomende gevallen kan volstaan worden met een aantal, kleiner dan dit dubbele getal’ (art. 22 KO). Niet overal gaat dit zonder slag of stoot. Kerkenraden gaan er niet licht toe over, en de gemeente ontvangt het soms heel kritisch.

Is het zo erg? Allereerst komen we in de Schrift herhaaldelijk deze ‘enkelvoudige kandidaatsstellingen’ tegen; de profeten werden zonder uitzondering op deze wijze door de HERE zelf aangewezen. De discipelen werden eveneens zo door de Here Jezus achter Hem gesteld. Tenslotte kiest de gemeente in Hand. 6:1-6 zeven mannen die vol van Geest en wijsheid zijn voor diaconale dienst - enkelvoudig.

Een aantal jaren geleden is in Ambtelijk Contact (1990, blz. 456, artikel van br. D. Koole) gesteld dat hier toch sprake is van een verlegenheidsoplossing. Zij ‘mag een legale methode zijn, ideaal is zij niet’. Daarbij is als argument genoemd dat met deze methode de gemeente feitelijk niet zelf oordelen mag of iemand die genadegaven heeft die voor het ambt noodzakelijk zijn. Zelf kijk ik daar iets zonniger tegenaan. Allereerst vanwege de Schriftgegevens (zie boven), vervolgens ook omdat de gemeente al op ruime wijze de gelegenheid heeft gehad om de kerkenraad opmerkzaam te maken op broeders waarbij men deze specifieke genadegave opmerkt. Daar begint immers de procedure rond de jaarlijkse verkiezingen mee? En dat verwerkt de kerkenraad toch geestelijk-inhoudelijk in zijn beraad? Vervolgens gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat er rond de verkiezingen met dubbele getallen soms ook een werelds element sluipt; men hoort dan zeggen: ‘De gemeente moet iets te kiezen hebben…’ alsof het dáárom zou gaan! Het gaat er om dat de hand van de Here in de verkiezing zichtbaar wordt. In de tijd van het Oude en Nieuwe Testament werd dan wel het lot geworpen. Ook daar waar sprake was van een dubbel getal (Hand. 1:26). En dan… is het niet zo dat in vele gemeenten, ook daar waar sprake is van verkiezingen uit dubbele getallen, deze praktijk niet gevolgd wordt wanneer het gaat om de verkiezing in een predikantsvacature?

Kortom: wanneer op deze wijze in de nood kan worden voorzien, en wanneer de kerkenraad dan verzekerd is van ‘mannen van goede getuigenis’, dan hoeft men daar wat mij betreft niet bij te aarzelen. Dat laatste wil ik overigens op deze dag wél onderstrepen: dat het ons moet blijven gaan om een bezetting van de kerkenraad met mannen die daartoe gaven van de Here hebben ontvangen en die zo door de Geest zijn toegerust. Het gevaar is levensgroot dat met het toenemen van de moeiten op dit gebied de normen naar beneden worden bijgesteld. Laten we daarvoor waken!

4.2. Veranderingen in de structuur van de kerkenraad

Toch kan met deze maatregel, die vaak als eerste hobbel genomen wordt, het probleem lang niet altijd afdoende bestreden worden. Door de nood gedreven (maar dat is niet iets om zich voor te schamen, zo gaat het in de maatschappij ook) gaat de kerkenraad kritisch naar zichzelf kijken. Vooral wanneer men bij ontheffingsaanvragen of bij blokkades vooraf hoort dat het de beoogde kandidaat aan tijd ontbreekt om het ambt op verantwoorde wijze (dat is met opgeheven hoofd voor Gods aangezicht) te vervullen. Men komt dan tot de ontdekking dat de agenda van de kerkenraad in verloop van een aantal decennia sterk gewijzigd is. Meer en meer vragen brieven of nota’s van buiten de aandacht. Dat komt soms van buiten de directe kring van de kerken, maar soms ook van binnenuit. Zo hebben de kerkenraden in de afgelopen tijd te maken gekregen van een verzoek van deputaten ADMA om nog weer eens intern na te denken over de plaats van de diakenen op de meerdere vergaderingen. Belangrijke besluiten van de synode over het huwelijk, over de contacten met andere kerken van gereformeerd belijden… men kan er niet zomaar in vijf minuten aan voorbij gaan. Maar tegelijk zucht men soms onder de vracht waaronder men bedolven wordt. Waar blijft het gesprek in de kerkenraad over de geestelijke welstand van de gemeente? Zo hoort men dan verzuchten…

En als het daarover gaat: het pastoraat is in veel gemeenten in intensiteit toegenomen. Predikanten merken dat hun pastorale agenda in de loop van de jaren sterk gewijzigd is, en dat er een toenemende plaats nodig is voor ingewikkelde situaties waarbij intensieve pastorale zorg nodig is, maar andere kerkenraadsleden merken dat natuurlijk ook, eerst op afstand, vervolgens dichterbij. En op een gegeven moment denkt men: je bént er niet meer met het ‘gewone’ jaarlijkse huisbezoek. Er is meer nodig. Maar is de tijdsinvestering die daarvoor nodig is, beschikbaar? Onze tijd vraagt om intensief pastoraat. Zeker bij bepaalde gemeenteleden. Het is de kunst dat te onderkennen (men mag het in bijbelse zin wel wijsheid noemen), het is ook de kunst dat in de pastorale agenda in te passen.

Is het wonder dat de vraag klinkt of er niet wat minder vergaderd kan worden? Is het vreemd dat ambtsdragers zich gaan afvragen of het bij bepaalde onderwerpen wel noodzakelijk is dat die door alle kerkenraadsleden worden bijgewoond en of besluiten door allen genomen moeten worden, of dat het misschien ook anders en efficiënter kan? Soms hoort men daartegenover zeggen: ‘De kerk is geen bedrijf’. Dat is waar. Maar die waarheid mag niet gebruikt worden om vervolgens onmatig slordig met de tijd van onze broeders om te springen, of om kerkelijke vergaderingen onnodig lang te laten duren. In bepaalde opzichten kunnen wij iets van het bedrijfsleven of van de onderwijswereld leren.

Zodoende komen kerkenraden tot een bezinning. En die bezinning leidt dan weer tot maatregelen. Zoals overal wordt dan ook hier niet zelden eerst de ‘kaasschaaf-methode’ gehanteerd. We verkleinen noodgedwongen het aantal kerkenraadsleden, we maken de wijken wat groter, we zeggen tegen de gemeente dat het niet meer altijd zal lukken om elk jaar de wijk rond te komen, maar dat men ook wel genoegen zal moeten nemen met één keer per twee jaar… we houden eens een vacature in stand, om de gemeente het probleem te laten voelen (en die blijkt er vervolgens - helaas - niet warm of koud van te worden…) Meestal is dat het uitstellen van het werkelijk fundamenteel aanpakken van het probleem. Het is bovendien strijdig met de zojuist gesignaleerde noodzaak van een intensieve pastorale, en vaak ook diaconale betrokkenheid bij een toenemend aantal gemeenteleden - jong én oud. Met déze ‘oplossing’ wordt al snel het paard achter de wagen gespannen.

Het mes moet er dus dieper in; en zo komen we bij de gedachte dat er eens kritisch wordt gekeken naar de agenda van de kerkenraad. Soms gaat men over tot een kerkenraad-beleid of een kerkenraad-algemene-zaken die gedelegeerde bevoegdheden krijgt. Een gedeelte van de agenda wordt aan een onderdeel van de kerkenraad overgelaten, maar dan ook zo dat de kerkenraad in zijn geheel zich daar niet meer of nauwelijks mee bemoeit.

Een andere oplossing is het overgaan tot grote wijkteams. Zo’n wijkteam heeft de pastorale verantwoordelijkheid voor een x-aantal (bijvoorbeeld 40) adressen. Per wijkteam is er een wijkouderling, een wijkdiaken en een aantal pastorale/diaconale medewerkers. De voordelen zijn evident: de kerkenraad kan verkleind worden en meerdere gemeenteleden (ook uit dat segment dat geen kerkenraadsleden kan leveren) worden ingeschakeld bij het pastoraat en diaconaat.

Maar hier duikt nu een principiële vraag op, die in de brief van de classis Amsterdam ook gesteld wordt: verdraagt dit alles zich met een gereformeerde kerkregering? Is het vanuit de Schriften verantwoord? Hoe vaststaand zijn onze structuren in dit opzicht? Het wordt dus op dit moment tijd voor een diepte-peiling.

5. De principiële taak van de kerkenraad

Vanouds is het onder ons in de gereformeerde traditie de gewoonte dat de kerkenraad zich ten doel stelt alle adressen van de gemeente minstens één maal ‘s jaars te bezoeken. Voor de duidelijkheid: wanneer dit nog goed mogelijk is, behoeft daar niet aan gesleuteld te worden. Maar om ons heen klinken ook andere geluiden; zo dook er een jaar geleden een discussie op binnen de Geref. Kerken (vrijg.), waarin de vraag werd gesteld naar het afwegen van nut en offer van deze gewoonte. Kunnen kerkenraadsleden hun tijd misschien ook beter besteden?

Waar komt de gewoonte van het jaarlijkse huisbezoek vandaan? Haar wortels liggen in de tijd van de Reformatie. In de oude weergave van art. 23 KO klinkt het nog door; daar staat dat het de taak van de ouderlingen is ‘zowel vóór als na het heilig avondmaal huisbezoek te doen’. En dat bij een driemaandelijkse viering van het avondmaal! In de nieuwe tekst (vastgesteld door de generale synode 2001) is de feitelijke onmogelijkheid van het leven naar de letter van dit artikel onderkend; nu staat er: ‘Zij zullen jaarlijks huisbezoek doen. Daarbij zullen ze de leden van de gemeente vertroosten, vermanen en onderwijzen, onder andere met het oog op de avondmaalsviering’.

Zit ik er ver naast wanneer ik veronderstel dat bij de wijze van huisbezoek doen in de tijd van de Reformatie (er vanuit gaande dat men iedere drie maanden aan huis kwam) elk adres van de gemeente minder aandacht van de ouderling ontving dan bij de gewoonte die wij nu kennen? Voor een huisbezoek wordt nu toch al snel een halve avond gereserveerd; ten opzichte van de tijd van de Reformatie zijn we qua aantal bezoeken vast en zeker achteruit gegaan, maar qua inhoud niet!

Er is daarbij nog een punt van principieel belang: het bezoek namens de kerkenraad was gecentreerd op de vragen rond het avondmaal. Daarbij loopt er van art. 23 KO een lijn terug naar art. 16 KO, waar gesproken wordt over het ‘tucht oefenen’, opdat alles betamelijk en in goede orde geschiede. Het gaat bij het ouderlingenambt om het regeren van de gemeente. ‘Deze regering draagt een geestelijk karakter, want zij is door Christus in de gemeente ingesteld, om haar van de zonde te reinigen en tot de zaligheid te leiden’ (Joh. Jansen, Korte verklaring van de Kerkenordening, Amsterdam 1976, blz. 104). Jansen gaat zelfs zover dat hij stelt dat het onder ons gangbare jaarlijkse huisbezoek in het geheel niet terug te voeren is op art. 23 KO. In dat artikel gaat het erom dat de kerkenraad zich op de hoogte stelt van de vraag ‘of er een of andere belemmering voor het Avondmaal is’ (blz. 107). We zijn hier bij de Calvijnse invulling van het ouderlingenambt: de ouderlingen houden de wederzijdse onderlinge opvoeding in ere; zij corrigeren de gemeente - de tucht. Zo wordt aan de kwaliteit van de gemeente gebouwd.

Er is dus nogal wat principiële speelruimte. Men kan nog een stap verder gaan: waartoe is het ouderlingenambt ingesteld? Om alle adressen van de gemeente pastoraal te bezoeken vanuit en door de kerkenraad? Dat was wél de gewoonte (met de hierboven gespecificeerde opdracht), maar de kern lag dieper: ter wille van de opbouw van de gemeente.

Hier moet vooral de naam van de reformator Martin Bucer worden genoemd. Hij heeft ervoor geijverd dat in de gemeenten er naast de predikanten moedige, verstandige, godvruchtige mannen zouden zijn om het beheer te voeren over die gemeenten. Zij moeten goed bestuurd worden, en daartoe dienen er mensen gezocht te worden die daartoe gaven van de Geest hebben ontvangen, en dat wel uit alle rangen en standen van de gemeente. Ouderlingen zijn er vooral om leiding te geven aan de gemeente. Hij voegt er iets verrassends aan toe, dat voor ons onderwerp nog de nodige betekenis heeft: God wil dat zijn werk in zijn gemeente door velen en niet door weinigen geschiedt (‘der wille dis sein werck in seiner Gemeind durch fill und nicht durch wenige’). En daar komt dan ook een woord ter sprake dat vandaag op vele kerkelijke lippen is, dat van de gemeenteopbouw: ‘fil Werkzeüge wil er zu disem baw haben en geprauchen’: veel werktuigen wil Hij voor dit bouwwerk hebben, ‘om daardoor velen tot eer te laten komen én om zo alles des te beter samen te binden’ (zie Bernard Luttikhuis, Bouwvakkers en boeren. Een bijdrage in het gesprek over de opbouw van de gemeente, Zoetermeer 2002, blz. 120).

Het gaat er Bucer hier om dat er kerkenraadsleden (ouderlingen) zullen zijn, opdat dezen samen de gemeente zullen opbouwen. Ze hebben een leidinggevende taak. Dáár zetten zij zich voor in. Dat heeft consequenties voor hun werk: Wanneer zij op deze wijze de gemeente opbouwen, zal daardoor het omzien van gemeenteleden (pastoraat) beter tot zijn recht kunnen komen. Met de Calvijnse invulling van het ouderlingenambt staat de ontwikkeling van een individueel gerichte invulling van dat ambt voor de deur. Met de opvatting van Bucer wordt dat ondervangen: hij neemt zijn insteek bij de gemeenschap. U leest deze lijnen ook in het handboek voor ambtsdragers Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente, Kampen 1982, in het artikel van W.H. Velema, blz. 122v.

Dit alles is in bijbels licht niet vreemd. Wanneer het gaat om de taak van de kerkenraad spreekt Paulus daarover in Ef. 4:11-13 over het toerusten van de gemeenteleden, tot opbouw van het lichaam van Christus. Natuurlijk hoort daar pastoraat bij; in Hand. 20:28 is sprake van het ‘weiden’ van Gods gemeente, in het kader van het opzienerschap. Maar de kerkenraadsleden zijn bepaald niet de enigen die daartoe geroepen zijn. 1 Thess. 5:12-15 spreekt over de houding van de gemeente tegenover de leidinggevenden, waarna diezelfde gemeente in haar geheel wordt opgeroepen om ongeregelden terecht te wijzen, de kleinmoedigen op te beuren enz. Voor de pastorale en diaconale taken van speciaal de zusters van de gemeente kan verwezen worden naar het rapport van deputaten ‘dienst van de vrouw’, dat besproken en aanvaard werd door onze generale synode 2001 en dat in een aparte uitgave verscheen (Amsterdam 2002, blz. 16-26).

6. Consequenties en mogelijkheden

6.1. Algemeen

Uit dit alles volgt dat er een aanzienlijke speelruimte is als het gaat om veranderingen in de structuur van de kerkenraad. De primaire taak van de raad is het ambtelijk leiding geven aan en opbouwen van de gemeente. Daar is pastoraat een instrument bij, een instrument dat door de Heilige Geest echter niet alleen in zijn handen wordt gelegd. De kerkenraad stimuleert dat anderen in de gemeente het mede beoefenen. Bij het pastoraat door de kerkenraad zal het bezoek aan de zondagse diensten en de deelname aan het avondmaal een belangrijk item zijn. Het is bij de kerkenraadsleden net zo als bij de predikant: bezoeken dienen niet getéld, maar gewogen te worden. Zo voorkomt men dat de indruk gewekt wordt dat het jaarlijkse huisbezoek op ieder adres van de wijk een verplicht gebeuren is, waarbij eigenlijk nog te weinig echt wordt opgebouwd!

6.2. Verbreding van het pastorale/diaconale draagvlak

Een aantal kerkenraden is bij de doordenking van dit alles op een ander spoor overgegaan. Het doel is niet meer werkelijk álle adressen in de gemeente jaarlijks te bezoeken. Tegelijk is men zich ervan bewust dat elk adres wel aandacht nodig heeft. Daartoe wordt het pastorale en diaconale werk in de gemeente per wijk gedaan door meerderen, broeders en zusters. De wijkouderling blijft daarbij hoofdverantwoordelijke, maar hij wordt door velen terzijde gestaan. Op deze wijze komt er meer mogelijkheid tot gericht pastoraat en diaconaat. Bij deze werkverdeling is het uiteraard wél zo, dat, wanneer er sprake is van opzicht en tucht, dit aan de ouderling voorbehouden is (maar vooral in kleinere gemeenten zal dit speciaal tot de taak van de predikant behoren).

Natuurlijk vergt deze werkwijze een goed werkkader: het wijkteam (of wat de naam ook wezen moge) zal van tijd tot tijd bij elkaar komen om de situatie in de wijk te bespreken. Ook is het van belang dat de kerkenraadsleden zorgen voor rapportage van die bezoeken op de kerkenraad waar dat van belang is (bijv. in geval van ziekte of andere zorgen). Zodoende behoudt de kerkenraad het pastorale overzicht over de gemeente, zij het in globalere zin. Dat geldt ook in omgekeerde zin: de gemeente houdt haar contact met de kerkenraad, zij het in globalere zin. Het huisbezoek wordt nog wel eens gezien als de mogelijkheid om contact met de kerkenraad te hebben over een bepaalde zaak. Dat zal nu meer indirect gebeuren. Er wordt, wanneer men contact wenst, een duidelijker actie verwacht. Deze schaduw is echter niet zo groot: zo vaak komen dergelijke zaken nu ook weer niet voor.

Deze opzet van het pastorale werk heeft een duidelijk voordeel: meer gemeenteleden worden voor een pastorale/diaconale taak ingezet. Het is niet denkbeeldig dat op deze wijze dat werk voorspoediger voortgang kan vinden dan bij de traditionele opzet van het kerkenraadswerk. Men vraagt gemeenteleden om de zorg te dragen voor een x-aantal adressen, zonder dat men daarbij kerkenraadsverantwoordelijkheden krijgt (en dus zonder dat men te maken krijgt met een uitgebreid vergadercircuit over allerlei beleidszaken). Is het denkbaar dat er zodoende een nieuwe impuls uitgaat naar de gemeente?

Er is nóg een voordeel. Wij horen vandaag de dag veel over ‘gavengericht werken’. Nu is het onvermijdelijk dat er, bij welke taak ook, soms dingen gedaan moeten worden waar men tegenop ziet, en waar men zich met ‘twee linkerhanden voelt staan’. Dat geldt in het dagelijks werk, dat geldt ook bij werk in de christelijke gemeente. Toch dient eerlijk onder ogen te worden gezien dat er bij kerkenraadswerk in de tradi-tionele vorm wel erg veel zaken door allen gedaan moeten worden: men moet vaardig zijn in het bezoekwerk en dus feeling hebben in het voeren van gesprekken, men moet kunnen vergaderen (en dat is echt een kunst apart - noemt Paulus niet apart de gave van het leiding geven, Rom. 12:8 en van het besturen, 1 Cor. 12:28?). Soms denk ik dat we elkaar in de kerken met alle goede bedoelingen wel eens een last opleggen die vervolgens schadelijk is voor de voortgang van het kerkelijk leven. Als ik daarvan een voorbeeld mag geven: wij hebben het zó geregeld dat de classicale vergaderingen bij toerbeurt door een predikant worden voorgezeten, in alfabetische volgorde. Maar is het zo verkeerd om daar van af te wijken, zeker wanneer er op de agenda diep ingrijpende zaken voorkomen, die geestelijk-inhoudelijk al lastig genoeg zijn en waarvan de last onnodig verzwaard wordt wanneer een duidelijke procedureel-inhoudelijke leiding ontbreekt (en daarvoor is de voorzitter toch als eerste verantwoordelijk)?

Het is een bijbelse zaak wanneer de gaven die de Heilige Geest aan ieder schenkt, in verscheidenheid, tot ontplooiing kunnen komen. En een structuur is daaraan ondergeschikt.

Mag ik aan dit punt nog iets anders koppelen? De tijd is voorbij dat men er als vanzelfsprekend van kan uitgaan, dat gekozen en benoemde ambtsdragers vanzelf in de praktijk hun weg wel zullen vinden, ‘door ervaring wijs geworden’. Al decennia lang mag het vormingsblad Ambtelijk Contact in alle eenvoudigheid aan vorming en kennis bijdragen. Daarnaast is het meer dan ooit zaak dat kerkenraden acht geven op toerusting van ambtsdragers. Daar zijn vele mogelijkheden toe; als men nut en (financieel) offer afweegt, zal men merken dat de weegschaal ruimschoots naar ‘nut’ doorslaat. Zo zullen gaven die de Here in beginsel geeft ook tot bloei kunnen komen.

6.3. Andere opzet van het kerkenraadswerk

Als tweede lijn zou ik willen trekken de mogelijkheid van een andere opzet van het kerkenraadswerk. Die lijn loopt eigenlijk min of meer direct weg uit de zaken die zojuist naar voren zijn gekomen: het inzetten van gemeenteleden dáár, waar hun gaven het meest tot ontplooiing kunnen komen.

In onze traditie behandelt de kerkenraad in zijn geheel alles wat op zijn tafel komt. Of het nu allerlei ingekomen stukken betreft, of contacten met andere kerken van gereformeerd belijden: het staat allemaal op die ene agenda. En in een ritme van bijv. één keer per drie weken wordt dat alles besproken. Het enige dat gebeurt om er wat structuur in aan te brengen, is het bestaan van een moderamen, dat echter geen enkele bevoegdheid heeft. In veel gemeenten loopt dit vast. Geen wonder: iets dat decennia geleden voldeed, bij een veel rustiger gang van het kerkelijk leven, voldoet niet per definitie in de complexe situatie van vandaag. Wanneer de bakens niet verzet worden, is dat tot schade van de kerkenraad zelf: hij raakt verstrikt in de veelheid van vergaderonderwerpen en vergadert veel te lang en te vaak. Maar meer nog: het gezicht van de kerkenraad lijdt schade in de gemeente; hij krijgt de naam van een instituut dat hopeloos veel tijd besteedt aan zaken die veel efficiënter kunnen gebeuren. En het laat zich denken dat dit niet leidt tot enthousiasme wanneer de roep tot toetreding tot de kerkenraad klinkt.

Men moet nu niet al te snel zeggen dat als de Here roept, wij maar hebben te gehoorzamen. Hoe waar dat ook is, het gaat mij nu om de andere kant van de medaille. Wanneer de goede naam die de kerkenraad in de gemeente hoort te hebben, schade lijdt, heeft dat zonder enige twijfel een negatief effect. Het is schadelijk voor het gezag van de kerkenraad. Een kerkenraad die al zuchtend zijn werk doet, nodigt niet uit tot participatie. Hoe moeten gemeenteleden dan denken over die ‘voortreffelijke’ taak waarvan de Schrift spreekt? Men raakt door deze dingen soms in een negatieve spiraal, en die moet doorbroken worden!

Vandaar dat kritisch gekeken mag worden naar de agenda van de kerkenraad. Zijn taak is het geestelijk leiding geven aan de gemeente. De kerkenraad in zijn totaliteit zal (na degelijke voorbereiding van een kleiner deel daarvan) daarom spreken over zijn samenstelling, de vervulling van vacatures, tucht over gemeenteleden, gesprek over de prediking, contacten met Ned. Gereformeerden en vrijg. Gereformeerden. Ook het vaststellen van de jaarrekening en begroting zal door de complete kerkenraad gebeuren. Maar waarom zouden onderwerpen als de regelmatige contacten met commissies, met werkgroepen, normale afhandeling van doop- en huwelijksbevestigings-aanvragen, een heleboel ingekomen stukken niet door een kleiner college kunnen worden gedaan? Het is een uitgemaakte zaak dat besturen, willen ze fundamenteel en adequaat kunnen werken, bij voorkeur niet groter zijn dan 9 personen. Opnieuw: de kerk is geen bedrijf, maar zij kan daar wel iets (goeds) van leren. Onze kerken kennen een dergelijke gedifferentieerde vorm van werken en besluiten al heel lang: voor zogenaamde grote-stadskerken kennen we een regeling waarin sprake is van ‘decentralisatie van bevoegdheden en verantwoordelijkheden’, vastgesteld door de generale synode 1971/72. Laat men naar analogie daarvan tot een andere opzet komen.

7. Situatie in buitenlandse kerken

In de brief van de classis Amsterdam is gevraagd ook enige aandacht te geven aan de wijze waarop men in buitenlandse kerken met deze problematiek wordt geconfronteerd. Een kleine informatieronde leverde het volgende (beperkte) overzicht op:

7.1. The Christian Reformed Churches

In de CRC in Noord-Amerika is men al tientallen jaren geleden, gedreven door de omstandigheden gaan nadenken over de problematiek die ons nu bezig houdt. Gaandeweg heeft de beleids- en pastoraatsstructuur zich ontwikkeld. Velen, ook buiten de kring van kerkenraden houden zich bezig met onderling pastoraat. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de speciale gaven die gemeenteleden hebben en die nodig is bij specifieke problemen. Er wordt veel aandacht gegeven aan training van gemeenteleden opdat zij toegerust worden voor het pastorale werk. In de kerkenraden is een splitsing tussen ‘administrative’ en ‘pastoral elders and deacons’. De ervaring in de CRC in dit alles heeft geleid tot een ontwikkeling waarin meer leden van de gemeente bereid zijn zich te geven: men is blij dat taken aansluiten bij persoonlijke kwaliteiten en gaven.

7.2. The Free Reformed Churches

In de FRC doet het probleem dat ons vandaag bezighoudt zich niet of nauwelijks voor. De indruk bestaat dat het op zichzelf genomen wel lastig is om broeders te kandideren die geestelijke gaven hebben voor het ambt van ouderling of diaken, maar ook dat men zo geestelijk met ambt omgaat, dat men niet snel ontheffing vraagt. Daarbij dient opgemerkt te worden dat in deze kerken het kerkenraadswerk inhoudelijk nog sterk lijkt op het werk zoals dat in onze kerken jaren geleden kon gebeuren: de ouderlingen lijden niet onder lange discussies op vergaderingen, zaken die een beleidsbepalende positie vergen enz. De kerken zijn geestelijk homogener dan in Nederland en staan er ook minder in het midden van de maatschappij. Het werk is nog sterk geconcentreerd op toezicht op de prediking en bezoekwerk.

7.3. lgrejas Evangelicas Reformadas no Brasil

In Brazilië is de problematiek om de vacatures in de kerkenraad vervuld te krijgen herkenbaar. Gedeeltelijk is het een taalprobleem (ouderen zijn het Portugees niet altijd voldoende machtig), gedeeltelijk ziet men erg tegen het ambt op. Kerkenraden zijn naar verhouding van het ledenaantal (te) klein, huisbezoeken kunnen niet jaarlijks geschieden. Ter compensatie zijn er ‘bezoekteams’, die extra op oudere, zieke en eenzame gemeenteleden letten. De pijn is niet zo groot, omdat er veel sociale contacten zijn: verjaardagen, supermarkt… men komt elkaar vaak tegen. Men is van plan de komende tijd extra aandacht te gaan geven aan vorming voor de ambtsdragers.

8. Tenslotte

Tenslotte: structuren en regelingen zijn hulpmiddelen. Ze zijn in de kerk daarom nog niet te veronachtzamen. Maar ieder zal het ermee eens zijn, wanneer ik stel dat iedere structuur en werkwijze onvruchtbaar zal blijken te zijn, wanneer zij niet ingebed is in een gemeente, die zich laat voeden door Gods Woord en Geest. Onlangs schreef ds. J.G. Schenau in Ambtelijk Contact, oktober 2003 (met name in hoofdstuk 5. de gemeente), daar behartigenswaardige dingen over, en ik verwijs daar graag naar. In een geestelijk bloedeloze gemeente is het onvruchtbaar werken, in welke structuur dan ook. Maar in een bloeiende gemeente kan het nog wél vruchtbaar werken wanneer een daaraan dienstbare structuur wordt ontworpen, rekening houdend met de geestelijke gevarieerdheid en de onderscheidenheid aan gaven binnen die gemeente. Wat zou het een zegen zijn, wanneer onder het gebed om de zegen van God en de werking van zijn Geest men iets van de vragen van vandaag te boven zou kunnen komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.