+ Meer informatie

Een rapport over gemeenteopbouw

13 minuten leestijd

OPNIEUW EEN RAPPORT

Er is opnieuw een rapport van de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk verschenen. Het draagt tot titel „Gemeentevormen en gemeenteopbouw. Een bijdrage tot een gesprek”. Het Voorwoord van praeses en scriba der synode is gedateerd februari 1971.

In de nummers van januari en februari 1971 van ons blad besprak ik het rapport over het ambt. Dit rapport is in zekere zin te zien als een vervolg daarop. Ik maak de beperking in zekere zin, omdat aan te nemen valt, dat beide commissies gelijktijdig aan het werk geweest zijn. Toch is er een opvallende overeenkomst. Die is gelegen in de visie op het ambt en in het terugdringen van het Woord van zijn centrale plaats. Ik heb hiermee nogal wat gezegd. Toch kan ik het niet anders zeggen. Naar mijn mening is er wat bedoelingen betreft een duidelijk verband tussen beide rapporten.

De ondertitel luidt: een bijdrage tot een gesprek. Dat is nogal relativerend gezegd. Men moet dus niet teveel waarde hechten aan deze publikatie. Het laatste woord wil er zeker niet mee gezegd zijn.

Ik ben zo vrij de betekenis van deze relativering wat af te zwakken en daardoor aan het rapport een grotere betekenis toe te kennen dan de ondertitel doet vermoeden. Het kan wel bedoeld zijn als een gesprek over deze materie, maar het trekt tegelijk reeds lijnen. Het geeft een model tot herstructurering in de hand. Men kan met behulp van dit rapport aan het werk gaan. Daarom is het meer dan een discussiestuk. Het is ook een werkpapier. Dit alles geldt nog te meer, als men bedenkt dat de eerste versie van dit rapport in de zittingen van de synode in november 1969 besproken werd. Daarbij werd scherpe kritiek geuii. Er kwam een nieuwe versie, die in oktober 1970 ter synode werd besproken. Toen is dit rapport in grote lijnen aanvaard. Nu ligt het in zijn definitieve vorm voor ons. Zo wil de synode, blijkens het Voorwoord van haar praeses en scriba het in de kerken besproken hebben. Niemand zal het een kerkeraad kunnen kwalijk nemen, als hij reeds volgens dit rapport te werk gaat.

Het leek me goed dit duidelijk te stellen. We maken zulk een handelwijze in andere verbanden ook mee. Men legt iets op tafel „ter discussie”. Intussen bevat het stuk reeds zoveel praktische aanwijzingen, dat men van de discussie heel gemakkelijk kan overgaan naar de praktijk. Soms vraagt men zich wel eens af, of de praktijk eigenlijk niet het beoogde doel was. De discussie was slechts een beperkte tussenfase.

Dit rapport heeft niets minder tot konse-kwentie dan een revolutie in de gemeenteopbouw.

Herstructurering

Het trefwoord is herstructurering. De structurele opbouw van de gemeente moet veranderd worden.

Waarom? Het is natuurlijk niet doenlijk in dit artikel het hele rapport te analyseren. Het gaat mij om de grote lijnen. Ik tracht te laten zien wat er eigenlijk aan de hand is.

De titel, zo lezen we op blz. 8 bevat „een program en een bepaalde pretentie”: dat namelijk de opbouw van de gemeente alles te maken heeft met haar vormen.” We moeten wel goed nadenken over deze zin. Ze is de eigenlijke sleutel tot het verstaan van het rapport.

Het wel en wee van de gemeente, haar reilen en zeilen, haar geestelijke ontplooiing wordt hier afhankelijk gesteld van haar vormen. Dat is een merkwaardig verband.

Wij zouden anders beginnen. Wij zouden zeggen: wat is de gemeente? Hoe moeten we haar zien naar het licht van de Schrift. Als we op die vraag een antwoord hebben gekregen, kunnen we zeggen: dit moet haar vorm zijn en zo zal haar opbouw wezen. De vorm van de gemeente wordt bepaald door haar wezen. De opbouw geschiedt krachtens haar wezen. Daarbij is de vorm niet onbelangrijk. Maar men kan de opbouw niet afhankelijk maken van de vorm, zonder dat men over het wezen iets gezegd heeft. Het begin van het rapport neemt zijn uitgangspunt niet in het wezen, om vandaaruit èn vorm èn opbouw te bepalen. Het uitgangspunt ligt in de vorm. Die bepaalt de opbouw.

Wat zien we dan verder in het rapport gebeuren? Het blijkt dat de vormen van het kerkelijke leven niet meer passen bij onze tijd. De kerk komt bij de ontwikkelingen, die zich in onze samenleving voordoen, ten achter. „Daarom doen wij een dringend appèl op alle geledingen der kerk de eigentijdse cultuur en maatschappij te leren kennen. Alléén zó vindt zij de taal, werkwijze en vorm, die nu nodig zijn voor haar werk” (blz. 12).

Hier wordt niet gevraagd, hoe wij vanuit de Schrift de eigentijdse cultuur en maatschappij hebben te beoordelen. Neen, zij zijn een eigen grootheid, waarmee de kerk te rekenen heeft. Wanneer de kerk dat niet door heeft en daarmee niet rekent, vindt ze de vorm niet, die voor onze tijd nodig is.

Als we ons herinneren wat het rapport over de verhouding van vorm en opbouw schreef, ligt de conclusie voor de hand: voor de gemeente is geen opbouw te verwachten, als ze haar vorm niet afstemt op onze cultuur en op onze maatschappij.

Hier wreekt zich het ontbreken van een wezensomschrijving van de kerk. Nu kan men immers over vormen gaan spreken zonder dat daarbij eerst de schriftuurlijke gegevens aan de orde gekomen zijn. Men moet het nog sterker zeggen: door het ontbreken van die gegevens, wordt de nieuwe vorm beslissend voor de opbouw van de kerk.

Niet de Schrift, maar de maatschappelijke veranderingen worden hier bepalend voor de toekomst van de kerk. Kenbron voor haar opbouw is niet de Heilige Schrift, maar de veranderingen die zich in onze samenleving voltrekken.

Op dit punt treft ons de overeenkomst met het rapport over het ambt. Ook daar werden de Schriftgegevens ter zijde gedrongen. Men ontleende zijn visie voor de toekomst aan de gebeurtenissen en veranderingen, die zich in de samenleving voltrekken.

En de Schrift dan?

Ik kan me voorstellen, dat men tegen het bovenstaande bezwaar inbrengt. Het voornaamste bezwaar moet wel zijn, dat het rapport een heel hoofdstuk wijdt aan „De gemeente (principieel)”. Op de bladzijden 29-42 wordt over de gemeente gesproken naar wat zij krachtens haar wezen is en dient te zijn. Met lette op het woordje „principieel” dat tussen haakjes toegevoegd is.

Daarmee is mijn bezwaar niet opgeheven. Ik kan alleen zeggen, dat dit tweede hoofdstuk de tweeslachtigheid van het rapport alleen maar accentueert. Er worden hier wel goede dingen gezegd over de gemeente. Maar deze opmerkingen functioneren in het rapport verder niet. Hoofdaccent valt op het anders zijn van de gemeente en op de ergernis, die de gemeente daardoor wekt. Over de verscheurdheid van het lichaam van Christus wordt indringend geschreven. De modaliteiten worden afgewezen, de „buitengewone wijkgemeente- in- wording” gekraakt. Dat geschiedt terecht. Maar op achtergronden en oorzaken wordt niet ingegaan.

Vandaar dat op zichzelf goede en billijke opmerkingen toch niet doorwerken. Het rapport had dit zichzelf al onmogelijk gemaakt door bij voorbaat de verhouding van vorm en opbouw normatief te stellen, en de Schrift daarbuiten te laten.

Ik noem dit een tweeslachtige trek in het rapport. Het wil enerzijds aan de Schrift een plaats geven; anderzijds krijgt de Schrift zelf in dit rapport niet echt het woord.

Dit valt te illustreren aan wat gezegd wordt over de achteruitgang van de Hervormde kerk ondanks haar opbloei in de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog. Er wordt gesproken over verschillende oorzaken. Hier wordt er slechts één genoemd en besproken: De kerk heeft het nieuwe maatschappelijke patroon niet gezien. De vernieuwing van de kerk in en na de oorlog vond plaats binnen het „agrarisch-klein-stedelijke patroon”. Daarom kon de kerk haar plaats niet behouden. Ze moest wel terrein verliezen (blz. 16, zie ook blz. 72). Ook hier weer het tweeslachtige: er zijn meer oorzaken, maar de ene die in het kader van het rapport belangrijk is, is die van het geen oog hebben voor het nieuwe levenspatroon. Ik ga er aan voorbij, wat dit oordeel over mannen als Banning en Kraemer, de vernieuwers van de kerk n 1945, voor onbillijks inhoudt. Ik wijs er alleen op, dat hier geen geestelijke peiling van de ontkerstening wordt verricht. De oplossing van de nood van de kerk wordt dan ook gezocht in een nieuwe vorm: herstructurering.

Terwijl ik dit schrijf, herinner ik mij dat er gevraagd wordt om een radicale vernieuwing, waarvoor woorden als wedergeboorte en bekering gebruikt worden (blz. 36). Ook deze woorden blijven verscholen liggen achter de roep om nieuwe vormen.

Wij proeven in dit rapport de invloed van documenten die voor de vergadering van de Wereldraad van Kerken, Uppsala 1968 zijn samengesteld. Met name het rapport van Noord-Atlantische sectie „Kirche für Andere” heeft zijn stempel op dit rapport gedrukt. In dat rapport heeft onze landgenoot J. C. Hoekendijk zijn ideaal op papier gekregen. Hij is destijds naar de Verenigde Staten vertrokken. Zijn denkbeelden riepen hier nogal weerstand op. Het is merkwaardig dat hij nu toch grote invloed krijgt. Dit rapport legt daarvan getuigenis af, al zal men niet alles op rekening van Hoekendijk mogen schrijven.

Om het samen te vatten: We zien in dit rapport een tendens om niet de Schrift tot norm voor ons handelen te maken (canon), maar de maatschappelijke situatie. Deze laatste krijgt canoniek gezag. Dat vind ik de diepste nood van de kerk in deze tijd. Ze raakt dan het Woord als richtsnoer kwijt. Ze past zich aan bij, en richt zich geheel naar de maatschappelijke omstandigheden. Diezelfde tendens ontdekten we in het rapport over het ambt. Als zodanig zijn deze beide rapporten eikaars complement.

Wat wordt aangeprezen?

Waar loopt het rapport op uit? Op een oproep om de structuren van de kerkelijke gemeente te veranderen. Er blijft werk over, dat binnen het kader van de gewone (wijk)gemeente gedaan kan worden. Er is meer werk dat niet meer binnen die kaders verricht kan worden. Daarvoor heeft men — ook onder de predikanten — specialisten nodig, die met speciale taken belast worden. Ik noem de volgende differentiaties die het rapport aangeeft: de pastor (predikant, hulpprediker) die het groepspasto-raat behartigt; de pastor (predikant, hulpprediker) die in samenwerking met de werkers uit andere disciplines pastoraat geeft aan hen die psychisch en/of maatschappelijk vastgelopen zijn; de leraar (predikant, vormingsleider, catecheet) die het geloofsonderricht voor zijn rekening neemt; de predikant of hulpprediker, die verantwoordelijkheid draagt voor de kerkdiensten en samenkomsten-nieuwe-stijl; de theoloog, die zich bezig houdt met de vragen van cultuur en maatschappij; de deskundige (al dan niet predikant) die de organisatieprocessen begeleid (blz. 100).

Het is duidelijk dat de opleiding van a.s. predikanten ten ene male onvoldoende is (blz. 101, vgl. 44). Er moet een centraal personeelsbeleid komen (blz. 102). Er dienen andere vormen van samenkomst voor de gemeente georganiseerd te worden (blz. 100, 94, 46v). Gemeenteleden moeten het recht krijgen in deze kleine samenkomsten het Avondmaal te bedienen (blz. 51). De vraagt dient overwogen te worden of het ia woord bij de doop niet aangemerkt moet worden als het ja woord van de belijdenis(blz. 57). De vraag moet overwogen worden of de dienst des Woords beslist aan de zondag gebonden dient te zijn (blz. 47).

Belijdenis voor de kerkeraad moet in bepaalde gevallen voldoende zijn (blz. 57). Een diaconale consulent, als specialist van het diaconaat, moet als vrijgestelde kunnen worden aangesteld (blz. 69). De diaconie en de kerkvoogdij dienen één te zijn (blz. 69).

Dat hangt weer samen met het feit dat diaconaat een bepaalde zijnswijze van de gemeente is (blz. 66). Kerk i s zending (blz. 70). We treffen hier een diaconialistisch toegespitst kerk-begrip aan.

De financiële zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente heet — vragenderwijs — in strijd te zijn met de evangelische solidariteit (blz. 77). ,,De huidige opzet houdt de ongelijkheid van geldmiddelen èn van de methoden van geldwerving in stand, continueert het lokale groepsegoïsme waardoor nieuwe vormengevingen van de gemeente belemmerd worden” (blz. 78).

Men dient er wel op bedacht te zijn, dat dit niet maar een programma is voor gemeenten in nood. Ook daar waar zich op het ogenblik nog geen noodsituatie voor-doet, moet men toch deze kant op. Daar zal zich de nood — als gevolg van het veranderend cultuurpatroon — ook gaan voordoen.

Van een verplichting van hogerhand wordt in dit rapport nog niet gesproken. Zij ligt er als mogelijkheid duidelijk in opgesloten. Zij loopt zomaar uit dit rapport naar de synode toe.

De kerk moet de stormachtige bewegingen in cultuur en maatschappij vanuit het Evangelie kritisch-geëngageerd begeleiden. Zij zal op deze wijze cultuurscheppend zijn (blz. 73). In het verlengde hiervan ligt de politieke verantwoordelijkheid van de kerk (blz. 74).

Ik gaf maar enkele aanduidingen om te laten voelen hoe radicaal alles anders worden moet. Ik wees nog niet op de noodzaak van oecumenische samenwerking. Die wordt dubbel onderstreept (blz. 91-93).

Er moet een commissie komen, die dit alles uitdenkt, voorstelt, uitwerkt en begeleidt, terwijl intussen de „oude” taken nog uitgevoerd blijven worden. De raad wordt gegeven, dat de hele gemeente erbij betrokken moet zijn. De harten van de gemeenteleden moeten worden aangeraakt (blz. 88).

Totaalindruk

We vatten onze indruk samen. Deze totale herstructurering van de kerk komt neer op het verlies van de reformatorische opbouw van de gemeente rondom Woord en sacrament. De gemeente krijgt zoveel taken, dat men met de wijkgemeente niet toekan.

De gemeente wordt hier tot een groot bedrijf, dat centraal georganiseerd wordt. Specialisten krijgen een grote plaats in de kerkelijke organen. De theologische inbreng moet wel verzekerd blijven. Zij moet haar plaats met andere takken van wetenschap delen, waar het om de leiding van de kerk gaat.

In dit rapport wordt de kwaal gezocht in de verouderde structuren en in het niet bij de tijd zijn van de kerk. Wij zouden niet graag willen beweren, dat de kerk niet rekenen moet met de omstandigheden. Dat is zeker nodig. De kerk moet haar tijd kennen. Zij kan van de omstandigheden leren. De grote vraag is of de omstandigheden kenbron zijn voor de opbouw van de kerk dan wel of zij aanwijzingen zijn om de wil Gods. zoals we die in de Heilige Schrift vinden, beter te verstaan.

Er zijn dingen die in de loop der eeuwen voor ons duidelijker worden. We willen er graag oog voor hebben dat de Here met zijn kerk zijn eigen weg gaat. Hij doet nieuwe dingen. Maar deze dingen zijn ontvouwing en onthulling van wat in de Schrift opgesloten ligt.

Het zwakke punt van dit rapport is, dat de Schrift niet het beslissende woord spreekt. De Schrift als kenbron voor Gods wil ten aanzien van vormen en opbouw van de kerk is vervangen door de maatschappelijke omstandigheden en het veranderde cultuurpatroon.

Dan zoekt men de ellende van de kerk ook ergens anders dan waar ze naar de Schrift ligt. De nood van de kerk ligt niet primarr in de oude vormen. Zij ligt in het verlaten van God en zijn Woord. De kern van het Evangelie wordt in onze tijd prijs gegeven. Daarop wordt met geen woord gedoeld.

We treffen in dit rapport aan wat voor het moderne bedrijfsleven kenmerkend is: concentratie en specialisatie, planning en beleidsorganen, nieuwe structuren en centralisatie. We treffen hier als kern niet aan datgene wat de kerk juist tot kerk maakt. Het geloof in en het leven met haar Heiland, Jezus Christus.

Als dit rapport in praktijk wordt gebracht, krijgen we een kerk die de vormen van onze tijd vertoont. Zij is geheel aangepast bij het moderne organisatiepatroon. Maai zij heeft haar vreemdeling zijn in deze wereld, en daarmee haar eigenheid als kerk verloren.

Wie de twee rapporten naast elkaar legt, ziet dat eerst het ambt werd gesociolo-giseerd. Nu wordt die lijn doorgetrokken ten aanzien van de hele kerkelijke structuur. De plaatselijke gemeente wordt deel van een groter geheel, waaraan specialisten hun zorg besteden. Het gereformeerd karakter van de kerk staat met dit rapport op het spel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.