+ Meer informatie

VRAGENBUS

4 minuten leestijd

Comipondêntl» voor deXê rubriek aan: T. MOLENAAR, 18, Rotterdam-Zuid )

A. K. te R. vraagt waarin de sacramenten van het Oude Testament overeenkomen en verschillen met die uit het Nieuwe Testament

Antwoord: In vier zaken komen zij overeen. In de eerste plaats is het dezelfde Insteller, n.1. God. In de tweede plaats is het dezelfde betekenende zaak, n.1. Christus. In de derde plaats is het zelfde middel van toepassing, n.1. het geloof en in de vierde plaats is hetzelfde einde n.1. om te betekenen en te verzegelen.

De verschilpunten zijn de volgende: Ten eerste in het uitwendig teken. Toen, de besnijdenis van de voorhuid, offeranden en een paaslam. Nu, water, brood en wijn. Toen wees het sacrament op Christus, Die komen zou; nu op Christus, Die gekomen is. Toen was het sacrament duisterder, nu klaarder, zoals alle toekomstige zaken donkerder zijn dan de tegenwoordige. Eindelijk in de lichtheid van het gebruik. Toen was de besnijdenis smartelijk, de offeranden en het paaslam kostelijker en nu zijn zij lichter.

A. K. te R. vraagt wie niet en wie wel aan het avondmaal mag komen.

Antwoord: Brakel geeft daarop een antwoord. Hij zegt: Het Heilig Avondmaal moet niet bediend worden voor de doden, want die zijn op hun plaats, waar ze eeuwig zijn zullen.

Het avondmaal moet niet bediend worden aan stervenden, want die zijn niet in staat, om door het geloof het teken met de betekenende zaak te verenigen en als een zegel zich toe te passen. Het moet ook niet gegeven worden aan kinderen, omdat ze niet in staat zijn zichzelf te beproeven en om gelovige toepassingen door het sacrament te maken. Ook niet aan ongedoopten, dewijl niemand eten kan, zo hij niet eerst geboren is en niemand aan de maaltijd met de kerk kan aanzitten, of hij moet eerst zijn in de kerk en tot een lid van dezelve aangenomen zijn. Ook moet het niet bediend worden aan die vreemd zijn van de ware leer, aan de ongelovigen, die buiten zijn, hetzij zij nooit tot de kerk behoord hebben, hetzij dat ze geëxcommuniceerd zijn, zolang zij in die staat zijn, dewijl zij geen deel hebben aan de beloften, aan Christus, aan de gemeenschap der heiligen. Maar het moeten ware gelovigen zijn. De ware gelovigen alleen hebben voor zich zeiven recht aan de beloften, aan Christus, aan de gemeenschap der heiligen, en zo ook aan de bondtekenen; maar de kerk oordeelt niet van het inwendige, de kennis van eens anders wedergeboorte is de grond niet, waarop zij iemand aan de heilige tafel laat gaan; maar zij laat toe allen, die verstandige belijdenis doen van de ware leer des Evangelies en die een leven leiden, dat met de belijdenis overeenkomt.

A. K. te R. 1 Thes. 4 : 14. Waar moet de komma staan? Achter „Ontslapen zijn" of achter „ontslapen zijn in Jezus? "

Antwoord: We houden het maar bij de „Statenvertaling." Die zet de komma achter „Jezus." De tekst luidt dan: „Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem." Zetten we de komma achter „ontslapen zijn", dan riekt dat naar algemene verzoening. U zult misschien zeggen: „Het verband waarin de tekst voorkomt, sluit dat beslist uit." Dat weet ik nog niet. We kunnen geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, maar dat betekent dan nog niet, dat degenen die ontslapen zijn met Jezus wedergebracht zullen worden met Hem, n.1. ten laatste dage, in het oordeel. (St. Vert.) Alleen zij, die ontslapen zijn in „Jezus, " zullen met Hem wedergebracht worden.

Een van de ouden merkt bij deze tekst het volgende op, dat ik u niet wil onthouden.

„Laat ons niet denken, dat na het sterven de ziel in gevoelloosheid slaapt. Heden zult gij met mij in het paradijs zijn, fluistert Christus ieder stervende gelovige toe. Zij slapen in Jezus, doch hun zielen zijn voor God, Hem dag en nacht prijzende in Zijn tempel en voor de troon halleluja's zingende voor Hem, Die hen van hun zonden gewassen heeft in Zijn bloed.

Hoedanig is die slaap? De moegezwoegde gelovige slaapt rustig, gelijk het vermoeide kind aan de borst zijner moeder sluimert. O, zalig zij, die in de Heere sterven. Zij rusten van hun arbeid. Hun stille rust zal nimmer verbroken worden, totdat God opstaat, om hun het volle loon te geven. Door engelenwachten bewaakt, achter de gordijnen van eeuwige geheimen verborgen, slapen zij als erfgenamen der heerlijkheid voort, totdat de volheid des tijds de volheid der verlossing zal aan het licht brengen.

Welk een ontwaken zal het hunne zijn? Zij werden vermoeid en afgetobd in hun laatste rustplaats neergelegd; maar zo zullen zij niet opstaan. Het gerimpeld zaad, zo ontbloot van vormen en schoonheid, rijst op uit het stof als een heerlijke bloem. De winter des grafs maakt plaats voor de lente der verlossing en de zomer der heerlijkheid.

Zalig zijn zij, die in Jezus rusten."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.