+ Meer informatie

Even buurten (1)

7 minuten leestijd

Wie doet alsof hij geen buren heeft, kan zich op eigen erf misschien best vermaken, maar hij zal in een dicht bevolkt land als het onze — in de wijde gebieden van Amerika of Zuid-Afrika moge het anders, minder merkbaar zijn — het verwijt van excentriciteit, van levensvreemdheid moeilijk kunnen ontgaan, in elk geval het gevaar daarvan al te gemakkelijk lopen.

Ook een krant, een tijdschrift heeft „buren”, bladen die gelijk of gelijksoortig uitgangspunt en/of doel hebben. Zo kunnen we ook van „buren” van ons blad, Ambtelijk Contact, spreken. Dat zijn dan bladen die zich bezig houden met het ambt, de ambtsdragers en het ambtswerk in de kerken. Het leek de redactie goed eens aandacht aan deze „buren” te geven in een apart artikel. Veel contact bestaat er niet: over en weer elkaar eens eiteren, soms een artikel van elkaar overnemen — dat is zowat alles. Overigens doen we alsof we van elkaars bestaan niet of nauwelijks weten! We willen nu eens even „buurten” om onze lezers wat nader met onze „buren” te laten kennis maken.

We kunnen van „buren” in meervoud spreken. Dat meervoud hangt natuurlijk samen met de verscheidenheid van kerken die we „rijk” zijn. Men moge die verscheidenheid als „verscheurdheid” laken en betreuren, dan wel als „pluriformiteit” min of meer appreciëren, dat verandert niets aan het feit dat die verscheidenheid er is. ’t Zou levensvreemd zijn en tot het excentrieke leiden daarvoor de ogen te sluiten en de astrante houding aan te nemen van: zij kunnen mij niets meer leren! De vraag wat er gaande is bij de „buren”, hoe zij hun eigen problemen zien alsmede de zaken die allen raken, en wat zij ermee doen — om van „oplossen niet te spreken — is zeker niet onbelangrijk, misschien alleen al om heel gewone menselijke nieuwsgierigheid te bevredigen, maar niet minder om zo mogelijk meer inzicht in en vat op de eigen situatie te krijgen.

Hoeveel „buren” ons blad heeft, weet ik niet exact. De redactie heeft relatie met een viertal „buurbladen”, te weten: „Het diakonaat”, kontaktblad voor de gereformeerde diakonale arbeid (uitgegeven door de deputaten voor de algemeen diakonale arbeid der Gereformeerde Kerken in Nederland — het oudste blad: momenteel bezig met de 72ste jaargang), „Ouderlingenblad”, maandblad voor ambtsdragers van de Gereformeerde Kerken in Nederland (momenteel de 52ste jaargang), „Woord en dienst”, veertiendaags orgaan voor het hervormde kerkewerk (uitgegeven door de Hervormde Raad voor pers en publiciteit (nu bezig met de 24ste jaargang) en „Dienst” (uitgegeven door het Comité voor de centrale diakonale conferentie van de Gereformeerde Kerken — vrijgemaakt — in 1975 de 23ste jaargang). Naar anciënniteit gerekend zijn onze „buren” heel wat bedaagder dan wij zelf!

Wanneer we nu gaan „buurten”, kunnen we gaan kijken hoe een bepaalde zaak bij de een wordt benaderd en hoe diezelfde zaak door de ander wordt aangepakt. Heeft de eigen signatuur betekenis voor die benadering, die aanpak? Hangt die signatuur — zoals te verwachten is — samen met het principe (de kerk?) die achter dat blad zit? Wanneer we ons beperken tot de huidige jaargang, dan blijkt een — laten we zeggen: dwarsdoorsnede niet zoveel op te leveren. Zaken die bij meer dan één buur aan de orde werden gesteld, waren er sporadisch (tenminste expliciet aan de orde gesteld). Daarom lijkt het verkieslijker gewoon eens te overzien wat er zo al bij de „buren” gaande is geweest dit jaar. Dat kan attenderen op wat elders de aandacht trok en misschien onder ons nauwelijks aan de orde is gekomen, maar natuurlijk wel kàn komen. Dat kan ook oriënteren inzake eigen problemen e.d. waardoor hopelijk inzicht verdiept en uitzicht verbreed wordt. Uiteraard gebiedt de plaatsruimte sterke beperking hierbij in acht te nemen. In geval het min of meer „verwijzend” buurten iemands interesse wekt zelf „op bezoek” te gaan — zelf bedoeld nummer te lezen — en dat niet te realiseren blijkt, dan is het altijd nog mogelijk Uw redactie te vragen die zaak zelf aan de orde te stellen!

De voorrang gevend aan het oudste buurblad, beginnen we met het

Het Diakonaat.

Vier nummers liggen voor me: januari tot en met april 1975. „De opvang van de werkloze mens” is een steeds actueler zaak vandaag, waaraan de gemeente niet voorbij mag gaan. Van de „Voorlichtingsmogelijkheden over de algemene bijstandswet” profiteerden bijna 400 diakenen (Herv. en Geref. — slechts 9 Chr. Geref.!! — maar een verslag is verkrijgbaar). Interessant is een artikel van prof. Verkuyl over „Aktiegroepen en de kommunikatie van het christelijk geloof in Nederland”. Deze groepen vinden veel genade in de ogen van prof. Verkuyl, maar dan wel zo dat zo wat alles er onder valt wat gewoonlijk met „actie” wordt aangeduid. Het unkritische accepteren van en het gemanipuleerd worden door bepaalde ideologieën wordt onderkend, het gevaar van blikverenging niet vergeten, maar dat een „actiegròèp” wel een zeer gemarkeerde betekenis vandaag heeft die moeilijk met Oudtestamentische profeten enz. te vergelijken is, wordt m.i. wat al te gemakkelijk veronachtzaamd, en dat een dergelijke gróép vaak weinig respect toont voor de democratische „spelregels” verdwijnt helemaal achter de horizon. Is het een soort „bedrijfsblindheid” wanneer gesteld wordt dat deze groepen de overgang vormen „tussen een Christendom dat het woord centraal stelt naar een Christendom van de daad … dat om Christus’ wil werkt aan persoonlijke bekering en transformatie van de samenleving”?

Een ander artikel dat typerend geacht kan worden, is wel dat van drs. Koetsier dat vertelt over een „werkdag” in 1974 gehouden over het thema „verandering”, een gewild thema tegenwoordig. De vele veranderingen die op gang zijn gekomen, laten de gemeente niet onberoerd. Gelukkig is er de laatste twintig jaar grote openheid daarvoor gekomen in de Geref. Kerken, al ging het gepaard met grote spanningen. Apodictisch wordt dan gesteld dat verwijzing van de samenlevingsvragen naar de christelijke organisaties niet meer gaat; de gemeente is kennelijk zo „mondig” geworden dat ze zonder „heeroom” die vragen niet meer aan kan: de veranderde visie op de taak van de kerk wordt door velen aanvaard. Dat woorden als „consumptie” en „prestatie” in dit kader niet ontbreken, zult U wel verwacht hebben. Die komen ook in een ander artikel aan de orde: „Bezetten of bezeten zijn”. De bedoeling is op te roepen tot een nieuwe manier van leven. Maar het lijkt me gemakkelijker een dergelijke oproep van achter een synodale tafel te lanceren dan in praktijk te brengen wanneer men moeite heeft de eindjes aan elkaar te knopen! Wordt niet wat al te lichtvaardig over economie en werkloosheid gepraat? Is het niet een beetje goedkoop om de slachtoffers van een inzakkende economie en van een groter wordende werkloosheid naar de overigens zeer Bijbelse „onthechting” te verwijzen? We hebben jarenlang ons wijsgemaakt dat wij mensen in staat zijn de conjunctuur te beheersen en zagen wat meewarig naar de vooroorlogse tijd dat men zo wijs (nog) niet was, momenteel krijgen we bij de huidige conjunctuur enig vermoeden ervan dat het leven iets gecompliceerder is dan economen èn theologen dachten. Of de laatsten al zover zijn dat ze dat ontdekt hebben kan betwijfeld worden, gelet op het gemak van veler beweringen.

Zo ongemerkt komt er een kritische noot in dit betoog dat in hoofdzaak releverend zou zijn. Daarom haast ik me terug naar de andere artikelen in Het Diaconaat die het vermelden waard zijn. Het januari-nummer vertelt over „Ambtsdragers in Rusland, Hongarije, DDR” — dat het ambtsdrager-zijn in de landen met het ongebreidelde kapitalisme naar communistische snit geen sinecure is, wordt wel duidelijk. Verder geeft dit nummer een artikel over „Christelijke filantropie in de 19e eeuw”. Het februari-nummer informeert uitvoerig over „Diakenen en bezoekdames”: de samenwerking met en verhouding tot gemeenteleden die uit enig georganiseerd verband mede-gemeenteleden bezoeken (zusterhulp, ziekenzorg enz.). Het nummer van maart biedt een artikel over „De buitenlandse arbeider en het diakonaat van de kerk”, over „Synode schrijft bedrijfsleven over Zuid-Afrika”, over „Nederlanders in Zweedse gevangenissen” en geeft een rubriek „Uit de diakonale praktijk”. Met dat laatste begint het april-nummer: „Diakonaat in Naaldwijk”, dat naast allerlei gegevens ook laat kennis nemen van een een overgenomen artikel „Lof van ’t calvinisme” en aandacht schenkt aan het jaar van de vrouw. „Je zult maar vrouw zijn” (van mevr. C. M. van Heemstra die attendeert op de „maatschappelijke onzichtbaarheid” van de Afrikaanse vrouw, wier persoonlijkheid en verantwoordelijkheid wordt „weggewerkt”).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.