+ Meer informatie

De kunstgrepen van veilingmeester Jan Pieter Glerum

6 minuten leestijd

"Bieden tegen de muur" heet een slimme truc van veilingmeesters die de prijs van het kunstwerk, in opdracht van de eigenaar, proberen op te drijven. De veilingbaas doét dan soms net alsof daar achter in de zaal iemand meebiedt, terwijl dat niet het geval is. „Wij leven van de hebzucht van u, van mensen met dollartekens in hun ogen. Wij zeggen, als u op de veiling een waardeloos schilderij of stuk antiek inbrengt, niét: dat is onbruikbare troep. Maar wij zeggen: de markt is nu nog niet rijp voor dit kunstwerk, mevrouw".

Dit is slechts een van de kostelijke opmerkingen die de Haagse veilinghuis-eigenaar maakte tijdens de vierde Catharina-lezing in Gouda. Die lezingen worden jaarlijks gehouden in het Gouds museum het Catharina Gasthuis en ze gaan over kunst, antiek en aanverwante thema's. Vorig jaar sprak drs. J. D. van Dam, conservator keramiek van het Rijksmuseum, over de vroeger zo befaamde Goudse plateel-industrie.

Catharina-lezing

Dit jaar was Glerum, vroeger bij Mak van Maay en Sotheby's in Amsterdam en sind 1989 directeur van Glerum Kunsten Antiekveilingen, aan het woord over "Kunstgrepen op de veiling". Glerum presenteert ook een tv-programma over veilingen, "Eenmaal andermaal", vergelijkbaar met het programma "Tussen Kunst en Kitsch" van Cees van Drongelen (die ook een boekje en een serie tijdschriftafleveringen onder die naam uitbrengt). Glerum is echter in alle opzichten een man van de praktijk, die zijn Goudse lezing -meer een causerie boordevol anekdotesopsmukte met tal van eigen belevenissen.

Zoals deze over een expertise-dag in Leiden, waar eigenaars van (vermeend kostbare) kunst en antiek hun voorwerpen kunnen laten taxeren en inbrengen op de veiling. Daar komen dan een 6000 man met elk drie objecten, te beoordelen door twaalf experts. En dat levert dan soms acht voorwerpen voor de veiling op! „Maar ook 120 Toorop-reprodukties en 56 van Han van Meegeren en 250 Regout-bordjes van vier tientjes en 99 waardeloze theeserviezen uit Japan. En dan moet je al die mensen toch aardig blijven toespreken: nee meneer, dat stuk is geen twaalf mille waard, maar slechts 50 cent. Nee mevrouw, helaas is de markt nog niet rijp voor dit stuk".

Tragiek

„Er gaat vaak een wereld van tragiek schuil achter een veiling: sterfgevallen en noodgedwongen verkoop van het familiebezit, echt- en boedelscheidingen, de verhuizing naar een bejaardentehuis, gewoon geldgebrek. We worden soms cynisch in dit werk. Als een voorwerp generaties lang in de familie is en beschouwd wordt als echt en waardevol kunstwerk en ik moet vaststellen dat het een goedkope reproduktie is, dan doet dat pijn. Soms worden er op veilingen echter idiote prijzen betaald voor dingen die op zich genomen niet waardevol zijn".

„Voor een beduimeld Kuifje-stripboek wordt 200 tot 300 gld. neergeteld en fan Pieter Glerum in zijn typerende houding tijdens een Foto Catharina Gasthuis, Gouda wie het originele, niet in het Nederlands verschenen, "Kuifje in het land der Sovjets" heeft, kan er -wat soms gebeurde!- 30 mille voor maken. Er worden oude teddyberen geveild voor een ton en treintjes voor 30 mille. Er zijn waardeloze Chinese theepotjes, maar ik heb ook wel een Japans potje geveild voor 10.000 gld. Ik verzamel zelf trouwens ook van die potjes".

Glerum, die erkende dat er in het veilingwezen een moordende concurrentie heerst, zette uiteen hoe het kan dat één schilderij van Isaac Israels zes ton waard is, terwijl een ander werk van hem slechts twaalf mille 'doet'. Hoe beoordeel je als taxateur nu wat echt en wat kwaliteit is en wat niet?

Repodukties

Hij vertelt eerst hoe een arts hem woedend de deur uitschopte, nadat Glerum had ontdekt dat al de duur gekochte Schelfhouts van de man pure vervalsingen bleken. „Dat had-ie maar een deskundige in de arm moeten nemen. Zoals ook een Philipsdirecteur de mist inging met acht 'echte' doeken van Kees van Dongen, gekocht voor slechts 80 mille. Maar één Van Dongen kost tegenwoordig al gauw anderhalve ton, dus de zakenman had kunnen weten dat hij 'getild' werd".

De prijs van een kunstwerk is ook afhankelijk van de mate van restauratie en de plaats van het te restaureren deel van het schilderij: als een gezicht op een doek gerestaureerd is, is het minder waard. Dat geldt ook voor vazen en kasten: wat is eraan hersteld, waar en hoe? Ook de faam van de kunstenaar doet de prijs stijgen. Er is veel modieus gedoe: als verzamelaar Frits Becht een werk van een nog niet zo bekende meester in zijn collectie opneemt, stijgen ook diens andere werken in prijs. Ook als erover in voorname bladen gepubliceerd wordt of als een werk van een moderne kunstenaar door een museum wordt aangekocht, gaat ook zijn andere werk in prijs omhoog.

Mode en smaak

Dat mode en smaak sterk kunnen wijzigen, lichtte Glerum toe aan de hand van werk van Isaac Israels en diens vader Jozef Israels en hun beider waardering in de loop der tijden. Jozef ("Haagse School") werd in zijn tijd al als een 'herboren Rembrandt' gezien en was anno 1900 al 40 tot 50 mille waard. Maar anno 1992 is hij in zoverre gekelderd, dat hij nu 'slechts' 60 tot 100 mille opbrengt. De 'jongere klassieken' uit de jaren 1900-1930 (Leo Gestel e. a.) ?ijn nu veel duurder. Isaac Israels kostte toen soms 1200 gld. (omgerekend is dat nu wel 25 mille), maar in 1931 werd hij op een veiling verkocht voor vijf tot maximaal 300 gld. In de jaren zestig herontdekt, is hij nu zeer duur.

Van groot belang is ook, aldus Glerum, in welke periode van de kunstenaar het werk geschilderd is: een jonge Karel Appel uit 1939 is slecht geschilderd, maar wordt duur verkocht; zijn beste jaren waren van 1945 tot '53; wat daarna komt, is aanzienlijk minder waard. Ook de al of niet aangename voorstelling bepaalt de prijs: vanitas-stillevens met schedels (die in de 19e-eeuw soms weggewerkt werden!), zijn nu minder waard. Vis-stillevens zijn nu onverkoopbaar, evenals begrafenisstoeten. Daarentegen is een winterlandschapje altijd duurder dan een zomerlandschap, en een kalme zee duurder dan een woeste zee met dode zeelui, naar ons toelopende schapen (Mauve's "Sheep coming") duurder dan "Sheep going" en vrouwelijke naakten duurder dan de totaal onverkoopbare mannelijke naakten.

Kijkdagen

Bezoek vooral de kijkdagen, vindt Glerum, want daar mag je alles aanraken. „Je vóélt een 17e-eeuwse roemer; die is veel lichter dan een 19e-eeuwse namaak. Je voelt een oude kast: daarvan zijn de kantjes door eeuwen boenwas afgezwakt en onscherp geworden. Ga bij een veiling echter altijd óp je handen zitten, dan voorkom je te snel en te hoog bieden". Hij zette ook de 'grote oplichtingstruc' uiteen. Als de minimumprijs bijv. elf mille is en er wordt niet of te laag geboden, dan ga je 'zwemmen' en je past naast een rampen- en een pret-scenario soms de truc met de pseudo-bieder toe: bieden tegen de muur.




Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.