+ Meer informatie

INDIEN JE BROER TEGEN JE ZONDIGT

8 minuten leestijd

ALTIJD VERGEVEN?

Moetje als christen altijd, onvoorwaardelijk vergeven? Dat is een vraaq die we in het pas-toraat tegenkomen. Veel mensen hebben meegemaakt dat anderen hen pijn aangedaan hebben. Ze weten niet goed hoe ze daar in geloqf mee moeten omgaan. Lief de bedekt alle dingen, maar mag je met de mantel der liefde ook een beerput bedekken? Hoe spreekt de bijbel over vergeven? Hoe kunnen wij dat toepassen in ons eigen leuen?

LET GOED OP!

Als uitgangspunt voor dit artikel neem ik het begin van Luc. 17. Christus geeft daar aanwijzingen voor het omgaan met zonde en vergeving die we voorzichtig kunnen overzetten in het pastoraat. De Here Jezus biedt geen recept, wel de hoofdlijn. In vers 1 en 2 Staat: Een discipel van Jezus verleidt anderen niet tot zonde. In 3 en 4: Een discipel van Jezus doet iets aan de zonden van anderen: hij bestraft en vergeeft. Een christen verleidt niemand om te zondigen en te breken met God. Dan laat hij die persoon struikelen in een valkuil. Hij doet zelfs het omgekeerde. Als hij ziet dat iemand zondigt, grijpt hij in. Hij probeert hem met Gods hulp uit de valkuil van de zonde te bevrijden. Tussen de twee opmerkingen in, zegt Jezus: ‘Let goed op jullie zelf!’ Het luistert nauwkeurig!

INDIEN UW BROEDER TEGEN U ZONDIGT

Jezus stelt: ‘Indien uw broeder tegen u zondigt’. De ene broeder overtreedt Gods geboden tegenover de andere. Hij is liefdeloos, slaat, liegt, steelt, manipuleert, doet rare seksuele dingen. Op vele wijzen kunnen mensen elkaars leven stuk maken.. Wie zondigt tegenover zijn broeder, zegt de relatie met hem op. Wie zondigt tegenover zijn broeder, verbreekt ook de relatie met God. Tussen God en hem is een kloof gekomen door zijn schuld. Als slachtoffer van broederzonde beland je in een modderpoel van gevoelens en problemen. Jezus wijst een weg uit dit moeras.

BESTRAF HEM

Wat kun je doen om je broeder, die zondigt tegen jou, te veranderen? Christus zegt: ‘Bestraf hem!’ Dit ligt op één lijn met het handelen van zijn Vader. God is liefde (1 Joh. 4:8,16), maar Hij haat de zonde. Wat doet God als zijn volk zondigt? Hij stuurt profeten om de mensen het oordeel aan te zeggen. Dat doet Hij omdat Hij van ze houdt en ze wil redden. God vraagt berouw en bekering: schuldbesef en gedragsverandering. Je kunt ook anders reageren. Je kunt zwijgen. Dat lost niets op. De schuld bij jezelf zoeken werkt ook averechts. Sommige slachtoffers worden depressieve tobbers. Wraak uitoefenen helpt evenmin. Slachtoffers die haten, worden door hun eigen gevoelens verteerd. Daders worden gestijfd in het kwade gedrag. Direct vergeven hoort ook bij de verkeerde reacties. Jezus vraagt dat ook niet. Als wij dat doen, dekken we zonden toe. Te snelle vergeving herstelt de ge-broken relatie niet. Vergeven zondermeer laat bovendien geen recht geschieden. Bij God gaan liefde en recht hand in hand. Juist omdat Hij vanuit zijn liefde de zondaar wil redden, straft hij hem om bekering te bewerkstelligen. Relaties kunnen alleen maar goed komen als de dingen worden rechtgezet.

Als Jezus gezegd had: ‘Indien uw broeder tegen u zondigt, vergeef hem’, dan zou de misdadiger vrijuit gaan en het slachtoffer dubbel belast worden. Het slachtoffer heeft de last van wat gebeurd is en dan ook nog eens de plicht om te vergeven. Hij kan zich bovendien schuldig gaan voelen over zijn moeite om onmiddellijk te vergeven. Dat is de derde last op zijn schouders. Nog steeds kan de dader vrolijk rondlopen. Dat zou onrecht zijn!

ALS HIJ BEROUW HEEFT

Als een zondaar ernstig is toegesproken, heeft hij hopelijk berouw. Niet elk be-rouw is oprecht. Sommige mensen hebben alleen maar berouw om de eigen posi-tie te redden. Weer anderen hebben berouw uit angst voor de straf. Waaraan moet oprecht berouw voldoen? Iemand met oprecht berouw belijdt schuld, schaamt zich, erkent straf, verdedigt zichzelf niet, verlangt naar een nieuw leven en hij be-keert zich. Iemand met oprecht berouw zegt niet haastig: ‘Je vergeeft het me wel, hè!’, omdat hij aanvoelt, dat dit uit zijn mond misplaatst is.

Dat iemand zich bekeert van zijn zonden, is zijn eigen verantwoordelijkheid. Als hij dat doet, mag hij de Heilige Geest danken dat die hem zo van de ondergang heeft willen redden.

VERGEEF HEM

Als de zondaar berouw heeft, vraagt Christus dat wij hem vergeven. Een christen is zachtmoedig. Hij heeft de moed om te bestraffen en de mildheid om te vergeven. Zo wordt kwaad met goed doen verslagen (Rom. 12:21). Een zondaar vergeven kan, als we ons overgeven aan onze Heiland. Wij vergeven hem om Christus’ wil, die ons ónze zonden vergeeft (Ef. 4:32). Stefanus zag op Jezus en kon toen zijn bereidheid om te vergeven uitspreken.

Vergeven is ‘eraf trekken’, ‘loslaten’. Vergeving maakt mensen los van hun zon-dige verleden. Het is een wonder, als een dader berouw heeft. Dat is het ook als een slachtoffer vergeeft. Beiden zijn blij. Samen kunnen ze God prijzen voor zijn goedheid, dat Hij dit moment van berouw en vergeving geeft. De blokkade die er in de relatie gekomen was, is opgeheven.

Wonden genezen echter niet plotsklaps. Het proces van innerlijke genezing be-gint nu pas. Een feestelijke verzoening (Luc. 15) lukt niet altijd.

Hoe vaak moeten we vergeven? Jezus zegt: als iemand zeven keer tegen je zondigt en zeven keer berouw heeft, moet je elke keer vergeven. Petrus vraagt: moet ik echt maar zeven keer vergeven? (Matth. 18:21). Dan doet Jezus er een schepje bo-venop. ‘Ik zeg u, niet tot zeven keer moet u uw broeder vergeven, maar tot zeventig maal zeven keer!’ (Matth. 18:21–22). Dat is duidelijk. Als wij 490 keer iemand moeten vergeven, moeten we dat altijd doen. Let op: als híj 490 keer berouw heeft.

Als wij iemands zonden vergeven, betekent dat niet dat wij hem het recht doen kwijtschelden. Soms is een schuldbelijdenis voldoende, samen met de belofte van gedragsverandering. Soms kunnen we een schadevergoeding, of een vorm van dienstverlening vragen. Soms moet iemand zijn ambt opgeven als bewijs van berouw. Een dader kan zichzélf aanmelden bij de politie, als er sprake is van een misdrijf. Onze vergevingsgezindheid mag hem niet ontslaan van rechtsvervol-ging. Daarmee stemt hij juist in, als zijn berouw oprecht is. Hij ervaart dan de straf, die hij krijgt opgelegd, als een boetedoening.

ALS HIJ GEEN BEROUW HEEFT?

Als iemand geen berouw heeft, hoeven we hem niet te vergeven. Er valt dan niets te vergeven, want de dader heeft er geen spijt van. Wij kunnen zijn zonden niet van hem aftrekken, want hij blijft ze zelf vasthouden. Jezus zegt: ‘Indien het hem leed is, zo vergeef het hem.’ In Matth. 18:15 Staat ‘Indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen’. De dader moet willen horen en de zonde moet hem leed zijn. Pas dan kan er sprake zijn van vergeving. Jezus weet dat mensen de verzoening kunnen tegenwerken. Daarom brengt Hij in het bestraffen een opklimmende lijn aan (Matth. 18:15–18). Uiteindelijk mag de zondaar in de gemeente beoordeeld worden als een onbekeerde heiden. Dat is rechtvaardig. Het slachtoffer moet ver-gevingsgezind zijn. De dader moet daar dan wel voor openstaan. Kiest hij voor de zonde, dan wijst hij de genade af. Een slachtoffer laadt geen schuld op zich als hij iemand die in het kwade volhardt, niet vergeeft.

Zo liggen de zaken ook tussen God en mensen. Gods aanbod van genade is on-voorwaardelijk, maar geen automatisme. Mensen behouden zelf de verantwoor-delijkheid om zich te bekeren. Wie dat niet doet, krijgt met het oordeel te maken (Jon. 3:16–18).

Het gevecht om het behoud van de zondaar gaat door. We gaan door met bidden. In dat gebed kunnen wij ons rechtsgeding aan God overgeuen (Ps. 43). Dat behoedt ons voor bitterheid. Daarin mogen wij niet vastlopen. We bidden ook om een geduldige, liefdevolle houding. Eens houdt het echter op. God laat — niet vroeg, maar wel laat — zondaren los die zich tegen hem keren. Het mag, dat ook wij de strijd voor het behoud van een zondig familielid, of medegemeentelid opgeven. We doen dan geen pogingen meer om de dader tot verandering te bewegen of zelfs contact met hem te houden. Alles is al geprobeerd. Soms is het nemen van afstand tot die dader nodig om zelf psychisch het hoofd boven water te kunnen houden. Dat is een laatste realiteit.

WIE KAN DAT?

Meer gelooj? De leerlingen van Jezus reageren in Luc. 17 verslagen op Jezus’ woor-den. ‘Dat kunnen we nooit!’ Ze vragen daarom: ‘Vermeerder ons geloof!’ (vers 5). Daaraan werkt Jezus niet mee. Vechten tegen de zonde en zonden vergeven is niet iets voor bijzonder gelovige mensen. Het is voor gewone mensen, met misschien maar een klein geloof. Dat is genoeg om bomen te ontwortelen en bergen in de zee te werpen (Luc. 17:6, Matth. 17:20). Dat is ook genoeg om kwaad te overwinnen door goed te doen.

Literatuurtip: ‘Zeventigmaal zevenmaal? het dilemma van vergeven’ door dr. J. van der Wal in de bundel: ‘Rood als scharlaken, wit als sneeuw’. Aaldert van Soest (red.), Heerenveen 2006

De heer N.C. van der Voet (1958), wonende te Veenendaal, is als docent ethiek en pastoraat verbonden aan de Christelijke Hogeschool Ede.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.