+ Meer informatie

Een gekruisigde moordenaar aan zichzelf ontdekt

4 minuten leestijd

„En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn." Lukas 23:43

Op Golgotha hangen drie gekruisigden in onbeschrijflijke smarten, terwijl het volk de Middelaar bespot: anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelf verlosse, zo Hij is de Christus. Naar het verlossingsplan van eeuwigheid kon Hij Zichzelf niet verlossen. Dan zou God niet verheerlijkt worden en Zijn volk niet aan de zaligheid komen. Christus hangt hier niet voor Zichzelf, maar draagt Gods toorn en moet aan Gods recht voldoen om daardoor de Zijnen te verlossen. Eén van de kwaaddoeners lasterde Hem. Nog een ogenblik en Hij is in de eeuwige rampzaligheid. Zijn laatste krachten verzamelt hij om Jezus te bespotten. Hij openbaart hierin zijn blindheid en vijandschap, maar is ook een beeld van ons allen. „Wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg." In Adam hebben we ons van God afgekeerd. We zien hier dat lijden en straf op zichzelf de mens niet tot bekering brengen. Noch voorspoed, noch tegenspoed doet ons voor de Heere bukken als Hij er niet in meekomt.

Zoals de ene kruiseling spreekt is hij ook gestorven. Hij hangt naast de Zaligmaker, maar is niet in Hem begrepen. Vreselijk is zijn einde. Maar met de andere kruiseling gaat het zo anders. Beiden hebben hetzelfde bedreven. Beiden zijn ze gelijk wij allen in Adam van God afgevallen en veroordeeld tot de dood. Maar de andere is gerukt uit satans macht en heerschappij. Door de onwederstandelijke kracht van de Heilige Geest is hij van dood levend gemaakt en een toonbeeld van soevereine ontferming.
De Heere heeft onderscheid gemaakt waar het niet was. Duidelijk zien we bij hem de eigenschappen der genade. Uit liefde en hoogachting tot de Heere bestraft hij zijn medezondaar, waar hij niet boven staat. Zie vers 40 en 41. Hij veroordeelt zichzelf en rechtvaardigt de Heere en mag voor Hem invallen met een hartelijke droefheid vanwege de zonden. Door de werken der wet is God niet te bevredigen. Hij is Gods gramschap dubbel waardig en heeft ook geen grond in het belijden van zijn schuld, in zijn droefheid en smeken. Alles wordt te kort om voor God te bestaan. God is rechtvaardig en hij is schuldig en waar het nu van zijn kant onmogelijk wordt, daar laat de Heere hem niet omkomen, maar wordt de zaligheid in Christus hem ontsloten.

Vlees en bloed openbaart dit niet, maar door de Heilige Geest wordt het geloofsoog voor Hem ontsloten en noemt hij Hem Heere en spreekt van Zijn Koninkrijk. Hij belijdt Zijn grootheid. Hij is de Heere, de Eigenaar van alles, in het bijzonder van Zijn volk. Al is Hij veracht en hangt Hij aan 't kruis, zijn hart gaat naar Hem uit en hij mag de toevlucht tot Hem nemen en ondervinden dat de Heere Zich wendt tot het gebed van degene die gans ontbloot is. Nauwelijks heeft hij zijn gebed opgezonden of de Heere geeft hem antwoord. Voorwaar, het is een woord tot bevestiging van Zijn spreken. Het paradijs spreekt van de staat waarin de naar Gods beeld geschapen mens eenmaal stond in een rechte verhouding tot zijn Maker en in Zijn gemeenschap deelde. Maar hoe kan een mens nu in Gods gemeenschap delen? Door onze val is het onmogelijk van onze zijde, maar wat een heilgeheim: door de dood gaat het tot het leven. Als de Heere Jezus sterft gaat Hij in Zijn Koninkrijk en de moordenaar zal meegaan. Wat zou het voor hem geweest zijn zonder Hem? Hier vinden we een duidelijke toetssteen. Hemelzoekers zijn we allen van nature, maar die God zoeken vinden in alles buiten Hem de dood. Buiten Hem niets, in Hem alles. "Met Mij" en dat door Hem. De moordenaar zal ingaan met Hem. Gewassen in Zijn bloed en gereinigd door Zijn Geest zal hij bij de Vader worden voorgesteld en zal hij ingaan in de vreugde des Heeren. Ziel en lichaam worden gescheiden, maar zijn ziel zal eeuwig juichen.

Laat het niet op het einde van ons leven aankomen. Het is Gods gewone weg niet in het bekeren van de zondaar; de Heere doet dat hier om Zijn vrijmacht te bewijzen, maar ook om te tonen dat geen zondaar te slecht is om tot God bekeerd te worden en te ondervinden: wie zijn zonden belijdt en laat die zal barmhartigheid geschieden. De moordenaar is met Christus ingegaan in Zijn Koninkrijk met gebroken benen, door de drie-urige duisternis heen. Zo zal al Gods volk eenmaal ingaan door Hem, van Wie geen been zou gebroken worden. Daar zal geen zonde meer scheiding maken maar zal het bevestigd worden dat het is
door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.