+ Meer informatie

DE UITOEFENING VAN HET OUDERLIJK GEZAG

11 minuten leestijd

Terreinverkenning

Een bekend gezegde luidt: je kunt gelijk hebben, maar je moet ook nog gelijk krijgen. ledereen weet daar wel voorbeelden van te geven, bijvoorbeeld in het politieke bedrijf. Ook in het kerkelijk leven is het een aangelegen punt. Het is de kunst om argumenten zó naar voren te brengen, en dat ook nog eens op het juiste moment te doen, dat de mening van de vergadering doorslaat naar het beoogde doel.

Bij het gezag in het gezin is het niet anders. Dat ouders over hun kinderen gezag hebben, is duidelijk: in het voorgaande artikel is het bijbels beargumenteerd. Nu komt het er vervolgens op aan dat gezag uit te oefenen, en dat ook nog eens zó te doen, dat het aanvaard wordt door de andere leden van het gezin. Het is niet zo dat gezag verdwenen is wanneer het niet wordt geaccepteerd; wel is het zo dat het gezag dan veel van zijn waarde verliest en in ieder geval in de praktijk weinig uitwerkt. Met alle schadelijke gevolgen van dien.

Nu is het ondoenlijk om in een artikel als dit alle aspecten van het uitoefenen van het ouderlijk gezag tot in details te bespreken. Daarvoor zit er te veel aan vast. Er is zoveel variatie; bijvoorbeeld ten aanzien van de leeftijd van de kinderen; de mogelijkheden en spankracht van de ouders; de verdere huiselijke omstandigheden en maatschappelijke omgeving. Gelukkig zijn er genoeg uitgaven op de markt waarin deskundigen hun licht over de problematiek in vrijwel alle fasen van het gezinsleven laten schijnen. Het kan hier alleen om een algemene verkenning gaan, mede aan de hand van enkele voorbeelden.

Polen waarbinnen het gezag functioneert

Wie nadenkt over de uitoefening van het ouderlijk gezag in een christelijk gezin, komt al snel tot de ontdekking dat men dan telkens met “twee woorden” moet spreken. Te denken is aan “duidelijkheid en soepelheid”, of aan “binding en loslating”.

Duidelijkheid en soepelheid: kinderen en jongeren hebben in ieder geval behoefte aan duidelijkheid, of ze zich dat nu bewust zijn of niet. Met vaagheid in de ouderlijke regels is niemand gediend. “Grenzen en regels bieden structuur en houvast”, schrijft H. Janssen in Kinderen vragen om duidelijkheid, blz. 23. Maar wanneer de touwtjes al te strak gehouden worden, geeft dat vaak helaas weer de nodige ongelukken: het kind zelf gaat zich miskend voelen. Vele ouders zullen tussen deze twee polen met vallen en opstaan hun weg vinden. In dit verband denk ik aan Ef. 6:1-4, waar enerzijds de gehoorzaamheid van kinderen ten opzichte van hun ouders wordt aangeprezen als een gebod van God, maar waar anderzijds de ouders worden gemaand hun kinderen niet te verbitteren.

Binding en loslating: al naar gelang de leeftijd van het kind ligt de nadruk meer op het ene aspect, of meer op het andere. Naarmate je kind ouder wordt, komt er meer inbreng van zijn of haar kant, en verschuift de wijze waarop het gezag een plaats heeft in het gezin, totdat … het kind, volwassen geworden, op eigen benen staat en in eigen verantwoordelijkheid eigen wegen zoekt.

Respect en aanvaarding

Er is nog een ander begrippenpaar te noemen, namelijk respect en aanvaarding. Dat zijn niet zozeer twee polen als wel een tweetal vaststaande uitgangspunten waarbinnen in het christelijk gezin de onderlinge omgang, dus ook de gezagsrelatie een plaats heeft.

Aanvaarding betekent “in de allereerste plaats respect voor het kind als een waardevol persoon, respect voor zijn gevoelens, zijn mening en zijn persoon. Aanvaarding betekent warme aandacht en oprechte belangstelling tonen voor het kind” (Frieda Matthijs: Het kind centraal, blz. 24). Voor een christelijk gezin komt daar nog een heel belangrijke notie bij: we denken aan Rom. 15:7, waar de apostel oproept elkaar te aanvaarden, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods. Dat maakt dat ouders heel zuinig zijn op hun kinderen, en ze in die speciale verantwoordelijkheid ook aan de Here opdragen en ze uit Gods hand ontvangen.

Elke poging gezag uit te oefenen zonder de grondtonen van de respectvolle aanvaarding van het kind zal een keer schipbreuk leiden. Heiaas is het niet moeilijk daar voorbeelden van te geven. Zo lopen sommige mensen tot diep in hun volwassenheid rond met de gedachte: van mijn ouders mocht ik er eigenlijk niet zijn; ik werd niet voluit geaccepteerd; ik was er hooguit om aan hun wensen en bevelen te voldoen. Een ander voorbeeld - nog veel schonender -: in het Reformatorisch Dagblad van dinsdag 31 januari stond een anoniem ingezonden stuk van een vrouw die in haar jeugd te maken had gehad met een afschuwelijk incestgebeuren; het was een noodkreet van iemand die op een heel erge wijze onder de uitoefening van het gezag van haar vader had geleden…

Zó erg is het lang niet altijd; soms ook krijgt een kind het gevoel dat het wel vaak wordt gecorrigeerd, maar weinig positieve aandacht krijgt. “In het opvoeden zijn we te veel bezig met corrigeren. Almaar opletten of onze kinderen niet fout gaan (…) Mamma legde nooit eens een hand op mijn schouder” (Willy Bakker-Huizinga, Een hand op je schouder, blz. 7). Het luistert nauw, wil de door de Here God gegeven gezagsrelatie op de goede manier zich kunnen ontvouwen. Dat betekent dat we ons in het algemeen meer toeleggen op een harmoniemodel dan op een conflictmodel.

De ouders zelf

In de uitoefening van het ouderlijk gezag is de onderlinge verhouding tussen vader en moeder zelf een heel belangrijke factor. En wel op twee manieren. Om te beginnen ten aanzien van hun eigen huwelijk. Een harmonieus huwelijk straalt op de een of andere manier af in het gezinsleven; het komt de (gezags)verhoudingen ten goede. Bij ruziënde ouders zullen de kinderen nog wel gehoorzamen, maar er ligt een hypotheek op die onherroepelijk een keer betaald moet worden. “Uit de huwelijksgemeenschap tussen man en vrouw groeit de gemeenschap tussen ouders en kinderen op”, zo schreef wijlen drs. A. Vergunst al in 1977 in de bundel “Het gezin vandaag en morgen”, blz. 82.

Vervolgens is het nodig dat in de regels die in ieder huisgezin gelden, de ouders samen één lijn trekken. ledereen kent wel het voorbeeld van het kind dat heel handig van de ene ouder naar de andere weet te manoeuvreren om gedaan te krijgen wat het graag wil.

Spreken én luisteren

“Waarom moet ik altijd boodschappen doen?” “Omdat ik het zeg”.

“Waarom mag ik nooit naar de disco?” “Moet ik je dat nou nog weer vertellen? Nou is het afgelopen!”

Ongetwijfeld zal het bij iedereen wel eens in wanhoop zo ver komen, na de zoveelste keer. Maar te vaak komt het voor dat al of niet gerechtvaardigde vragen (in de ogen van de ouders) op deze manier worden afgeschermd. Zo kan het echt niet (meer). Om te beginnen al niet omdat allerwegen in onze samenleving het met elkaar overleggen, ook in gezagsverhoudingen, een niet meer weg te denken zaak is geworden. Alle inspraak en meedenken kan overdreven worden, maar het misbruik heft het goede gebruik niet op. De tijd is voorbij dat mensen iets doen omdat het nu eenmaal moet.

Vervolgens is het ook vanuit bijbels gezichtspunt alleszins te verdedigen om in de gezagsrelaties het onderlinge gesprek tussen ouders en kinderen te stimuleren. Ik wijs alleen maar op de ruime gelegenheid die Job krijgt, om tegenover zijn Schepper zijn Wachten te uiten en tegenwerpingen te maken. En is in de prediking - verkondiging van Godswege - de predikant ook niet “in gesprek” met zijn gemeenteleden, zij het dat dit nooit tot een dialoog mag verworden?

Spreken dus met je kinderen. Dat betekent echter tegelijk: luisteren. Terecht voelen kinderen zich genomen wanneer ze moeten merken dat hun woorden niet verwerkt worden. Het is heilzaam wanneer ouders in de opvattingen en meningen die ze aan hun kinderen willen overbrengen, zorgvuldig luisteren naar wat “van de andere kant” daarover wordt gezegd. Ik durf de stelling wel aan dat er iets mis is wanneer ouders nooit eens bij het in gesprek zijn met hun kinderen sommige dingen anders zijn gaan bezien. Hebt u nooit eens tegen uw kind(eren) gezegd: “Je hebt gelijk”?

Maar dat geldt ook andersom. Wanneer kinderen tegen hun ouders kunnen zeggen: “U hebt gelijk”, heeft de gezagsrelatie in kracht gewonnen. Het maakt de gezagsverhouding tussen ouders en kinderen altijd weer tot een heel boeiende zaak.

Overigens betekent dit wel dat ouders voor de uitoefening van hun gezag en voor de onderlinge verhouding met hun kinderen de tijd nemen. Praten en luisteren kost nu eenmaal tijd en mág ook tijd kosten. Als ouders moet je er ook voor zorgen dat je er énergie voor hebt. Dat is niet altijd eenvoudig: je zult als vader of als moeder maar een dag van hard werken achter de rug hebben. Ik betrap me er wel eens op dat ik dan denk: nu verder geen toestanden meer a.u.b. Dat geldt dan de gemeente - waar ik mijn werkterrein in vind - maar ook mijn gezin… Een dergelijke gedachte mag echter geen regel zijn. Daarvoor zijn de ons toevertrouwde kinderen te kostbaar en is de door de Here God gegeven verantwoordelijkheid te groot.Vooral mensen met een druk bezette agenda - ambtsdragers bijvoorbeeld! - zullen zich dit extra bewust zijn.

Zo zullen we samen met onze kinderen optrekken binnen het gezin en als ze groter worden, buiten het gezin. Al naar gelang de kinderen jonger of ouder zijn is het gesprek en zijn de gezagsverhoudingen anders gekleurd. Altijd weer is er veel wijsheid nodig in dat spreken en luisteren. Dat betekent ook dat er veel gebed nodig is om die wijsheid te ontvangen.

En als het toch nlet gaat?

Gelukkig is het niet overal zo dat kinderen al negerzoenen étend figuurlijk over de ouders heenlopen (of zelfs letterlijk, zoals ik eens hebben moeten meemaken, overigens buiten de eigen gemeente). Toch is het een eerlijke zaak om onder ogen te zien dat de uitoefening van het ouderlijk gezag soms helemaal spaak loopt. Ik bedoel nu niet die grotere of kleinere incidenten die in elk gezin wel voorkomen, ondanks al onze goede bedoelingen en alle goede handleidingen. Opvoeders leren het opvoeden met vallen en opstaan. Ik bedoel die situaties waarin de verhouding tussen ouders en kinderen echt uit de hand loopt. Ouders kunnen hun kinderen niet meer aan; de conflicten stapelen zich op; de rek gaat er zowel bij de ouders als bij de kinderen uit en zo komt men in een negatieve spiraal…

Om te beginnen is het van groot belang dat opvoeders onderling contact hebben en elkaar kunnen helpen. In de christelijke gemeente zijn daarvan goede voorbeelden: sommige moeders van jonge kinderen ontmoeten elkaar regelmatig op een koffieochtend en wisselen daar hun ervaringen uit, helpen elkaar zodoende. Volwassenencatechisaties zijn niet zelden aanleiding om met elkaar door te spreken over problemen rond de begeleiding van oudere kinderen. We kunnen veel voor elkaar betekenen, onder Gods zegen.

Soms zijn de problemen echter zo groot dat men eerlijk onder ogen moet zien: het gaat zo niet langer. Het is emotioneel heel moeilijk om dat te erkennen en hulp buiten de (afgeschermde) muren van het eigen gezin te zoeken. Toch kan niet genoeg benadrukt worden hoe belangrijk dat is, en wel in een vroeg stadium, om de schade zo beperkt mogelijk te houden. Soms zijn ouders - door verschillende oorzaken, soms door eigen onvermogen - echt niet in staat hun kind op te voeden; het gezag functioneert op geen enkele wijze. Dan moet er toch een keer ingegrepen worden, hoe pijnlijk dat ook is.

Soms is er met één van de kinderen zoveel aan de hand dat ouders er wat dat betreft, na veel bidden en proberen, praten en luisteren, harde woorden en zachte woorden, echt geen gat meer in zien. Oorzaken? Een veelheid van mogelijkheden.

Soms zijn kinderen onhandelbaar door verkeerde invloeden van buitenaf; soms zijn ze dat doordat ze pesterijen op school moeten verdragen (een “hot item” de laatste jaren); soms zijn er lichamelijke/psychische beschadigingen al vanaf de geboorte. Laat men hulp zoeken bij een professioneel bureau. Men neme het mij niet kwalijk wanneer ik het bureau noem dat namens onze eigen kerken in stand wordt gehouden. Onze diaconieën zijn lid van de Chr. Geref. Vereniging voor Jeugdwelzijn, gevestigd in Utrecht. Zowel voor permanente als voor incidentele hulp voor ouders en kinderen kan men daar terecht, hetzij voor een langer of korter durende vorm van hulpverlening, hetzij voor een verwijzing naar een ander, meer specialistische vorm van hulpverlening.

Ik ben mij - het zij nogmaals gezegd - bewust van de moed die nodig is om die stap te zetten: wie loopt graag met zijn problemen naar een ander? Maar echt, met schaamtegevoelens gaat het niet over. En… leven wij allen niet van de hulp die van boven komt? Belijden we dat niet iedere zondag en zou dat dan ook niet gelden van de hulp die we elkaar onder Gods zegen mogen aanreiken?

Enlge literatuur

Tenslotte enkele titels van boeken die, hetzij in meer algemene, hetzij in meer specialistische zin verder kunnen helpen in de bezinning:

- Hans Janssen: Kinderen vragen om duidelijkheid. Uitg. Boom, Meppel-Amsterdam, 1989

- Frieda Matthijs: Het kind centraal. Uitg. Garant, Leuven-Apeldoorn, 1991

- Ouderlijke (on)macht, themanummer maandblad Jeugd en samenleving (Utrecht), mei 1976

- J. van der Graaf en I.A. Kole (red.): Het gezin vandaag en morgen. Uitg. Boekencentrum, Den Haag, 1977

- ds. J. van Amstel e.a. (red.): Christelijk gezinsleven, idem 1990

- Willy Bakker-Huizinga: Een hand op je schouder. Uitg. Kok-Voorhoeve, Kampen. 1991.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.