+ Meer informatie

EEUWIG VERLOREN?!

8 minuten leestijd

Is het ‘onuitblusbaar vuur’ langzamerhand - ook onder ons - uitgeblust, of geloven we nog in de realiteit van het ‘voor eeuwig verloren’ zijn? Iemand schreef: ‘De hel is verdwenen, en niemand had het in de gaten’. De leer van de eeuwige straf is geen mooi onderwerp om over na te denken, maar wel een noodzakelijk onderwerp. In de Bijbel - en met name het Nieuwe Testament - blijkt het een belangrijk aspect te zijn van de christelijke leer. Men kan het geen centraal thema noemen van de Bijbelse boodschap, maar wel krijgt de realiteit van de hel grote nadruk. En dat juist in de context van het Evangelie en niet het minst in de woorden die Jezus Zelf gesproken heeft met diepe ernst. Niemand sprak er meer over dan Hij…. Wanneer in dit artikel over ‘hete hangijzers’ aandacht gegeven wordt aan de realiteit van het ‘voor eeuwig verloren’ dan is dat uiteraard zeer beperkt. Eerst worden enkele misverstanden genoemd. Vervolgens zal een korte typering gegeven worden van wat de Bijbel bedoelt met ‘eeuwig verloren’. Tenslotte worden enkele lijnen getrokken die de samenhang laten zien tussen de leer van de hel en 1. de Godsleer, 2. de leer van de zonde en 3. de leer van Christus.

VALT HET MEE?

Laat ik om te beginnen twee dingen aanstippen op grond waarvan - wellicht onbedoeld - de indruk gewekt wordt dat het met de hel allemaal wel meevalt.

In de eerste plaats wordt de (geruststellende) gedachte gekoesterd dat het toch allemaal alleen maar beeldspraak is. Immers, hoe kan een plaats tegelijkertijd aangeduid worden als ‘de buitenste duisternis’ en als ‘onuitblusbaar vuur’? En er is inderdaad veel voor te zeggen dat er sprake is van metaforen: woorden die gebruikt worden om een bepaalde boodschap over te dragen zonder dat ze letterlijk waar zijn. Maar - en dat is een heel wezenlijk punt - metaforen worden gebruikt om werkelijkheden te beschrijven die groter zijn dan zich in woorden laten uitdrukken! Met andere woorden: de hel zelf is geen metafoor, maar werkelijkheid. De vele metaforen die gebruikt worden duiden op een werkelijkheid die afschuwelijker is dan de woorden zelf kunnen uitdrukken. Het gaat juist om een verlorenheid die alle woorden te boven gaat. Wanneer op een metaforische manier gesproken wordt over ‘ik kreeg een klap in mijn gezicht’ dan is die klap geen metafoor in die zin dat ik slechts ‘bij wijze van spreken’ een klap kreeg, maar in werkelijkheid niets voelde. Integendeel, het duidt juist aan dat die klap je nog veel meer pijn deed - innerlijk - dan een letterlijke klap in je gezicht.

Het tweede wat ik noem is de gedachte dat met het woord ‘eeuwig’ niet meer gezegd is dan ‘voor een lange tijd’. Het is ontegenzeggelijk waar dat het gebruik van het woord ‘eeuwig’ in de Bijbel in die zin ook wel gebruikt wordt en dat we dit woord niet zondermeer kunnen lezen als ‘eindeloos lange tijd’. Van belang is ook hierbij dat we het woord in de context laten spreken. Ik volsta daarom met slechts één voorbeeld waaruit blijkt dat het woord ‘eeuwig’ voor hemel en hel dezelfde werkelijkheid uitdrukt. Wie de hel ‘slechts’ een eindige tijdsduur geeft, zal ook de hemel moeten voorzien van dezelfde kwalificatie. ‘En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven’ (Matt. 25:46).

DRIE TYPERINGEN

Bij iedere auteur van het NT komt het voor ‘eeuwig verloren’ ter sprake. Het zou nuttig zijn per Bijbelboek c.q. -schrijver eens na te gaan welke specifieke accenten gelegd worden. Hier moet volstaan worden met de meest op de voorgrond tre dende karakteristieken.

STRAF/PIJN

De belangrijkste omschrijving in het NT van de hel is die van ‘straf (lijden)’. Drie op de voorgrond tredende passages zijn: Matt. 25:31-46, 2 Thess. 1: 5-10 en Openb. 20:10-15. Het gaat hierbij om de vergeldende gerechtigheid van God. Deze straf is verdiend en rechtvaardig. De straf gaat samen met lijden, aangrijpender dan welk aards lijden dan ook (Mark. 9:42, 43). Dit lijden vanwege pijn en gewetenswroeging veroorzaakt ‘wening en het knersen van de tanden’, zoals de Heiland als typering gaf (Matt.8:12; 13:42, 50; 22:13; 24:51; 25:30). Te denken is hierbij aan de aangrijpende tekening die Jak. 5:1-5 geeft waarin de rijken in aanraking zullen komen met Gods rechtspraak over hun bedreven onrecht: ‘de komende ellende’, het ‘verterende vuur’ en de ‘dag van de slacht’.

ONDERGANG/VERDERF

Deze aanduiding wordt bijvoorbeeld gebruikt in de context van het ‘Alzo lief heeft God de wereld gehad…’(Joh.3:16) en bij de aanduiding van het eindpunt van de ‘brede weg’(Matt.7:13). Op grond van deze typering is de gedachte geopperd dat dit dus de vernietiging inhoudt van allen die verloren gaan. Men houdt dan op te bestaan. Dit zogenaamde conditionalisme redeneert wel logisch - bij ontbinding en verwoesting houdt het een keer op - maar geeft zich geen rekenschap van de betekenis van het woord in het NT (en de Septuaginta). Wanneer een munt verlo ren is gegaan, houdt die niet op te bestaan. Evenmin is zalf die uitgegoten wordf daarmee ‘in het niets’ verdwenen. Zij die in de hel zijn, hebben het doel van hei leven gemist en hebben hun leven verspild en verspeeld. Slechts een ruïne en vuilnis blijft over.

VERLATEN/VERBANNEN

De derde centrale gedachte bij het ‘eeuwig verloren’ is die van het voorgoed ‘bui ten’ zijn, de verlatenheid, de uitsluiting en scheiding (Matt. 7:21-23, Mark.9:42 48). Hier valt dus de nadruk op wat iemand mist. Hij is ‘buiten’ de bruiloftszaal (Matt.25:ll), buiten het nieuw Jeruzalem (Op. 22:14,15) en is zo verlaten, gescheiden van God. Hier staat het ‘met Mij’ tegenover het ‘ga weg van Mij’.

In de prediking dienen deze onderscheiden aspecten aan de orde gesteld te worden. Ook dit zou bij een kerkvisitatie eens aan de orde gesteld kunnen worden wanneer de vraag gesteld wordt of de predikant met de kerkenraad waakt voor een eenzijdige tekstkeus. Daarbij zal iedere dienaar van het Woord de vraag dienen te beantwoorden die de Schotse predikant Robert M. McCheyne zijn vriend Andrew Bonar stelde. Hij vroeg waar Andrew de vorige zondag over gepreekt had. Deze antwoordde: ‘Over de hel’. McCheyne vroeg hem daarop: ‘Heb je er over gepreekt met tranen?’. Een kille, onbewogen prediking maakt de prediking ongeloofwaardig en is in strijd met de gezindheid van de Here Jezus, die in tranen uitbarstte bij het zien van Jeruzalem dat verwoest zou worden. Het is dan ook niet de bedoeling van dit artikel om het bovenstaande te lezen als een gegeven ‘stand van zaken’. Integendeel, het besef van de realiteit van het ‘voor eeuwig verloren’ zal een gemeente werkelijk missionair doen zijn.

GODSBEELD EN MENSBEELD

Stuurt een goede God mensen naar de hel? Het is een veelgebruikte stok om mee te slaan naar de inhoud van het christelijk geloof. Ook binnen de christelijke gemeente zijn er mensen die met een beroep op ‘God is liefde’ de realiteit van het ‘eeuwig verloren’ ontkennen of in ieder geval verzwijgen.

De hel als straf tekent ons God als Rechter die de zonde zeer serieus neemt. De hel als verlorenheid en het verderf laat ons Hem zien als Overwinnaar over al het kwaad. God doet recht. Het onrecht gaat niet in een grote doofpot. De hel als de eeuwige verlatenheid toont ons God als de Koning die alleen zijn burgers de toegang verleend tot zijn koninkrijk.

Een beeld van God waarbij God in het verlengde van onze behoeften ligt, formeert een God die altijd zegent en troost en nooit oordeelt en straft. Zolang we kleine gedachten hebben over God, hebben we ook kleine gedachten over de zonde en daarmee gaat de gedachte gepaard dat voor eeuwig verloren toch niet in verhouding staat tot een aantal gebreken. Zo zullen we ook geen hoge opvattingen hebben over het werk van Jezus.

Juist de realiteit van de hel, de toorn van God over de zonde, laat ons zien: ‘God is liefde’.

DE ZOON OVERGEGEVEN

Een fletse opvatting over de hel geeft ook een vage, oppervlakkige opvatting over Jezus’ werk. Hij heeft, zo belijden we, de helse angst en pijn geleden naar lichaam en ziel (HC antw. 37, 44). Wie het ‘eeuwig verloren’ naar de achtergrond drukt in de christelijke leer ontdoet de klacht van de Godverlatenheid van zijn onpeilbare diepte en verkleint de liefde van de Vader ‘die zelfs zijn eigen Zoon niet spaarde’ (Rom. 8:32).

Bovendien wordt in het NT ons Jezus niet alleen verkondigd als Redder, maar ook als Rechter (Hand. 10:40-43).

TENSLOTTE

Zendt God mensen naar de hel? Ja en neen. Deze vraag ligt in dezelfde lijn als twee andere vragen. Stuurde God Jozef naar Egypte? Ja en neen. Neen: zijn broers hadden ten kwade gedacht. Ja: God had ten goede gedacht. Dezelfde antwoorden kunnen gegeven worden ten aanzien van het verraad door Judas en de kruisiging daaropvolgend (Luk. 22:22, Hand. 2:22, 23; 4:27, 28). Men kan niet zeggen: Judas werd door God naar het Sanhedrin gezonden om Jezus te verraden.

Wie God zoekt krijgt God, omdat God zoekt.

Wie zonder God wil zijn, zal zijn zin krijgen in de uiterste consequentie daarvan: eeuwig buiten God.

Zo bezien is het waar wat de bekende apologeet C.S. Lewis zei in zijn boek De grote scheiding, dat er slechts twee soorten mensen zijn. Mensen die tegen God zeggen ‘Uw wil geschiede’ en mensen tegen wie God zal zeggen ‘uw wil geschiede’.

Drs. M.J. Kater (1962) is predikant te Sint-Jansklooster en docent dogmatiek en apologetiek aan de TUA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.