+ Meer informatie

„OUDERLING EN KERKJEUGD” (I)

9 minuten leestijd

Het is niet zonüer opzet dat de titel van dit artikel tussen aanhalingstekens is gezet: „Ouderling en kerkjeugd”. Deze tekens worden gebruikt om - zoals de naam al zegt -aan te duiden dat het een citaat, een „aanhaling” is, hier als titel fungerend. Daar deze tekens bovendien wel dienen om extra aandacht op iets te vestigen, willen ze hier tevens het belang van het onderwerp aangeven.

De redactie bereikte het verzoek eens de aandacht te vestigen op een artikel dat onder de geciteerde titel gepubliceerd is in het blad „Dienst - uitgave van het Comité voor de Centrale Diaconale Conferentie van de Gereformeerde Kerken”, nl. in sept./okt.-nummer 1978, door de heer J.A. Knepper te Kampen.

In de bijna achttien jaar dat ons blad verschijnt, is herhaaldelijk aandacht aan de jeugd geschonken, al bleef het aantal artikelen dat expliciet over de jeugd handelde, tamelijk beperkt. Wel geteld zijn het er dertien! Er is geschreven over het huisbezoek („Gesprek met de jeugd op huisbezoek”, „Komt de jeugd voldoende aan bod?”, „Huisbezoek ook voor kinderen?”), over de jeugdouderling (drie artikelen plus een conferentie), over de jeugd in het algemeen („Kerk en jeugd”, „Pastoraat aan jongeren nu”) en over de jeugd in het bijzonder („Studentenwerk in Amsterdam” „Pastoraat onder studerenden”, „Pastoraat aan onze schooljeugd”) en een artikel over „De jeugd en de preek”.

U ziet, „ouderling en kerkjeugd” vormen een combinatie die nog niet afzonderlijk aan de orde is gesteld. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat wat de heer Knepper aan de orde stelt, totaal nieuw is. Allerlei dementen en aspecten die hij naar voren brengt, zijn of rechtstreeks of zijdelings ter sprake gebracht in de genoemde artikelen. Alleen de heer Knepper zet ze in dft verband zó uiteen dat het inderdaad waardevol is er aandacht aan te schenken.

De redactie van „Dienst” leidt het artikel in door te wijzen „op het feit, dat het met de kerkjeugd niet zo best is gesteld, doch ook anderzijds, dat er ook een deel is, dat actief is en goed meeleeft”, en beveelt „ter overweging en navolging” de „richtlijnen” aan die de schrijver geeft voor de „pastorale bearbeiding van de jeugd door de ouderling”. Ook al kan de genoemde constatering niet bepaald een nieuwe ontdekking worden genoemd - elke oudere generatie constateert wel iets dergelijks bij de jongere! - toch zijn de gegeven richtlijnen in de situatie van nu alleszins de overweging waard. In hoeverreze navolging verdienen? Dat zal voor een niet gering deel afhangen van zowel de objectieve als van de subjectieve verwerking van constatering èn richtlijnen!

De schrijver stelt allereerst de vraag:

1. WIE?

Van wie is de pastorale zorg een zaak? Het antwoord zal doorgaans zijn: van de predikant. Soms zelfs: van een gespecialiseerde predikant, een jeugddominee of een studentenpastor. De gedachte hier een taak te zien voor de „gewone” ouderling leeft - aldus de heer Knepper - „onder ons niet” (met „ons” worden hier bedoeld de binnenverbandse vrijgemaakten). Als hier een taak ligt voor de ouderlingen „dan zou je daarvoor een aparte - bij voorkeur een jonge - ouderling, moeten aanstellen” die zich door z’n gaven en opleiding ervoor kwalificeert. Zo’n figuur is in andere kerken „welbekend”, maar de Gereformeerde Kerken kennen het ambt van studentenpastor en jeugdouderling niet. De vraag blijft dan „door wie en hoe die pastorale zorg voor de jeugd bij ons wèl wordt gedaan”.

2. NOODZAAK.

De schrijver waarschuwt niet te optimistisch over de eigen kerkjeugd te denken, ook al is het niet juist die jeugd „als slechter en zondiger te zien dan de jongelui uit vroeger tijden. De kerkjeugd van déze tijd is zeker anders, soms zelfs gelùkkig anders, dan de jeugd van 25, 50 of 100 jaar terug. Maar uitspraken als: zij zijn vandaag slechter, zondiger, zorgelozer of wereldser dan toen, berusten op een optimistische vertekening van beeiden uit vroeger tijden”. Wel ziet hij de jeugd van nu meer dan toen als een bedreigde jeugd. Tot voor kort bepaalde de christelijke levensstijl het gedrag van de doorsneeburger in Nederland. Christelijke zeden waren normaal, naar de kerk gaan gewoon en zaken als echtscheidingen ongewoon. Vandaag is het preciesandersom: als christen leven, bijbelse normen vasthouden, ’t wordt als verouderd, belachelijk, dorn of inf anfiel afgedaan. „Leven, zoals het vroeger niet mocht, dàt wordt ons luid aangeprezen en voorgedaan”. Om in die bedreiging staande te blijven is een geestelijke wapenrusting nodig en oefening in hantering van wapens. Ouderlijke opvoeding is hier van betekenis, maar ook hulp, steun en troost door het bijzondere ambt „door de ouderlingen niet in de laatste plaats”.

3. TOESPITSING.

Het is moeilijk vast te stellen wat de meest bedreigde punten zijn: „Waar hebben vandaag onze doodsvijanden, de wereld, de duivel en ons eigen vlees, bressen geschoten in de vesting?” Uiteraard komt hier „heel sterk mijn visie op die dreigingen naar voren”. Het is mogelijk dat een ander andere gevaren veel ernstiger vindt, maar dat mag niet hinderen „de jeugd te helpen bij de Problemen, die hij meentte zien”. De heer Knepper wil dan de volgende noemen:

3.1. Het faien van de opvoeding in het gezin.

Een hele reeks van vragen wordt gesteld om de kernvraag te omschrijven: „Wat stelt de opvoeding in het gezin nog voor?” Vragen als: Is die opvoeding soms helemaal uitbesteed aan de (Gereformeerde) school, de kerk, de catechisatie, de vereniging? Wat doen de ouders aan de onderwijzing van hun kinderen? Leren kinderen de weelde van het ouderlijk gezag ervaren en leren zij gehoorzamen? Krijgen de kinderen zoveel vrijheid dat ze in feite verwaarloosd worden? „Om het eens heel sterk te zeggen: In sommige gezinnen leren de kinderen zelfs geen manieren, laat staan dat hen iets bijgebracht wordt van de vreze des HEREN”.

3.2. Verslaving en vlucht.

Veel ouderen - aldus de schrijver - menen dat de jonge mensen in een fantastische tijd leven. Ze hebben alles wat hun hartje begeert: ze kunnen studeren, als ze dat willen; ze hebben veel vrije tijd en veel vrijheid enz. Maar heel wat jongeren beleven de maatschappij van vandaag totaal anders: zonder toekomst, wanhopig, beklemmend, dreigend. Beter dan de oudere garde ziet de jeugd „dat onze rijkdom totaal verrot is”. „De neiging om weg te vluchten gaat aan de Gereformeerde jeugd niet voorbij”. Hij noemt dan „zwerven ergens in India of gaan werken in de kibboetsj in Israël” (!!),de vlucht in het „Zen-Boeddhisme, Yoga en Trancendente Meditatie” of een terecht komen bij „een dopers, wazig overgeestelijk Christendom, dat de wereld heeft afgeschreven” of een „sfeertje van, het schemerdonkere ,hol’, de oor- (en géést) verdovende muziek en ook de drank en de drug”. Vluchtend voor de „slavernij van het geregelde beroep, het geordende gezin, en voor alle dingen die vaste verplichtingen meebrengen, vallen ze in handen van slavendrijvers als de alcohol en de heroine. Meent niet - waarschuwt de schrijver - dat „onze kinderen voor dat alles niet vatbaar zijn”. Het percentage verslaafden en excessieve drinkers onder hen „is gelijk aan het landelijk percentage”.

3.3. Sex.

Een enquête onder de jeugd van de „buitenverbandse” kerken over het sexuele leven was nogal „onthutsend”. Enquêtes onder de eigen kerkjeugd werden niet gepubliceerd, maar doen geen betere uitkomst verwachten blijkens recent onderzoek: „Van de Gereformeerde jongelui in een bepaalde stad vindt de helft geslachtsverkeer voor het huwelijk toelaatbaar en een kwart van deze jongelui praktizeert dit ook”. Dit gaat samen met „gemakkelijke” opvattingen over bij elkaar overnachten, samen wonen, tolereren van alternatieve sexbeoefening e.d. „Sexbeoefening is lustbevrediging, die je jezelf niet behoeft te ontzeggen”.

3.4. Vermaak en sensatie.

Allerlei top- en popmuziek - vooral keihard - wordt gekend en meegezongen, niet alleen via radio en t.v., maar ook door het eigen bezit van grammofoonplaten met deze songs; het erbij behorende bewegen inbegrepen. „Olympische Speien, wereldkampioenschappen voetballen, Tour de Frances, voetbalcompetities worden intensief gevolgd”. Uitzendingen over allerlei sportgebeuren worden (ook zondags) beluisterd en bekeken. Vele ouders geven het kwalijke voorbeeld: weten alleen van zaken „die met genieten samenhangen”. „Werken en studeren zijn een noodzakelijk kwaad”.

3.5. Twijfel en ongeloof.

Bij de aanvallen op het geloof van ons en onze kinderen wordt lang niet altijd stand gehouden, niet de overwinning bevochten, maar de nederlaag geleden. Een deel van de jeugd gelooft nergens in (2 à 3 procent?). Een groter deel (10 à 20 procent) leeft in voortdurende twijfel: „Ben ik een kind van God? Is de Bijbel waar? Is de kerk wel de plaats waar ik het heil kan vinden? Ben ik wel bekeerd? Is in andere godsdiensten niet evenveel waarheid als in het Christendom? Wat betekent het geloof eigenlijk voor mij? (Wie zich herinnert hoe deze en dergelijke niet bepaald „onderscheidenlijk” gestelde zaken in vrijgemaakte kring als illegitiem werden/worden afgedaan -denk aan een discussie in een voorstadium van de Vrijmaking jaren geleden tussen ds. D. van Dijk en wijlen prof. Hovius - , kan zich voorstellen hoe de verwerking ervan vragen oproept). Voor de schrijver is het begrijpelijk dat „jonge mensen, die met zulke vragen zitten, niet warm lopen voor de kerk, het verenigingsleven en nog minder voor Gereformeerde organisaties”. Dat blijkt volgens hem uit de opstelling van vele jonge mensen ten opzichte van het G.P.V. „Wie open ogen heeft voor de strijd, die de satan met zijn legerscharen voert om oud en jong van het geloof te beroven is elke dag verwonderd dat zoveel jonge verbondskinderen het geloof weten te behouden”.

3.6. Geen paniek.

Hoe somber het geschetste beeld ook moge zijn, de schrijver wil geen paniek wekken: er is ook een opsomming te geven „van goede en blijde opstellingen van de jonge kerkleden”. „Honderden jonge mensen zijn vandaag actief in het werk van de evangelisatie, terwijl het nog niet zo lang geleden is, dat evangeliseren vrijwel uitsluitend als een taak voor ouderen werd gezien”. Een open oog is nodig voor „wat er vandáág speelt, om te weten waar we hulp moeten bieden en hoe we moeten vermanen”.

4. DE JEUGDOUDERLING.

De heer Knepper acht het „te begrijpen dat tal van kerken menen dat één of meer jeugdouderlingen geheel vrijgemaakt moeten worden voor de pastorale jeugdzorg”. Hoewel het niet uitdrukkelijk wordt uitgesproken, geeft zijn artikel wel de indruk dat hij gereserveerd staat tegenover dit instituut. Zonder nader commentaar citeert hij inzake de „taak die de jeugdouderling opgedragen krijgt” wat drs. G. Heitink en ds. H. Hogenhuis dienaangaande schrijven in „Kerk en jongeren” (blz. 102). Hier kan ook gedacht worden aan de taakomschrijving die ds. J.H. Velema destijds in ons blad concipieerde (Ambtelijk Contact 1967 -1971, blz. 665).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.