+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

7 minuten leestijd

32

Nadat Diabolus van de wallen vertrokken en naar zijn macht in ’t hartje van de stad gegaan was, keerde Immanuël zich ook naar Zijn leger. En zo stelden beiden zich, elk op een bijzondere wijze, in staat van verdediging.

Diabolus met wanhoop vervuld en voornemens alle pogingen aan te wenden om de beroemde stad Mensziel te behouden, nam zich voor alle schade die hij kon aan de Prins, Zijn armee en de stad toe te brengen. Want helaas! het was niet de gelukzaligheid van de stad Mensziel waar Diabolus het op toelegde, maar haar uiterste verderf en totale overmeestering, gelijk nu genoeg gebleken is. Zo beval hij zijn officieren de stad, wanneer ze haar niet langer konden houden, alle kwaad en schade aan te doen, die zij konden. Plunderende en plukkende mannen, vrouwen en kinderen, want zeide hij, ’t is beter dat we de stad slopen en als een puinhoop verlaten, dan dat we er zo uittrekken, dat ze aan Immanuël tot een woonplaats kan dienen. Immanuël aan de andere zijde, wetende dat de uitkomst van de volgende strijd Hem meester zou maken van de plaats, gaf een koninklijk gebod aan al Zijn officieren, kapiteins en mannen van oorlog. En dat tot sterkte om toe te zien en zich als strijdbare helden te gedragen jegens Diabolus en al de Diabolisten. Maar gunstig, zacht-moedig en barmhartig te wezen voor de oude inwoners van Mensziel. „Richt,” zei de Vorst verder, „uw aanvallen tegen hem en de zijnen.”

Toen nu de dag daar was, werd het gebod gegeven, ’s Vorsten heir schikte zich deftig in de wapenen en gelijk tevoren, zo voerden zij ook thans de grootste macht tegen Ooren Oogpoort. ’t Wachtwoord dat nu gegeven werd, was: „Mensziel is gewonnen.” En zo deden zij een aanval op de stad. Diabolus bood van binnen met zijn grootste macht, voorname heren en hoge officieren zoveel tegenstand als hem mogelijk was. Een tijdlang vocht hij zeer hardnekkig tegen het leger van de Prins. En zo ging het ook in het einde van de strijd die de Vorst des levens had te strijden, toen alles in het werk gesteld werd om Hem te nagelen aan het vloekhout des kruises. „Maar dit is uw ure en de macht der duisternis,” zeide de lijdende Borg. Alles zal ook nu door de macht der duisternis tegenover Vorst Immanuël aangewend worden om tegen de verlossing van Mensziel tot in het uiterste tegenstand te bieden. Was het mogelijk dan zou hij Mensziel met zijn helse inspraak in de wanhoop drijven. En zo kan in de eenzaamheid heel wat doorworsteld worden, daar Diabolus Mensziel de zaligheid en Immanuël de eer niet gunt van Zijn overwinning.

Maar na drie of vier voorname aanvallen, die Immanuël en Zijn edele kapiteins op de Oorpoort deden, werd deze opengebroken. De sloten en grendels waarmee men ze gewoonlijk toesloot voor de Vorst, vlogen in duizend stukken. Straks hoorde men de trompetten van de Prins blazen en de kapiteins juichten, terwijl de stad beefde en Diabolus zich in zijn schans terugtrok.

Toen nu aldus de poort geopend was, kwam de Vorst Zelf binnen en richtte er Zijn troon op. Hij zette Zijn standaard op zekere berg, die Zijn volk daar tevoren had opgeworpen om de geweldige slingers daarop te plaatsen (de berg was genaamd Hoorwel). Daar hield de Prins Zich ook op, te weten dicht bij de ingang van de poort en gaf last dat de gouden slingers op de stad en in het bijzonder op het kasteel spelen zouden, omdat Diabolus daarheen gevlucht was om zich te verbergen. Tot roem van Gods genade heeft Vorst Immanuël door de kracht van Zijn Woord de Oorpoort opengebroken. En dat deed Hij door de onwederstandelijke werkingen van Zijn Geest. Met macht en majesteit liet Hij Zijn stem horen in de stad en de kapiteins juichten, terwijl de stad beefde. „Maar op dezen,” zegt de Heere, „zal Ik zien, op de armen en verslagenen van geest en die voor Mijn Woord beeft.” Met ontferming zag de Heere op de stad neder door Zijn troon op te richten. Zijn troon die Hij met de almachtige hand van Zijn genade in stand hield.

O wonder van Gods genade, nu staat de troon van Zijn genade in Mensziel. Bewijs van Zijn ontfermende en verkiezende liefde in haar verheerlijkt. Gesteld vanuit de staat der ellende in de staat der genade, kleeft het hart de Heere aan met een innig gebedsleven. Bij de wedergeboorte richt de Heere Zijn troon op in het hart, het wordt een ootmoedig buigen voor Hem. ’t Wordt een leven onder de majesteit en hoogheid des Heeren, en dat met diepe indrukken daarvan in het hart. Hieruit komt de onberouwelijke keus op de Heere te vrezen en in Zijn wegen te wandelen.

Is hiermee nu alles in orde? Wel neen, daar is nog niets in orde, het is in de gehele stad nog een puinhoop van ellende. Maar Immanuël is er met Zijn troon, de majesteit en kracht van Zijn woord. En op de berg Hoorwel heeft Hij Zijn standaard geplaatst om Zijn bevelen te geven, die men met het gehoor der oren ter harte had te nemen. Hoor wel, laat het niet aan de opmerkzaamheid van uw gehoor voorbij gaan. Luister met een biddend hart om het woord dat Hij spreekt recht te mogen verstaan. Wij hebben vanwege de ernst der zaak parate kennis nodig om in allerlei omstandigheden handelend op te kunnen treden tegenover de vijand.

Het gaat nu om het werk der reformatie, de waarachtige bekering tot God. Op alle straten en in officiële gebouwen werd de deformatie der ongerechtigheid nog aangetroffen. Daar moet in het leven van de stad Mensziel nog heel veel afgebroken en uitgeroeid worden. De schuilhoeken, waarin de ongerechtigheid zich verborgen houdt, moeten opgezocht en gezuiverd worden. Blijft men staan in de eerste beginselen van het leven der genade, dan zal men tot grote schade van het nieuwe leven, ras weer door verschillende booswichten onderdrukt worden.

De straat nu van Oorpoort liep recht op het huis van de registreerder, die dat ambt bekleedde eer Diabolus de stad innam. En dicht bij zijn huis stond het kasteel dat Diabolus nu al lang tot zijn onreine spelonk had gemaakt. De kapiteins maakten derhalve welhaast deze straat schoon door ’t gebruik van hun steigers, zodat er een weg gemaakt werd tot in het hart van de stad. Toen beval de Prins dat kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging en kapitein Oordeel straks door de stad zouden marcheren naar de poort van de oude Edelman Consciëntie, wat zij ook dadelijk uitvoerden.

Gekomen aan het huis van mijnheer Consciëntie, werd er aangeklopt en gevraagd of zij binnen mochten komen. Maar de oude man, nog niet ten volle bekend met hun voornemens, had al de tijd dat het gevecht duurde zijn poorten gesloten gehouden, waarom Boanerges eiste dat men hem in zou laten. En daar niemand antwoordde gaf hij een stoot met het hoofd der stormrammen, zodat de oude man begon te rillen en het huis schudde en beefde. Hij trad naar de deur, vroeg met bevende lippen wie daar was, waarop Boanerges antwoordde: „Wij zijn de kapiteins en bevelhebbers van de grote El-Schaddai en Zijn gezegende Zoon Immanuël en eisen ’t gebruik van uw huis voor onze edele Vorst op en daarbij gaven de stormrammen nog een stoot. Al bevende opende de oude edelman de poort en zo viel Consciëntie, die onder de macht van Diabolus op nonactiviteit gesteld was, nu in de hand van des Konings bevelhebbers. Maar al beeft hij en vreest hij het ergste, zo is hij er toch op vooruit gegaan. Want hij kan duizend maal beter de gevangene zijn van de Prins bij Wien genade is, dan slaaf van Diabolus.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.