+ Meer informatie

Openingswoord: uitgesproken op de ouderlingenconferentie welke gehouden werd in Amersfoort op 18 november 1972

12 minuten leestijd

Mannen broeders, geachte aanwezigen, Reeds vóór de aanvang van deze conferentie hebben de meesten van U elkander met opgewektheid begroet. Wij hebben elkander een „goede morgen” gewenst, er was blijdschap om het weer zien, het elkaar ontmoeten en daarin klinkt dan de vreugde door dat we ook nu weer onze jaarlijkse conferentie mogen houden.

Ongetwijfeld zullen er broeders in den lande zijn die graag deze vergadering zouden willen bijwonen, doch door werk zaamheden of ziekte verhinderd zijn.

Mogelijk zijn er ook lege plaatsen van brs. die sinds de vorige conferentie door de God van leven en dood uit de kring hunner geliefden en van de gemeente waar zij mochten dienen, werden opgeroepen tot hoger dienst.

In ’t bijzonder spreekt ons daarbij vandaag aan de lege plaats in de kring van het comité, nu br. Ramaker niet meer met ons is.

Enkele woorden zou ik aan zijn nage dachtenis willen wijden en ik verzoek U deze staande te willen aanhoren.

Het bericht van overlijden luidde als volgt:

Terwijl hij bezig was met de arbeid voor Zijn Kerk nam de Here van leven en dood zeer plotseling tot Zich mijn geliefde man, onze lieve vader en grootvader

Hendrik Ramaker,

oud 64 jaar.

De Here is mijn Herder, mij ontbreekt niets.

Namens het comité heb ik zr. Ramaker en de kinderen bezocht en hen onze deelneming betuigd met dit verlies.

Br. Hendrik Ramaker heeft met een enkele onderbreking vanaf 1947 als lid van ons comité mogen en willen meewerken aan het organiseren van onze jaarljkse conferenties. Enkele jaren vervulde hij daarin de functie van secretaris.

Hoewel een man van weinig woorden gaf zijn doordachte oordeel vaak de juiste richting aan onze besluitvorming.

Deze conferentie zou hij niet hebben kunnen bijwonen daar hij op 7 november met zijn vrouw voor enkele weken naar Israël zou gaan.

Vrijdag 3 november was hij bezig, als scriba van de kerk te Groningen, een aantal zaken voor zijn waarnemer in gereedheid te brengen toen hij, geheel onverwacht, door de Here van zijn taak werd ontheven.

„De reis naar het Kanaan hier beneden ging niet door” aldus zijn vrouw „om dat hij naar het hemels Kanaan mocht gaan”.

Rijke troost voor zr. Ramaker en haar kinderen.

Blijve de Here haar nabij met het Woord Zijner genade en Zijn zorgende liefde.

Dankbaar gedenken wij het vele werk door hem voor ons komité verricht.

„De mens is gelijk een ademtocht, zijn dagen zijn als een voorbijglijdende schaduw, echter ……

Welzalig het volk welks God de Here is”. (Ps. 144).

Broeders, wij worden geroepen om voort te gaan.

Trouw en ijver zullen we moeten betrachten in ons ambtelijke werk.

Het werk van de ouderling blijft belangrijk en móet doorgaan omdat het een werk des Heren is, ingesteld door de Here Zelf.

Wat dat inhoudt en hoe groot de ver antwoordelijkheid is die de ouderling draagt t.o.v. de gemeente waarover hij gesteld is, kunt U o.a. duidelijk lezen in het artikel van prof. dr. J. P. Versteeg onder de titel:

Ontstaan en wezen van het ouderlingenambt volgens Handelingen. (A. C. juni 1972).

Geruime tijd heb ik er over nagedacht welke zaken ik bij de opening van deze konferentie in uw midden zou neerleggen en ter overdenking meegeven.

U is gewend dat er wat uitvoerig wordt stilgestaan bij de vragen die zich in het kerkelijk leven aan ons voordoen, maar ik moet eerlijk zeggen dat het mij dit keer wel bijzonder moeilijk viel om deze lijn voort te zetten.

Immers, wat een vragen dringen zich op en wat worden er een discussies gevoerd in de kerkelijke wereld, over tal van onderwerpen.

En konden we nu maar merken dat het vele geschrijf en gepraat de tegenstel lingen ophief, of zo U wilt: de „partijen” nader tot elkaar bracht dan zou men er nog vrede mee kunnen hebben. Niemand zal echter durven beweren dat dit het geval is.

Integendeel, we moeten eerder konstateren dat de tegenstellingen toegespitst, verscherpt worden.

Het moet ons dan ook, dacht ik, benauwen dat er niet alleen zoveel verschil van mening en inzicht is tussen, laat ik het noemen: „Kerk en Wereld” maar juist ook tussen de kerken onderling, ja zelfs tussen de kerken die tot een zelfde verband behoren.

Inplaats van als Christenen één front te vormen tegen toenemende afval en het negeren van de ordonnantiën Gods; i.p.v. gezamenlijk een krachtig getuigenis te laten horen tegen ongeloof en revolutie, op welke wijze dit ook open baar komt zien we (hoewel dankbaar zijnde voor het reformatorisch getuigenis van zaterdag j.1.) dat velen die zich naar de naam van Christus noemen, steeds scherper tegenover elkaar komen te staan.

Laten we daarbij maar niet te ver om ons heen zien doch in de eerste plaats letten op ons eigen kerkelijk leven.

In deze bijeenkomst van ambtsdragers mag ik daar toch wel een enkele opmerking over maken, waarbij ik dan de hoop uitspreek dat het ons aan het denken zal zetten en ons zal aansporen om, ieder in eigen plaats of kring er wat aan te doen.

Wat een kostbare tijd wordt er zoek gebracht met twistgesprekken over zaken van ondergeschikt belang. Er wordt vaak méér geredetwist over een zang wijze of het gebruik van een bepaalde bijbelvertaling dan dat er gesproken wordt over „de dingen die bij God te doen zijn”.

Op grond van het vóór of tegen iets zijn worden brs. en zrs. veroordeeld, in vakjes ingedeeld en men weigert begrip voor elkander op te brengen.

Het aantal „comité-zaken” op kerkelijke vergaderingen zijn daar soms even zoveel bewijzen van.

Men beseft daarbij blijkbaar niet dat het werk van de Heilige Geest belemmerd en tegengehouden wordt.

Evenals in de gemeente van Corinthe hebben velen ook nu de leus: „ik ben van … ik ben van … en ik ben van, en daarbij wordt maar al te vaak vergeten wat in 3 : 21 staat n.1.: daarom, niemand beroeme zich op mensen, alles is immers het uwe … doch gij zijt van Christus en Christus is van God”.

Nu worden wij, ouderlingen, geroepen om leiding te geven aan de gemeente. Ik kan mij niet voorstellen dat ook maar één van ons dat een eenvoudige zaak vindt die zo maar even „en passant” verricht kan worden.

Leiding geven betekent n.1. niet: spreken in de geest van vrede, vrede en geen gevaar en evenmin is het juist om onze kracht te zoeken in het klagen, te pas en te onpas, over de dagen waarin wij leven, over de prediking en noemt U maar op.

In beide gevallen zullen we, dacht ik, niet bereiken dat Jezus steeds meer gestalte krijgt in de gemeente.

We kunnen dan misschien n.a.v. het ene bezoek rapporteren dat het een aange naam bezoek was omdat er niet teveel kritiek was op de preek en het gemeentelijke leven, waardoor het gesprek in een welwillende sfeer gehouden kon worden, of anderzijds onder de indruk komen van het feit dat een br. of zr. ernstig kan komen te spreken over de vervlakking en geesteloosheid van de tijd waarin we leven, maar daarmee zijn we er toch niet.

Als ouderlingen komen we met een „boodschap” en die zal afgegeven moeten worden. Wanneer geen ernst wordt gemaakt met de persoonlijke verhouding tot de Here zal ertoe opgewekt en gewaarschuwd moeten worden.

Maar ook mag niet vergeten worden dat in het meeklagen met zovele anderen een stuk oppervlakkigheid en farizeïsme kan schuilen waartegen eveneens gewaarschuwd dient te worden.

Ik vraag me n.1. wel eens af of de nood sommige mensen werkelijk zo zwaar weegt als men doet voorkomen zoals het mij anderzijds onwaarschijnlijk voorkomt dat men, zeggende Jezus lief te hebben zich aan de dienst in Zijn koninkrijk kan onttrekken of maar zeer weinig belangstelling kan tonen. Leer en leven zullen in beide gevallen in overeenstemming dienen te zijn.

Om onze, noem het maar „boodschap” goed af te kunnen geven zullen we terdege kennis moeten nemen van hetgeen rondom ons gebeurt en dat alles proberen te bezien in het licht van Gods Woord, dus: de krant naast de bijbel. Geen eenvoudige opdracht brs. want ook wij zijn kinderen van de tijd waarin wij leven.

Ook ons bedreigt het gevaar dat eigen genoegen en rust vóórgaan bij het dienen van God. Natuurlijk mag ik niet generaliseren maar er zijn toch symptomen waar te nemen dat ambtelijke werkzaamheden verricht worden als er nog wat tijd overblijft en zo mag het toch niet zijn.

Wij zullen de bereidheid moeten tonen ons geheel te willen inzetten voor de dienst waartoe we geroepen zijn en dat omdat God daar recht op heeft, (we hebben het ook beloofd!) alsook omdat de gemeente pastorale bearbeiding nodig heeft. Gelukkig dat we óók telkens weer mogen bemerken dat daar nog behoefte aan is.

Misschien zegt iemand dat het steeds moeilijker wordt omdat onze aandacht door zoveel dingen wordt opgevraagd. Dat zal wel waar zijn, maar toch zullen we wat het zwaarst is het zwaarst moeten

laten wegen, zeker ook omdat, zoals prof. Versteeg zegt: „het de Heilige Geest is Die in het ambt stelt”.

En als er dan misschien iets of zelfs veel naar het 2e of 3e plan gesehoven moet worden of zelfs tijdelijk helemaal moet worden nagelaten dan zal dat moeten „omdat ouderlingen ten diepste verantwoordelijk staan tegenover de H. Geest zelf. Zij hebben opzicht over de gemeente die Gods eigendom is, door Hem gekocht voor de prijs van het bloed van Zijn Eigene”.

Dit bedenkende zullen we zo véél als ons mogelijk is de gemeente moeten ingaan; zij heeft daar ook recht op want, en ik citeer nog eenmaal: „een ouderling dient te weten wat de gemeente is die hij dient. Hij kan met die gemeente maar niet doen wat hij wil. Hij dient met de gemeente om te gaan als iets kostbaars”.

Een voorname en onmisbare factor is hierbij dat leden van een kerkeraad elk ander in dit werk steunen. De raad zal een team moeten zijn dat vervuld is van één begeerte n.1. om de opdracht Gods zo te vervullen dat Zijn naam daardoor wordt geheiligd en de gemeente wordt gebouwd in het allerheiligst geloof.

Nu zou ik de indruk gewekt kunnen hebben alsof het in heel ons werk alleen maar gaat om het persoonlijk gees telijk leven van hen die tot de gemeente behoren. Alsof wij alleen daarop bedacht hebben te zijn.

Evenals wij zijn ook zij die wij bezoeken betrokken bij het maatschappelijke en politieke gebeuren van de tijd waarin wij leven. Daarom zullen we ook niet voorbij kunnen gaan aan de persoonlijke problemen van hen die we bezoeken.

Om een paar problemen te noemen: U zult begrip moeten hebben voor de man die bij stakingsmoeilijkheden betrokken is, zowel als voor het kinderloze echt paar dat al zo lang tevergeefs hoopt; voor het meisje dat alleen dreigt te blij ven en dat misschien moeilijk verwer ken kan, als voor de kleine boer of mid denstander die zich zijn bedrijf ontvallen ziet als gevolg van de z.g.n. schaal vergroting; voor de werkgever die zijn christen zijn zeker ook wil beleven in de verhouding tot zijn personeel maar óók zijn bedrijf zo moet leiden dat het kan blijven voortbestaan; evenals voor de politieman die zijn werk onder steeds moeilijker omstandigheden moet verrichten. Wie zijn ogen open heeft voor wat er in het dagelijks leven te koop is kan de voorbeelden zelf wel aanvullen. Moeten wij nu zelf bij een bedrijfssluiting betrokken zijn om te kunnen praten met een fabrieksarbeider voor wie werkeloosheid dreigt ? Zèlf predikant zijn om begrip te kunnen opbrengen voor hem die in veel gevallen voorop moet gaan en van wie verwacht wordt dat hij soms vele malen per dag in gebed zal voorgaan en woorden van troost moet spreken ? Zélf zakenman zijn om het te begrijpen wat het is als het met veel liefde en zorg opgebouwde bedrijf door felle concurrentie dreigt te worden afgebroken ? Gelukkig niet want dan zou de gemeente in vele delen uit eenvallen en het ambtelijk werk onmo gelijk worden.

Het bevestigingsformulier laat ten deze een duidelijk geluid horen als het zegt: „Christus maakt gebruik van de dienst van mensen, aan wie Hij in de gemeente een bijzondere taak toevertrouwt. -

Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van Zijn lichaam”.

Zij, die ambtsdragers, mogen zich gedragen weten door het woord van de Here: „voorwaar, voorwaar Ik zeg U wie ontvangt dien Ik zend, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft”.

Wat een zegen brs. als we ons zulke gezondenen mogen weten. We mogen dan misschien soms heel erg tegen een bezoek opzien, de belofte blijft van kracht: „Hij Die U roept is getrouw, Die het ook doen zal”. Ik begon met U te herinneren aan de mogelijkheid dat wij plotseling uit ons werk kunnen worden opgeroepen. Ieder een weet dat, en ook zal elke ambtsdrager het wel eens als een benauwenis ervaren dat zijn werk zo onvolkomen en niet „af” is.

Mag ik U en mezelf dan opwekken brs. om ons werk méér te gaan zien in het licht van de wederkomst van Christus ? Wat een troost is het dan, dat in de Bijbel niet staat dat de „slaven” met hun werk klaar moeten zijn, maar waakzaam; bezig zijnde, zó alsof zij Hem elk ogenblik verwachten.

Van dié slaven staat geschreven: „zalig zij die de Here bij Zijn komst wakende zal vinden”.

Deze verwachting leide ons tot het gebed:

Dat wij ons ambt en plicht o, Heer getrouw verrichten tot Uw eer. Dat Uwe gunst ons werk bekroon, Uw Geest ons leid’ en in ons woon.

Zie op ons neder in gena opdat ons werk voorspoedig ga en scheldt ons alle misdaan kwijt, o Heer, Die vol ontferming zijt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.