+ Meer informatie

CLASSICALE DIACONALE COMMISSIES: EEN BLIK OP HUN WERK

11 minuten leestijd

Inleiding

„Nog steeds nemen de classicale diaconale commissies in belangrijkheid toe” schreef ds. H. van der Schaaf in het Jaarboek 1990 1). Er wordt kennelijk door deze commissies hard gewerkt en dat werk is van belang. Classicale diaconale commissies brengen diakenen bij elkaar, onderkennen problemen, adviseren diaconieën, verzorgen toerusting van diakenen. Ze vormen een ruggesteun voor diakenen en diaconieën.

In dit artikel wil ik de oorsprong van de classicale diaconale commissies (CDC) aangeven en de taak die hun is opgedragen. Vervolgens wil ik een overzicht geven van de werkzaamheden die deze commissies globaal verrichten. Tenslotte wil ik een aantal door mij gesignaleerde knelpunten voor de CDC noemen.

Het begin

„De praktijk wijst uit dat aan diakonale activiteiten niet alleen plaatselijk (diakonie) en landelijk (Generaal-Synodale deputaten) behoefte bestaat, maar dat dit regionaal eveneens het geval is. (..…) Deputaten zijn van mening, dat het overweging verdient om in elke classis één of twee diakonale deputaten te doen benoemen..… ” Aldus de Acta van de generale synode van Hilversum 1968/1969 2).

De synodale commissie „is met deputaten van oordeel dat de diakonale zaken op alle classes in toenemende mate een punt van bespreking dienen te vormen”. De commissie meent „dat het gewenst moet worden geacht dat elke classis een diakonale correspondent aanstelt welke als contactpersoon tussen deputaten ADMA en de classis kan optreden” 3).

Vervolgens besloot de generale synode „de classes te verzoeken over te gaan tot het aanstellen van een diaconale correspondent” 4).

In 1971 heeft „de tot nu toe opgedane ervaring bij deputaten de stellige verwachting gewekt, dat in deze weg van intensief contact tussen deputaten, classicale correspondenten en diaconieën veel zal kunnen worden gedaan voor het juiste functioneren van de diaconale ambtsbediening op het plaatselijk vlak van de gemeenten en in de wereld waarin wij zijn geplaatst” 5). Aan de synode van 1974 berichten deputaten vervolgens dat er verschillende classes zijn „die zijn overgegaan tot benoeming van een commissie” 6).

Wat wij nu kennen als classicale diaconale commissie is dus begonnen met een classicale diaconale correspondent. Deze had tot taak het onderhouden van contact met deputaten en classis. De overgang van correspondent naar commissie hangt vermoedelijk samen met het gegeven dat alleen het onderhouden van contact met de classis niet zo veel betekenis heeft. Echter zodra begonnen werd onder classis te verstaan de diaconieen in het ressort van de classis was dit van grote betekenis. Een taak ook die, gezien de verschillen tussen de diverse diaconieën (klein/groot; dorp/stad), voor één man te groot werd. Er kwamen broeders en zusters die de correspondent gingen helpen bij het vervullen van zijn taak. En het samen dragen van dit werk leidde als vanzelf tot classicale diaconale commissies.

Taak van een CDC

Ten behoeve van het werk van de correspondenten en later van de CDC’s hebben deputaten ADMA in 1981 een model instructie ontworpen. Deze luidt als volgt:

„De classis benoemt een commissie ter behartiging van de diaconale en maatschappelijke aangelegenheden. Het getal der commissieleden is minstens drie. Het is niet noodzakelijk dat de leden der commissie ambtsdrager zijn.

Tot de taak van de commissie behoort:

1. het inventariseren van de diaconale en maatschappelijke aangelegenheden in al hun vormen, binnen de classiskerken;

2. het zich bezinnen op en het geven van voorlichting over de diaconale en maatschappelijke aangelegenheden aan de kerkeraden c.q. diaconieën;

3. het daartoe onderhouden van contacten met kerkeraden c.q. diaconieën en deputaten ADMA;

4. het stimuleren en organiseren van contacten tussen de diaconieën onderling” 7).

Vanuit dit model hebben de meeste CDC’s een aangepaste eigen versie door de classis opgedragen gekregen. Aanpassingen hebben veelal te maken met de situatie in de classis. Soms moeten er b.v. contacten door de CDC worden onderhouden. In de laatste tijd komt ook het begrip toerusting voor in taakstellingen. Verschillende classes kennen namelijk één commissie voor de toerusting van ouderlingen en diakenen. Daarbij komt dat toerusting (hulp om als diaken te functioneren) meer omvat dan voorlichting (waarbij het vooral gaat om kennis).

Werkzaamheden

1. Contacter) bevorderen tussen diaconieën.

Een belangrijk aspect van het werk van een CDC is het stimuleren van contacten tussen de diaconieën onderling. Artikel 26 van de kerkorde draagt dat de diakenen ook nadrukkelijk op. „De diakenen zullen zo nodig… met andere diaconieën,… geregeld contact onderhouden, en zo mogelijk samenwerken voor de uitoefening van hun ambtelijke opdracht”.

Een dergelijk contact moet geleerd worden. Het komt niet vaak voor dat de ene diaconie met een andere contact zoekt. Mogelijk heeft men wel intéresse in het werk en de zorgen van de ander, maar de drukte van het eigen gemeentelijk werk maakt dat het er niet van komt. Soms ook kijkt een diaconie niet verder dan de eigen gemeente. Weliswaar is dat niet erg diaconaal, maar het gebeurt.

De CDC kan hier een bemiddelende rol speien. Zo beieggen CDC’s avonden waar gesproken wordt met een aantal diaconieën uit een bepaalde regio. Of men nodigt de diakenen uit van de kleine diaconieën. Er zijn in onze kerken nog behoorlijk veel diaconieën die één of twee diakenen omvatten. Voor ondersteuning en onderlinge hulp is dat wel wat weinig. Het is dan goed om regelmatig in een breder verband samen te komen en over diaconale aangelegenheden te spreken. Weer andere CDC’s bezoeken elke diaconie in hun ressort en spreken met de diaconieën over een bepaald onderwerp of inventariseren bij deze bezoeken activiteiten en problemen.

Er zijn in de laatste tijd ook CDC’s gekomen, die een eigen nieuwsbrief uitgeven. Een aantal keren per jaar worden dan diakenen geinformeerd over belangrijke ontwikkelingen in de regio. En via deze weg informeren diaconieën elkaar over hun werk.

2. Nieuwe diakenen.

Van belang is ook het werk dat de CDC doet voor nieuwe diakenen. Daarmee heb ik dan diakenen op het oog die voor het eerst in dit ambt worden bevestigd. Zij nemen hun ambt uiteraard ernstig op. Maar in veel situaties is lang niet altijd duidelijk welke taken zij moeten verrichten en op welke wijze dat dient te gebeuren. Verwacht zou mogen worden dat elke diaconie in dat opzicht haar nieuwe leden goed informeert en begeleidt, maar dat is lang niet altijd het geval. Dat komt niet voort uit onwil, maar vaak uit onwetendheid of onmacht hoe het werk over te dragen of onder woorden te brengen. Een CDC belegt dan elk seizoen één of twee avonden waarop met de nieuwe diakenen over hun werk wordt gepraat. Veelal helpen ervaren diakenen dergelijke bij-eenkomsten praktisch en concreet te houden.

3. Toerusting.

Daarnaast worden door de CDC allerlei onderwerpen behandeld. Veelal wordt gekozen voor een bepaald jaarthema, dat dan in b.v. drie avonden van verschillende kanten wordt belicht. De zaken die aan de orde komen, worden ook regelmatig herhaald. Een diaken staat meestal vier jaar in het ambt. Dat kan inhouden dat dezelfde thema’s elke vier jaar aan de orde kunnen komen, afhankelijk van het beleid van een CDC.

Uit een onderzoek van het Diaconaal Bureau blijkt dat diakenen vooral behoefte hebben aan een manier van bespreken die voor hen praktisch is. De belangrijkste onderwerpen die diakenen bezig houden zijn:

1. het afleggen van bezoeken (hoe moet ik omgaan met b.v. ouderen);

2. de omgang met de financiën (aan welke instellingen moeten giften gegeven worden en welke mensen mag en moet een diaconie helpen);

3. de taak van een diaken (hierover bestaat kennelijk geen duidelijkheid meer);

4. diaconaal beleid (hoe kunnen de werkzaamheden en de visie op diaconaat met elkaar in verband gebracht worden) en

5. de samenwerking met predikant en ouderlingen (die er overal wel is, maar door diakenen kennelijk als problematisch wordt ervaren). Mogelijk hangt dit samen met de onduidelijkheid van de eigen taak, zoals hierboven genoemd. De kerkorde veronderstelt in het reglement op de kerkvisitatie dat er overleg is, maar in de praktijk gebeurt dat kennelijk niet of onvoldoende.

4. Relatie met deputaten ADMA.

Ook de relatie met deputaten ADMA wordt door de CDC onderhouden. In de praktijk betekent dit dat er jaarlijks overleg is tussen alle CDC’s met de medewerkers van het Diaconaal Bureau. In dat overleg geven de CDC’s aan welke wensen zij hebben met betrekking tot het werk van deputaten en het bureau. Het beleid wordt zoveel mogelijk gezamenlijk uitgezet en er vindt ook tussen de CDC’s onderling uitwisseling van gedachten en ervaringen plaats.

Daarnaast beleggen deputaten elke paar jaar een bijeenkomst waarop CDC leden en deputaten over een bepaald onderwerp van gedachten wisselen.

Knelpunten

CDC’s verrichten hun werk voor een telkens wisselende groep diakenen. Dat houdt in dat dit werk nooit kan ophouden. Die diakenen willen zij van dienst zijn in hun ambtsuitoefening. Maar die ambtsuitoefening verschilt per gemeente en per diaken. Het vraagt een goed contact met de diaconieën om de toerusting toegespitst op de praktijk van het werk te laten verlopen. Tegelijk is het jammer te moeten constateren dat veel diakenen maar af en toe (soms nooit) toerustingsavonden bijwonen. Niet alleen is dat jammer voor de CDC of henzelf. Ik vind dat vooral jammer voor hun medebroeders uit andere gemeenten. Artikel 40 staat niet voor niets in de kerkorde!

Voor een CDC is er ook geen einde aan de bezinning op de taak van een diaken. Datgene wat er formeel over vastligt in bevestigingsformulier en kerkorde kunnen sommige diakenen maar moeilijk in verband brengen met hun praktijk. Daarbij komt dat er nogal wat veranderd is in de samenleving met allerlei gevolgen voor het diaconaat. Dat vraagt voortdurend nadenken over wat diaconaat nu eigenlijk is, zowel naar bedoeling als naar concrete uitwerking. En diakenen hebben daarbij hulp nodig. Die hulp is ook van belang om hun eigen taak te zien. Want als een taak onduidelijk is, kan dat zorg en spanning geven bij de diaken. Verder komen diakenen door het vele uitvoerende werk lang niet altijd toe aan bezinning. De CDC kan helpen ook deze lacune op te vullen.

Onduidelijkheid over diaconaat en taak leidt ertoe dat het beleid inzake de overdracht van de gaande diaken aan de komende tot stilstand komt. Stukken worden overgedragen, goede wensen geuit en vervolgens kan de nieuwe ambtsdrager aan de slag om het wiel opnieuw uit te vinden. Zo gaat in de kerk veel kennis en ervaring verloren, omdat we niet geleerd hebben dit alles structureel over te dragen aan opvolgers. Met andere woorden: omdat er geen beleid is in de diaconie op dit punt. Ook hier vindt een CDC een taak, maar die taak is niet eenvoudig. Diaconaat is principieel een zaak van de plaatselijke gemeente. Een CDC kan advies geven, diakenen helpen bij het maken van beleid, maar mag zich nooit bemoeien met het diaconaat van een plaatselijke gemeente. Daarom kan een CDC niet verder gaan in haar werk dan de diaconie wil. Tegelijk legt dit de verantwoordelijkheid daar waar die hoort, nl. bij de diaconie zelf.

De relatie van de commissie met de classis kent soms ook moeilijke momenten. De classis benoemt de leden van de CDC, geeft de CDC een taak en de CDC rapporteert over de vervulling daarvan. Het werk van de CDC komt dan aan de orde als één van de vele classicale commissies. Het diaconaat als zodanig komt zelden of nooit inhoudelijk aan de orde. Dat is een probleem bij elke „meerdere vergadering”. Het diaconaat speelt daar eigenlijk geen rol. Hier en daar worden pogingen in het werk gesteld om op de classisvergadering deze impasse te doorbreken. Zo geven de diaconieën die iemand moeten afvaardigen naar de classis soms preadvies en commentaar op de problematiek die de CDC aan de orde stelt.

Waar is de CDC te vinden?

De adressen zijn te vinden in het Jaarboek onder de informatie over de deputaten van een classis.

Tenslotte

Diaconaat wortelt in Christus en in Zijn volbrachte werk. Daarom geeft Hij ook Zijn Geest aan de gemeente en die Geest deelt gaven uit aan ieder. Diaconaat is dan veel meer een zaak van de hele gemeente dan van een paar diakenen. Wij als gemeente dragen het diaconaat samen, zoals Christus ons wil dragen. Dat geeft, juist ook bij het noemen van aandachtsvelden en Problemen, een geloofsperspectief. Wij worden geroepen en daartoe bekwaamd.

Diaconaat is niet gemakkelijk omdat het zich bezig houdt met mensen in nood en gedaan wordt door zondige mensen. Dan is het goed als er verbanden zijn, zoals een Classicale Diaconale Commissie, waar geput kan worden uit de broederschap en de deskundigheid van medebroeders om het diaconale ambtelijk werk te verrichten zó dat ik daar mezelf in kwijt kan en de naaste van dienst mag zijn.

1. Jaarboek 1990 van de Chr. Geref. Kerken in Nederland, Amsterdam 1990, blz. 246.

2. Acta van de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, Hilversum, 1968/1969. Rapport deputaten ADMA, blz. 207.

3. a.w., blz. 219.

4. a.w. artikel 234, blz. 99.

5. Acta enz. van de GS van 1971/72 te Rotterdam, blz. 262v.

6. Acta GS 1974 Amsterdam-Nieuw-West, blz. 201.

7. Diakonaal Handboek. Uitgave van deputaten voor Algemene Diakonale en Maatschappelijke Aangelegenheden; artikel DH 10.20, blz. 1.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.